TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Kapel(F1), Pastoor van Erpstraat bij 1

Schijndel, Noord-Brabant, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Kapel
Function
Kapel(F1)
Category
onroerend gebouwd
Built
1898
Address
Pastoor van Erpstraat bij 1, 5481 BK Schijndel (Meierijstad 30)
Place
Schijndel
Municipality
Meierijstad
Province
Noord-Brabant
Country
Netherlands
Coordinates
51.61669, 5.43449
Part of complex
517028
Monument number
517029

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

University Library, Vrije Universiteit Amsterdam

3 historical maps cover this location, the earliest the 1904 map "Kaart ten behoeve van de manoeuvres der 2e Divisie Infanterie in 1904 / [Topographische Inrichting]" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Inleiding.

De KLOOSTERKAPEL met voorafgaande kloosterruimten ligt met de nokrichting van het dak evenwijdig aan de Kloosterstraat. Drie gevels liggen vrij op het kloosterterrein waarop verder een grote siertuin, oprijlaan en diverse paden. De zuidwestzijde grenst aan het kloostercomplex op (gewijzigde) dubbel-carrévormige plattegrond. De in 1898 gebouwde kloosterkapel is een uitbreiding van het vanaf omstreeks 1870 in delen opgetrokken kloostercomplex. Architect J. Kayser uit Maastricht ontwierp de kapel in Neo-Gotische stijl. Aannemer J. v.d. Weerden uit Altfort (Gelderland) voerde het werk uit.

In 1933 bouwde de plaatselijk bekende architect Ch. van Liempd aan de noordelijke transeptarm een nieuw ingangsportaal. In de loop der jaren is de kapel inwendig gedeeltelijk vernieuwd; de zwarte Naamse steen op de vloer is nieuw, het meubilair en het glas-in-lood zijn gemoderniseerd. De gebrandschilderde ramen in de absis zijn van Pieter Wiegersma uit 1984. Het ooit door de uit Roermond afkomstige Cuypers gepolychromeerde interieur is egaal wit gesausd.

Omschrijving.

Een op het noordoosten georiënteerde eenbeukige kruiskapel. Op de kapel een zadeldak dat op de sluitingen van de transepten is afgewolfd en bij de absis omloopt. Schip en transepten gedekt met schubleien, koor en absis met blokleien. In het dakschild verschillende kleine kapellen waarin klampluik met (deels) decoratief beslagwerk onder aangekapt, omlopend schilddakje. Op de nokeinden van de kapellen en transepten een piron, op het nokeinde van het koor een smeedijzeren kruis.

Het gebouw is opgetrokken uit in kruisverband gemetselde baksteen (met knipvoeg) met toepassing van rode profielsteen rond gevelopeningen en in de plint, en hardsteen voor de lekdorpels, versnijdingen van steunberen en waterlijsten. Het gewelf in het interieur is van hout.

Het mogelijk oudere verbindingsstuk tussen klooster en kapel telt twee traveeën, het schip van de kapel vijf traveeën, de rechtgesloten transeptarmen één, het koor eveneens één travee met een 5/8 sluiting. In de oksel van koor en transept aan de zuidoostzijde een sacristie op een rechthoekig grondplan onder lessenaarsdak; aan de noordwestzijde een Mariakapel onder omlopend zadeldak.

De gevels met tweedelige opstand worden verticaal geleed door tot aan de dakrand oprijzende, versneden steunberen. Opliggende bakgoot. In het verbindingsstuk onder de dakrand bloktandlijst, overhoekse muizentandlijst en kamtandlijst boven de steunbeer. In de gevels van de kapel onder de dakrand en tussen de steunberen omlopende driedubbele overhoekse muizentandlijst met daaronder enkele of dubbele bloktandlijst.

In het verbindingsstuk per travee een van traceerwerk voorzien spitsboogvenster boven een (aan de zuidoostzijde) houten deur met getoogd tweedelig bovenlicht en getoogd glas-in-loodraam op de begane grond. Aan de noordwestzijde is op de begane grond de refter aangebouwd. In het schip per travee twee gekoppelde lancetvensters onder een rondvenster, alle voorzien van glas-in-lood. In de transeptarmen een dito rondvenster (aan de noordwestzijde boven de Lourdesgrot wederom met lancetvensters), in de sluitingen van de van haakse steunberen en een afgetopte tuitgevel voorziene transepten een opmerkelijk zevendelig venster met klimmende lancetten bekroond met twee kleine lancetvensters in de geveltop, in het koor en de koorsluiting per travee een lancetvenster, deels schuilgaand achter en ingekort door de aanwezigheid van de sacristie en de Mariakapel. In de straatgevel van de sacristie (deels gekoppelde en van diefijzers voorziene) vensters onder segmentboog.

