TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Sint Matthias

Oploo, Noord-Brabant, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Kerk en kerkonderdeel
Function
Kerk
Category
onroerend gebouwd
Built (approximately)
1834 - 1835
Address
Grotestraat 14, 5841 AB Oploo (Land van Cuijk 30)
Place
Oploo
Municipality
Land van Cuijk
Province
Noord-Brabant
Country
Netherlands
Coordinates
51.60896, 5.87463
Monument number
519226

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

University Library, Vrije Universiteit Amsterdam

4 historical maps cover this location, the earliest the 1829 map "Choro-topographische kaart der Noordelijke provincien van het Koningrijk der Nederlanden" (Digital Commonwealth, Boston Public Library).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Inleiding

De in hoofdzaak Neogotische KERK van de in 1730 gestichte parochie van Sint Matthias is in 1730-1732 als schuurkerk gebouwd, naast de later verdwenen middeleeuwse kapel en is na een restauratie in 1800 in 1834-1835 herbouwd in Waterstaatsstijl. In 1890 werd een nieuw koor met twee kruisarmen gebouwd, waarna in 1905 de toren verhoogd en met machinale baksteen beklampt werd. In 1929 vond naar plannen van H.C. van de Leur een grootscheepse uitbreiding plaats, waarbij een tweede transept, jongens- en meisjeskapellen en sacristie tot stand kwamen. Alle verbouwingen vonden vanaf 1890 plaats in Neogotische stijl, waarbij de kapconstructie der schuurkerk van 1730-1732 behouden bleef. In de zuidbeuk een jaarsteen.

Omschrijving

Kerkgebouw met samengestelde plattegrond, opgetrokken uit baksteen met spaarzaam gebruik van natuursteen, langamerhand uitgebouwd tot een ruime centraalbouw met gecompliceerde in stuc uitgevoerde gewelven. Het gebouw bestaat uit toren, dubbel transept met driezijdige sluitingen en nevenruimten, een koor van een travee met driezijdige sluitingen en aansluitend een plat gedekte sacristie en kinderkapellen.

Samengestelde zadel- en schilddaken met leien in maasdekking.

De toren telt drie geledingen en dateert in oorsprong tenminste uit 1834. Van deze toren zijn na de ommetseling van 1905 in de blinde nissen nog delen van het metselwerk en de galmgaten zichtbaar. Overhoekse steunberen en aangebouwde ronde traptoren met kegeldak. De eerste geleding heeft een neogotisch portaal met een spitsboog rustend op natuurstenen zuiltjes met kapiteel. Dubbele deuren met smeedijzeren beslag en bovenlicht met driepas en cirkel. In de tweede geleding twee met een driepas afgesloten blindnissen. In de derde geleding smalle spitsbogige galmopeningen boven een driepasnis, samengevat in een spitsbogig spaarveld. Op een rijke tandlijst uitkragende neogotische balustrade met spitsboognissen en hoekpinakels. Achtzijdige spits met vier dakkapellen en open lantaarn op een lage achthoekige bakstenen onderbouw met nissen en wijzerplaten. Inwendig handvormsteen en oude eiken balklagen tot aan de klokkengeleding. Het schip heeft deels haakse steunberen en tweedelige spitsboogramen met natuurstenen traceringen. Deze eenvoudige vormgeving wordt herhaald aan de beide transeptarmen, die op intrigerende en handige wijze geconstrueerd, een min of meer centraliserend karakter aan de ruimte geven. Tussen de armen telkens een lage nevenruimte met schilddak. Het koor heeft iets hoger muurwerk met eenvoudige neogotische vormentaal en gaat deels schuil achter een enveloppe van lage en plat gedekt nevenruimten met hooggeplaatste segmentboogramen.

