Rijksmonumentenregister · Netherlands
Kapel(F1), Herenstraat bij 1
Amersfoort, Utrecht, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Kapel
- Function
- Kapel(F1)
- Category
- onroerend gebouwd
- Built
- 1889
- Address
- Herenstraat bij 1, Locatie: Kattenbroek, 3811 HG Amersfoort
- Place
- Amersfoort
- Province
- Utrecht
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 52.15500, 5.39284
- Monument number
- 517744
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
University Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit Amsterdam
4 historical maps cover this location, the earliest the 1879 map "De Nieuwe Hollandsche Waterlinie en de stelling in de Geldersche Vallei / ontworpen door M.H.J. Plantenga ; geteekend door M. van Meurs" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Inleiding
De ZAALKERK van het complex van de congregatie van Onze Lieve Vrouw is in hoofdzaak in twee fasen totstand gekomen. In 1889-1890 werd naar ontwerp van C.L.M. Robbers een neogotische kapel gebouwd, een eenbeukig schip, bestaande uit zes traveeën met op de noordwesthoek een traptoren, met spitsvormige bekroning. Aan de zuidzijde bevond zich een relatief klein priesterkoor, geflankeerd door een opbergkamer en een sacristie. Het te kleine priesterkoor gaf in 1934-1935 aanleiding om B.J. Koldewey te vragen een breder priesterkoor te ontwerpen. Aangezien het beschikbare terrein slechts een kleine uitbreiding in de lengterichting toeliet, koos de architect voor een ontwerp waarin meer de breedte van de locatie werd benut. Bovendien maakte hij de uitbreiding hoger dan de bestaande kapel. Hij ontwierp in de bouwstijl van het traditionalisme een hoge rechthoekige ruimte, overspannen met een houten kap, met daaromheen symmetrisch gerangschikt een aantal kleinere ruimten, zoals een berging en een sacristie.
Omschrijving
De kloosterkapel is op het binnenterrein van het kloostercomplex aan de Zuidsingel gelegen. De oriëntatie is noord/west-zuid/oost. De noordoostzijde grenst aan de refter van het kloostergebouw. De symmetrische plattegrond heeft een T-vorm, waarbij de brede stam wordt gevormd door het schip uit 1890 en de kop de uitbreiding met het priesterkoor van 1935.
Het schip bezit een zadeldak, bedekt met leien. De plattegrond van het schip heeft een verhouding van zes staat tot drie. De lange zijden - oost- en westgevel- zijn onderverdeeld in zes traveeën, die aan de buitenzijde gemarkeerd worden door steunberen en aan de binnenzijde door pilasters en spitsbogen. De overgang van pilaster naar spitsboog bevindt zich precies op de helft van de hoogte van het gewelf. De ribben lopen niet door in de pilasters.
De buitenmuren zijn opgetrokken uit donkerrode baksteen. In de vijf zuidelijke traveeën bevinden zich spitsboogvensters met lancettracering, waarvan de waterlijsten zich op een kwart der totale hoogte van het gewelf bevinden. De traceringen zijn uit fel-rode baksteen vervaardigd. De overgang van muur naar dak wordt gemarkeerd door een muizentandlijst, waarboven in baksteen een spitsboogfries is aangebracht. Onder de vensters van de meest zuidelijke travee bevinden zich in beide gevels de toegangen tot de biechtstoelen, die naar ontwerp van Koldewey in 1935 als een lage uitbouw met lessenaarsdak zijn toegevoegd. De muren van de meest noordelijk travee zijn gesloten, wat samenhangt met de indeling van het interieur; op één-derde hoogte is een balkon aangebracht, ondersteund door drie spitsbogen, die daarmee een voorportaal afscheiden van de eigenlijke zaal. Op de noordwesthoek bevindt zich een achthoekige traptoren met spits en smeedijzeren kruis. Het uiterlijk van de symmetrische noordgevel is na de bouw van het kloostercomplex in 1900 grotendeels aan het oog onttrokken door een venster, dat in het midden van een met spitsboogspaarvelden voorziene topgevel is geplaatst. Vanuit de refter van het hoofdgebouw bereikt men de kapel via geprofileerde deuren uit 1935.
Het priesterkoor uit 1935 heeft een rechthoekige plattegrond, die iets breder is dan het schip. Aan de noord- en zuidzijden van het hoge priesterkoor bevinden zich lagere rechthoekige ruimten voor de sacristie en de berging. Deze ruimten hebben evenals het priesterkoor een zadeldak evenwijdig aan het schip, bedekt met leien. De licht uitkragende absis is lager en wordt aan de buitenzijde door forse steunberen geaccentueerd met in de zijvlakken spitsboogvormige openingen. Op de overgang van schip naar koor is een vierzijdig torentje met zadeldak geplaatst. Dragende elementen als aanzetstenen zijn van natuursteen. De bovenste delen van de gekoppelde spitsboogvensters, die zich bevinden in de zijgevels van het priesterkoor, zijn eveneens van natuursteen. Een segmentboogfries vormt de beëindiging van alle gevels van het koor. Kleinere rondboogvensters zijn rondom in de muurvlakken van de lagere ruimten geplaatst.