Inwendig in het verbindingsstuk tussen klooster en kapel op de begane grond twee ruimten van elk een travee breed. De eerste ruimte opent via een eikenhouten dubbele paneeldeur naar een voorportaal, waarin vervolgens een in het verlengde gelegen dito deur toegang verleent tot het schip van de eigenlijke kapel. Op de verdieping één kloosterruimte met twee stenen kruisribgewelven op schalken met bladkapitelen. Deze ruimte, thans in gebruik als een kleine kapel en door een (deels tussengeplaatste) wand van de zangerstribune in de kapel afgescheiden, is geheel wit gestuct, en wordt aan de zuidwestzijde afgesloten door een monumentale spitsboogvormige pui met in stijl en regelwerk gevatte glas-in-lood ramen.

De kapel toont in materiaal een afwisseling tussen (nu wit geschilderde) baksteen, pleisterwerk en een houten gewelf, karakteristiek voor het werk van J. Kayser. De opstand is tweedelig, bestaande uit een massief muurvlak of blinde spitsboognis in de onderzone met daarboven lichtvensters. De gevels worden verticaal geleed door slanke schalken, bekroond met ter plaatse van de basis van de vensters geplaatste halfkapitelen. Hierop rusten om de vensters getrokken blinde spitsboognissen en schalken met dito halfkapitelen die op hun beurt de gordelbogen en ribben dragen van het houten kruisribgewelf. Viering met bundelpijlers en stenen gordelbogen. De aanzetlijn van de gewelfvelden ligt niet in het verlengde van het muurvlak maar meer naar binnen. De gewelfvelden worden via een door houten consoles ondersteunde omlopende lijst naar het muurvlak geleid. In de oksel van transept en koor aan de noordzijde de driezijdig gesloten Mariakapel met witgestuct kruisribgewelf op twee figuratieve kraagstenen.

Van de inventaris zijn de volgende onderdelen vermeldenswaard: het hoogaltaar in de absis en het Maria-altaar (met icoon) in de Mariakapel, vervaardigd door Ch. van Liempd (Schijndel), Van de Meerendonk (Tilburg), beeldhouwer J. Uiterwaal (Utrecht) en marmerwerker Visser; het ciborium om het hoofdaltaar met vier groenmarmeren zuilen met figuratieve kapitelen die een hoofdgestel ondersteunen met cassettenplafond en omlopend metalen figurenfries van de hand van koper- en bronswerker Van Roosmalen; de kruiswegstaties van zwart-wit geglazuurde sectiel-tegeltjes in het schip van Charles Eyck uit 1936; tenslotte twee houten heiligenbeelden.

Waardering.

De kloosterkapel met voorafgaande kloosterruimten is van algemeen belang. Het object heeft cultuurhistorische waarde als bijzondere uitdrukking van de ontwikkeling van de Congregatie van de zusters van Liefde.

Het heeft architectuurhistorische waarde vanwege de esthetische kwaliteiten van de detaillering in met name de sluitingen van de transeptarmen, het gewelf en de inventaris en vanwege de representatieve waarde van het werk voor het oeuvre van architect J. Kayser.

Het object heeft ensemblewaarden als onderdeel van een historisch gegroeid religieus ensemble, verder bestaande uit de Lourdesgrot en het gehele aansluitende kloostercomplex met tuinen, dat als centraal moederklooster van de over het land verspreide congregatie van belang is. Verder is het belangwekkend als beeldbepalend onderdeel van een historisch gegroeid religieus ensemble aan de Kloosterstraat en de Van Erpstraat.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Introduction.

The CONVENT CHAPEL with preceding convent spaces is oriented with the roof ridge direction parallel to Kloosterstraat. Three facades are freely positioned on the convent grounds which further contains a large ornamental garden, driveway and various paths. The southwestern side adjoins the convent complex on a (modified) double-courtyard plan. The convent chapel built in 1898 is an extension of the convent complex constructed in sections from around 1870. Architect J. Kayser from Maastricht designed the chapel in Neo-Gothic style. Contractor J. v.d. Weerden from Altfort (Gelderland) carried out the work.

In 1933 the locally renowned architect Ch. van Liempd built a new entrance portal at the northern transept arm. Over the years the chapel has been partially renovated internally; the black Namur stone on the floor is new, the furnishings and stained glass have been modernised. The stained-glass windows in the apse are by Pieter Wiegersma from 1984. The interior once polychromed by Cuypers from Roermond has been painted uniformly white.

Description.