De in 1952 in grijstinten geschilderde kerkruimte bestaat gezien vanuit de toren uit een smalle, eenbeukige travee met tongewelf boven orgel en orgelgalerij. Op deze travee sluit een dwarsbeuk aan met stergewelf met koepeltje in stuc en in de armen kruisribgewelven en driezijdige sluitingen. Slanke kolommen vormen de overgang naar de eerste travee. De daaropvolgende smalle travee bevat weer het oude tongewelf en heeft aan weerszijden dwarsmuren, gedragen op granieten zuiltjes met bladkapitelen. Halve en klimmende kruisgewelven vormen de overgang naar de lagere nevenruimten tussen de transeptarmen in, welke ieder een cassettenplafond met klein middenkoepeltje hebben. In deze verbindingstravee een rondvenster. Het daaropvolgde transept herhaalt de vormen van het westelijke transept en sluit aan op het koor. Dit bestaat uit een vierkante travee en een driezijdige sluiting, met hooggeplaatste tweedelige spitsboogramen en kruisribgewelven in baksteen. Links en rechts zijn de meisjes- en jongenskapellen thans van de kerk afgescheiden.

Over de middenbeuk, deels onderbroken door de twee uitgebouwde kruisarmen bevindt zich de zeven spanten en acht vakken omvattende eiken bekapping uit de achttiende eeuw, voorzien van gehakte telmerken. Zij bestaat uit een sporenkap met twee op elkaar geplaatste schaargebinten waarop een driehoekspant met makelaar en nokgording. In het onderste gebint is het tongewelf met latten en stuc geconstrueerd. Op de horizontale gordingen eiken sporen en grenen beschot.

In de kerk onder meer een paneel van een houten biechtstoel uit 1730, vier panelen van een preekstoel uit het eerste kwart van de vorige eeuw, een Catharinabeeld van Petrus Verhoeven van kort na 1785, beelden van Hubertus (ca. 1800) en Isidorus (1875), een staakmadonna (18e eeuw), een H. Hartbeeld (begin 20ste eeuw), een mogelijk middeleeuws eikenhouten kruisbeeld, schilderijen van de Aanbidding der Wijzen (ca. 1600), de Annunciatie (ca. 1700) en Maria Tenhemelopneming (18de eeuw) en een neogotische kruisweg van het atelier Mengelberg (1901-1923). Het laat 18de eeuwse, uit Sonsbeck afkomstige en hier in 1862 geplaatste orgel heeft een zevendelig front met drie pijpentorens en bekronende putti en is geplaatst op een houten galerij met gesneden ajourbalustrade op composiete kolommetjes. De Orgelkas, gemaakt door J. Winkels in 1862, is van waarde uit het oogpunt van monumentenzorg. Het orgel is niet van waarde uit het oogpunt van monumentenzorg. Het huidige hoogaltaar is in 1956-1962 gemaakt door H. van den Thillart uit Den Bosch. Eikenhouten klokkenstoel met vier jukken, waarschijnlijk 18de eeuw.

Waardering

Het kerkgebouw is van algemeen belang en heeft cultuurhistorische waarde als uitdrukking van een geestelijke ontwikkeling. Het heeft architectonische waarde als representant van de geleidelijke uitgroei van een eenvoudige schuurkerk tot centraliserend en aan nieuwe liturgische opvattingen aangepast kerkgebouw en vanwege de plaats in het werk van Van de Leur. Het heeft ensemblewaarden vanwege de betekenis voor het aanzien van het kerkdorp. Het is gaaf bewaard gebleven en kent een hoge zeldzaamheidswaarde vanwege de uniciteit van de bekapping der schuurkerk uit de achttiende eeuw.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Introduction

The predominantly Neogothic CHURCH of the parish of Sint Matthias, founded in 1730, was built in 1730-1732 as a barn church, adjacent to the later disappeared medieval chapel and after a restoration in 1800 was rebuilt in 1834-1835 in the Waterstaats style. In 1890 a new choir with two transept arms was built, after which in 1905 the tower was heightened and clad with machine-made brick. In 1929, according to plans by H.C. van de Leur, a large-scale expansion took place, whereby a second transept, boys' and girls' chapels and sacristy were created. All alterations took place from 1890 onwards in Neogothic style, whereby the roof truss structure of the barn church of 1730-1732 was retained. In the south aisle a date stone.

Description

Church building with composite floor plan, built up in brick with sparing use of natural stone, gradually expanded into a spacious central structure with complicated stucco vaults. The building consists of a tower, double transept with three-sided closures and ancillary spaces, a choir of one bay with three-sided closures and adjoining a flat-ceilinged sacristy and children's chapels.