In 1935 werd tevens een nieuwe gang aan de voorzijde van de kapel aangebracht, eveneens naar ontwerp van Koldewey. Zowel interieur als exterieur zijn bewaard, zoals de stalen spitsboogkozijnen met roedenverdeling en vensters met glas-in-lood.
Het interieur van de kapel wordt bepaald door het schoon metselwerk van de gewelven in het schip, het hoge stenen kruisgewelf van het priesterkoor en de rijk gedetailleerde deuren met hang- en sluitwerk.
Waardering
De kapel, die onderdeel uitmaakt van het kloostercomplex van de congregatie van Onze Lieve Vrouw aan de Zuidsingel, is van algemeen belang vanwege haar architectuurhistorische en cultuurhistorische waarde als voorbeeld van een kapel, waarin een grote samenhang is ontstaan tussen het oorspronkelijke neogotische schip uit 1889-90 en het in 1935 vernieuwde, traditionalistische priesterkoor. De kapel is van ensemblewaarde in relatie met de overige delen van het kloostercomplex.
Binnen de ontwikkeling van de congregatie van de Zusters van Onze Lieve Vrouw vormt deze kapel een belangrijke schakel.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Introduction
The hall church of the complex of the congregation of Our Lady came into being essentially in two phases. In 1889-1890, a neo-Gothic chapel was built according to a design by C.L.M. Robbers, a single-aisle nave consisting of six bays with a stepped tower on the northwest corner, crowned with a pointed spire. On the south side was a relatively small priest's choir, flanked by a storage room and a sacristy. The inadequate priest's choir led in 1934-1935 to the request for B.J. Koldewey to design a wider priest's choir. Since the available space only allowed a small extension in the length direction, the architect chose a design that made greater use of the width of the site. Moreover, he made the extension taller than the existing chapel. He designed in the architectural style of traditionalism a high rectangular space, spanned with a wooden roof truss, with a number of smaller rooms arranged symmetrically around it, such as a storage room and a sacristy.
Description
The cloister chapel is located in the inner courtyard of the cloister complex on the Zuidsingel. The orientation is northwest-southeast. The northeast side adjoins the refectory of the cloister building. The symmetrical floor plan has a T-shape, whereby the wide stem is formed by the nave from 1890 and the head is the extension with the priest's choir from 1935.
The nave has a gabled roof, covered with slate. The floor plan of the nave has a proportion of six to three. The long sides - east and west facades - are subdivided into six bays, which are marked on the outside by buttresses and on the inside by pilasters and pointed arches. The transition from pilaster to pointed arch is located precisely at half the height of the vault. The ribs do not continue into the pilasters.
The outer walls are constructed of dark red brick. In the five southern bays there are pointed arch windows with lancet tracery, with drip mouldings located at a quarter of the total height of the vault. The traceries are made of bright red brick. The transition from wall to roof is marked by a dentil moulding, above which a pointed arch frieze is applied in brick. Below the windows of the most southern bay, accesses to the confessionals are located in both facades, which according to Koldewey's design were added in 1935 as a low extension with a lean-to roof. The walls of the most northern bay are closed, which is related to the interior layout; at one-third height a balcony has been installed, supported by three pointed arches, which thereby separate a vestibule from the actual hall. On the northwest corner is an octagonal stepped tower with a spire and wrought-iron cross. The appearance of the symmetrical north facade is largely hidden from view after the construction of the cloister complex in 1900 by a window, which is placed in the middle of a gable with pointed arch roof trusses. From the refectory of the main building, one reaches the chapel via moulded doors from 1935.
The priest's choir from 1935 has a rectangular floor plan, which is slightly wider than the nave. On the north and south sides of the high priest's choir are lower rectangular rooms for the sacristy and storage. These rooms have, like the priest's choir, a gabled roof parallel to the nave, covered with slate. The slightly projecting apse is lower and is accentuated on the outside by substantial buttresses with pointed arch-shaped openings in the side surfaces. On the transition from nave to choir is a four-sided turret with a gabled roof. Load-bearing elements such as corner stones are of natural stone. The upper parts of the coupled pointed arch windows, which are located in the side facades of the priest's choir, are also of natural stone. A segmental arch frieze forms the termination of all facades of the choir. Smaller round arch windows are placed around in the wall surfaces of the lower rooms.
In 1935, a new corridor was also added to the front of the chapel, also designed by Koldewey. Both interior and exterior are preserved, such as the steel pointed arch windows with glazing bars and windows with leaded glass.
The interior of the chapel is defined by the fine brickwork of the vaults in the nave, the high stone cross vault of the priest's choir and the richly detailed doors with hinges and locks.
Valuation
The chapel, which forms part of the cloister complex of the congregation of Our Lady on the Zuidsingel, is of general interest because of its architectural-historical and cultural-historical value as an example of a chapel in which great coherence has developed between the original neo-Gothic nave from 1889-90 and the priest's choir renewed in 1935 in the traditionalist style. The chapel has ensemble value in relation to the other parts of the cloister complex.
Within the development of the congregation of the Sisters of Our Lady, this chapel forms an important link.
Nearby in the register
- Klooster, Herenstraat 1Klooster, kloosteronderdlunder 1 mi
- Woonhuis, Muurhuizen 37Woonhuisunder 1 mi
- Opslag, Muurhuizen 35 AOpslagunder 1 mi
- Woonhuis, Muurhuizen 50Woonhuisunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.