Rijksmonumentenregister · Netherlands
Douanekantoor, Europa-kade 10
Tolkamer, Gelderland, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Overheidsgebouw
- Function
- Douanekantoor
- Category
- onroerend gebouwd
- Built
- 1905 - 1906
- Address
- Europa-kade 10, 6916 BG Tolkamer (Zevenaar 25)
- Place
- Tolkamer
- Municipality
- Zevenaar
- Province
- Gelderland
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 51.85118, 6.10142
- Monument number
- 515552
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
David Rumsey Map Collection, Stanford LibrariesUniversity Library, Vrije Universiteit Amsterdam
2 historical maps cover this location, the earliest the 1899 map "Composite: 327. Cleve." (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Inleiding
Voormalig DOUANE- en ACCIJNZENKANTOOR LOBITH gebouwd in 1905-1906 naar ontwerp van de rijksbouwmeester C.H. PETERS (1847-1932) in de voor het late werk van Peters kenmerkende en in verhouding tot het vroegere werk versoberde bouwtrant die invloeden vertoont de Neo-Renaissancestijl en de Chaletstijl. Het pand werd in 1915 van een extra verdieping voorzien. Mogelijk werd het gebouw in datzelfde jaar met drie traveeën verlengd in westelijk richting. Kenmerkend voor de rijksgebouwen van Peters is de toepassing van profiel- en vormsteen, van sierverbanden in de boogvelden, tandlijsten en rijke sierankers. Karakteristiek is ook het zichtbaar laten van constructieve onderdelen als schoren, korbelen en consoles. De te bouwen douanekantoren waren ingedeeld in zeker negen verschillende klassen. Vaak was in het gebouw tevens woonruimte opgenomen. Voor een nieuw te bouwen douanekantoor werd geen gebruik gemaakt van standaardontwerpen. De groep kantoren is zeer divers qua samenstelling van de verschillende bouwlichamen. Voor ieder nieuw te bouwen kantoor werd een andere groepering gemaakt van de benodigde vertrekken gemaakt zodat niet één gebouw aan het andere gelijk is. Het gebouw kreeg later de functie van Rijksbelastingen en ontvangkantoor en is tegenwoordig in gebruik als kantorenverzamelgebouw. De bouw van het kantoor hangt nauw samen met het gegeven dat al sinds 1552 in Tolkamer tol wordt geheven. In het eerste decennium van de twintigste eeuw nemen de douane- en belastingactiviteiten in Tolkamer toe en worden deze ondergebracht in duidelijk herkenbare overheidsgebouwen. Er worden dan behalve een groot douane- en accijnzenkantoor aan de kade onder andere woningen voor hogere en lagere douanebeambten gebouwd, respectievelijk aan de Hoofdstraat 1 t/m 11 en aan de Tolstraat 39 t/m 49. Het forse vrijstaande gebouw bevindt zich op een vooruitgeschoven positie dicht tegen het recent aangelegde dijklichaam op de Europakade aan en is met de voorgevel op de rivier de Rijn georiënteerd. Sinds de bouw van de dijk is het gebouw vanaf de Rijn nog slechts gedeeltelijk zichtbaar en is de relatie met de rivier enigszins verbroken.
Omschrijving
Het pand is gebouwd op een samengestelde plattegrond en bestaat in essentie uit een brede tweelaags bouwmassa onder een zadeldak met de nok evenwijdig aan de kade. Zowel aan de voorzijde als aan de achterzijde bevindt zich een risalerend geveldeel onder een aangekapt zadeldak met de nok haaks op de hoofdbouwmassa. Aan de achterzijde bevindt zich in de oksel tussen de uitbouw en de rechter zijgevel een tweelaags bouwdeel onder een plat dak. In het verlengde van de uitbouw bevindt zich een latere éénlaags aanbouw onder een afgeplat schilddak. De daken zijn gedekt met gesmoorde opnieuw verbeterde Hollandse pannen. De dakoverstekken boven de diverse topgevels zijn voorzien van geprofileerde windveren. Oorspronkelijk waren deze ook nog voorzien van sierspanten. Alleen in de topgevel aan de zijde van de achtergevel bevindt zich nog een sierspant. De daken zijn voorzien van bakgoten ondersteund door doorgetrokken daksporen. De schoorstenen op het dak zijn verwijderd. In de dakschilden zijn kleine dakkapellen opgenomen die ieder voorzien zijn van een segmentvormig frontonlijstje, vlakke pilasters en vierruits ramen. Het pand is opgetrokken in baksteen, gemetseld in kruisverband. De omlopende licht uitgemetselde bakstenen plint wordt afgesloten door een hardstenen afzaat. Op de begane grond worden de vensters veelal afgesloten door blinde segmentboogjes met hardstenen aanzet- en sluitstenen en van siermetselwerk voorziene boogtrommels. De vensters van de verdieping bezitten lekdorpels die uitgevoerd zijn in rode geprofileerde verblendsteen. Onder deze lekdorpels bevindt zich een omlopende waterlijst die in hetzelfde materiaal is uitgevoerd. Op de hoeken van het gebouw zijn in deze lijst geprofileerde hardstenen blokken opgenomen. De VOORGEVEL is asymmetrisch ingedeeld en twaalf traveeën breed waarbij de zevende tot en met de negende travee als risaliet zijn vormgegeven. De mogelijk rond 1915 toegevoegde drie linker traveeën bezitten zowel op de begane grond als op de verdieping een venster met een T-schuifraam en een achtruits bovenlicht. De drie aansluitende traveeën bezitten zowel op de begane grond als op de verdieping een venster als genoemd met aan weerszijden een smaller venster met een enkelruits schuifraam en een zesruits bovenlicht. De risaliet bezit zowel op de begane grond als de verdieping drie vensters met T-schuiframen en achtruits bovenlichten. Tussen de vensters bevinden zich, evenals in de topgevels van de rechter zijgevel en de achtergevel, fraaie smeedijzeren muurankers. Het middelste verdiepingsvenster bezit een hoger opgetrokken boogtrommel. In de geveltop bevindt zich een venster met een dubbel houten luik en een van een houten plaat voorzien bovenlicht. Aan weerszijden van dit venster bevindt zich een kleiner en smaller venster met een enkelruits raam en een vierruits bovenlicht. De zijgevels van de risaliet bezitten zowel op de begane grond als op de verdieping een smal venster met een enkelruits schuifraam en een vierruits bovenlicht. In iedere travee bevindt zich een klein kelderlicht.