Composite gabled and hipped roofs with slate in Meuse-style covering.

The tower has three storeys and dates in origin from at least 1834. Following the re-pointing of 1905, parts of the brickwork and sound openings are still visible in the blind niches of this tower. Diagonal buttresses and adjoining round stair towers with conical roofs. The first storey has a neogothic portal with a pointed arch resting on natural stone columns with capitals. Double doors with wrought-iron fittings and fanlight with trefoil and circle. In the second storey two blind niches terminated with a trefoil. In the third storey narrow pointed-arch sound openings above a trefoil niche, grouped together in a pointed-arch spandrel. On a rich dentil line projecting neogothic balustrade with pointed-arch niches and corner pinnacles. Octagonal spire with four roof dormers and open lantern on a low octagonal brick base with niches and clock faces. Internally handmoulded stone and old oak beams up to the bell storey. The nave has partly perpendicular buttresses and two-part pointed-arch windows with natural stone tracery. This simple formal vocabulary is repeated on both transept arms, which are constructed in an intriguing and ingenious manner, giving the space a somewhat centralizing character. Between the arms each time a low ancillary space with hipped roof. The choir has slightly higher walling with simple neogothic formal vocabulary and is partly concealed behind an envelope of low and flat-ceilinged ancillary spaces with high-placed segmental-arch windows.

The church space, painted in grey tones in 1952, seen from the tower consists of a narrow, single-aisle bay with a barrel vault above the organ and organ gallery. To this bay adjoins a transverse aisle with a star vault with small dome in stucco and in the arms cross-ribbed vaults and three-sided closures. Slender columns form the transition to the first bay. The subsequent narrow bay contains again the old barrel vault and has at each side transverse walls, borne on granite columns with leaf capitals. Half and rising cross vaults form the transition to the lower ancillary spaces between the transept arms in, each of which has a coffered ceiling with small central dome. In this connecting bay a round window. The subsequent transept repeats the forms of the western transept and adjoins the choir. This consists of a square bay and a three-sided closure, with high-placed two-part pointed-arch windows and cross-ribbed vaults in brick. On the left and right the girls' and boys' chapels are now separated from the church.

Over the central aisle, partly interrupted by the two extended transept arms, is the oak roof covering comprising seven principal rafters and eight bays from the eighteenth century, provided with hewn carpenters' marks. It consists of a collar-tie roof with two scissor trusses placed on top of each other on which sits a triangular rafter with brace and ridge board. In the lower truss the barrel vault is constructed with laths and stucco. On the horizontal ties oak braces and pine boarding.

In the church among others a panel of a wooden confessional from 1730, four panels of a pulpit from the first quarter of the previous century, a Saint Catherine image by Petrus Verhoeven from shortly after 1785, images of Hubertus (circa 1800) and Isidorus (1875), a stake Madonna (18th century), a Sacred Heart image (early 20th century), a possibly medieval oak wooden crucifix, paintings of the Adoration of the Magi (circa 1600), the Annunciation (circa 1700) and the Assumption of Mary (18th century) and a neogothic Stations of the Cross from the Mengelberg workshop (1901-1923). The late 18th-century organ, originating from Sonsbeck and installed here in 1862, has a seven-part front with three pipe towers and crowning putti and is placed on a wooden gallery with carved openwork balustrade on composite columns. The organ case, made by J. Winkels in 1862, is of value from the viewpoint of monument conservation. The organ is not of value from the viewpoint of monument conservation. The current high altar was made in 1956-1962 by H. van den Thillart from Den Bosch. Oak wooden bell frame with four yokes, probably 18th century.

Valuation

The church building is of general interest and has cultural-historical value as an expression of spiritual development. It has architectural value as a representative of the gradual expansion of a simple barn church into a centralizing and newly adapted church building accommodating new liturgical concepts and because of its place in the work of Van de Leur. It has ensemble values because of its significance for the appearance of the church village. It has been preserved intact and possesses high rarity value because of the uniqueness of the roof covering of the barn church from the eighteenth century.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map