A single-aisle cruciform chapel oriented to the northeast. Above the chapel a gabled roof that is half-hipped at the transept closures and runs around the apse. Nave and transepts covered with slate shingles, choir and apse with block slates. On the roof ridge various small chapels with flap shutters with (partly) decorative fittings under an attached, continuous half-hipped roof. On the ridge ends of the chapels and transepts a weathervane, on the ridge end of the choir a wrought-iron cross.

The building is constructed of brick laid in English bond (with cut joint) with the use of red profile stone around openings and in the plinth, and hard stone for the lekdorpels, cuts of buttresses and drip mouldings. The vault in the interior is of wood.

The possibly older connecting section between convent and chapel comprises two bays, the nave of the chapel five bays, the straight-closed transept arms one each, the choir likewise one bay with a 5/8 closure. In the angle between choir and transept on the southeastern side a sacristy on a rectangular plan under a lean-to roof; on the northwestern side a Maria chapel under a continuous gabled roof.

The facades with two-part elevation are vertically articulated by buttresses cut right up to the eaves. Recumbent guttering. In the connecting section under the eaves a row of dentils, diagonal toothing and crenellations above the buttress. In the chapel facades under the eaves and between the buttresses a continuous triple diagonal toothing with below it single or double dentil moulding.

In the connecting section per bay a tracieried pointed-arch window above a (on the southeastern side) wooden door with arched two-part fanlight and arched stained-glass window on the ground floor. On the northwestern side a refectory is built onto the ground floor. In the nave per bay two coupled lancet windows under a round window, all furnished with stained glass. In the transept arms a similar round window (on the northwestern side above the Lourdes grotto again with lancet windows), in the closings of the transepts which are fitted with right-angled buttresses and a truncated spout gable a remarkable seven-part window with climbing lancets crowned with two small lancet windows in the gable top, in the choir and choir closure per bay a lancet window, partly hidden behind and shortened by the presence of the sacristy and the Maria chapel. In the street facade of the sacristy (partly coupled and fitted with tie-rods) windows under a segment arch.

Internally in the connecting section between convent and chapel on the ground floor two rooms each one bay wide. The first room opens via an oak-wood double panelled door to an entrance vestibule, from which a similarly positioned door in line gives access to the nave of the actual chapel. On the upper floor one convent room with two stone cross-ribbed vaults on corbels with leaf capitals. This room, now in use as a small chapel and separated from the singers' tribune in the chapel by a (partly interposed) partition wall, is entirely white plastered and is closed off on the southwestern side by a monumental pointed-arch aperture with stained-glass windows set in style and regular work.

The chapel displays in material an alternation between (now white-painted) brick, plastering and a wooden vault, characteristic of the work of J. Kayser. The elevation is two-part, consisting of a solid wall surface or blind pointed-arch niche in the lower zone with light windows above. The facades are vertically articulated by slender corbels, crowned with half-capitals placed at the level of the base of the windows. Upon these rest blind pointed-arch niches drawn around the windows and corbels with corresponding half-capitals which in turn carry the girdle arches and ribs of the wooden cross-ribbed vault. Bay with bundled pilasters and stone girdle arches. The springing line of the vault panels does not lie in line with the wall surface but more inward. The vault panels are led to the wall surface via a continuous list supported by wooden consoles. In the angle between transept and choir on the north side the three-sided closed Maria chapel with white plastered cross-ribbed vault on two figurative corbels.

Of the furnishings the following components are worthy of mention: the high altar in the apse and the Maria altar (with icon) in the Maria chapel, made by Ch. van Liempd (Schijndel), Van de Meerendonk (Tilburg), sculptor J. Uiterwaal (Utrecht) and marble worker Visser; the ciborium around the main altar with four green-marble columns with figurative capitals supporting a roof frame with a coffered ceiling and continuous metal figure frieze by copper and bronzeworker Van Roosmalen; the Stations of the Cross in black and white glazed sectile tiles in the nave by Charles Eyck from 1936; lastly two wooden holy images.

Valuation.

The convent chapel with preceding convent spaces is of general importance. The object has cultural-historical value as a distinctive expression of the development of the Congregation of the Sisters of Charity.

It has architectural-historical value by virtue of the aesthetic qualities of the detailing in particular of the transept arm closures, the vault and the furnishings and by virtue of the representative value of the work for the oeuvre of architect J. Kayser.

The object has ensemble values as part of a historically grown religious ensemble, further comprising the Lourdes grotto and the entire adjoining convent complex with gardens, which is of importance as the central mother convent of the Congregation of Sisters of Charity dispersed throughout the country. Furthermore it is significant as an image-defining component of a historically grown religious ensemble on Kloosterstraat and Van Erpstraat.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map