De LINKER ZIJGEVEL van de hoofdbouwmassa wordt afgesloten door een topgevel en heeft zowel op de begane als de verdieping twee vensters waarbij het linker venster blind is uitgevoerd en het rechter voorzien is van een T-schuifraam en een achtruits bovenlicht. In de geveltop bevindt zich een klein smal venster met een enkelruits raam. De gevel van de dwarse uitbreiding aan de achterzijde heeft op de begane grond een niet-oorspronkelijke dubbele deur met een tweeruits bovenlicht met aan weerszijden een smal venster met een zesruits bovenlicht. De verdieping heeft eenzelfde indeling waarbij zich op de plaats van de deur een venster met een T-schuifraam en een achtruits bovenlicht bevindt. De lage aanbouw links bezit een drietal enkelruits schuiframen. De ACHTERGEVEL heeft links een door een bloktandlijst afgesloten tweelaags bouwmassa waarbij de verdieping lager is dan de begane grond. De twee linker traveeën bezitten ieder op de begane grond een venster met een T-schuifraam en een achtruits bovenlicht en op de verdieping een kleiner venster met een T-schuifraam en een smal vierruits bovenlicht. Tegen het aansluitende geveldeel bevindt zich op de begane grond een latere aanbouw. Halverwege de begane grond bevinden zich drie gekoppelde vensters, ter verlichting van het trappenhuis, die zich voortzetten op de verdieping. De latere aanbouw bezit diverse kleine vensters en twee opgeklampte deuren. De door een topgevel afgesloten dwarsbouw is voorzien van vensters als in de voorgevel. Het terugliggende rechter geveldeel heeft op beide verdiepingen drie vensters als in de voorgevel. De RECHTER ZIJGEVEL heeft links een door een topgevel afgesloten gevel die ingevuld is als de door een topgevel afgesloten risaliet van de voorgevel. Het aangrenzende tweelaags geveldeel heeft links een gewijzigde ingang en rechts een venster met een T-schuifraam. De verdieping bezit twee kleinere vensters als in de achtergevel.
Het INTERIEUR is in de loop der jaren steeds aangepast aan de eisen van de tijd waarbij de hoofdstructuur grotendeels is gehandhaafd. Tot de bewaard gebleven interieuronderdelen behoren onder meer een gang met terrazzovloer, een trappenhuis met gedeeltelijk gewijzigde balustrade en diverse kamers met moer- balken op consoles en kinderbinten.
Waardering
Voormalig DOUANE en ACCIJNZENKANTOOR LOBITH uit de jaren 1905-1906 naar ontwerp van de Rijksbouwmeester C.H. PETERS (1847-1932) met invloeden van de Neo-Renaissancestijl en de Chaletstijl.
- Van architectuurhistorische waarde als een goed voorbeeld van een overheidsgebouw uit de periode rond 1900 waarbij invloeden van de Neo-Renaissancestijl en de Chaletstijl onmiskenbaar aanwezig zijn. Het pand is tevens van belang vanwege de hoogwaardige esthetische kwaliteiten van het ontwerp. Deze komen onder meer tot uitdrukking in de gave verhoudingen, de detaillering en het materiaalgebruik. Het gebouw is van belang voor het oeuvre van de rijksbouwmeester C.H. Peters (1847-1932) en behoort tot diens late werk dat in vergelijking tot diens eerdere werk sober is uitgevoerd. De douane- en accijnzenkantoren, waarvan niet één gelijk is aan een ander, vormen een aparte en beperkte categorie binnen zijn oeuvre. De bouwstijl is karakteristiek voor de rijksgebouwen in het eerste district in de periode 1900-1916 in het algemeen en voor het werk van Peters in het bijzonder.
- Van stedenbouwkundige waarde vanwege de bijzondere betekenis voor het aanzien van het dorp Tolkamer als onderdeel van het historisch gegroeide rivierfront. Tevens van belang vanwege de hoogwaardige kwaliteit van de bebouwing de historisch-ruimtelijke relatie met de rivier de Rijn.
- Van cultuurhistorische waarde als bijzondere uitdrukking van een typologische ontwikkeling: i.c. als voorbeeld van een vroeg-twintigste eeuws douane- en accijnzenkantoor. Het pand is tevens van belang als bijzondere uitdrukking van de bestuurlijke en sociaal- en economisch-historische ontwikkeling van Tolkamer rond de vorige eeuwwisseling.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Introduction
Former CUSTOMS AND EXCISE OFFICE LOBITH built in 1905-1906 to a design by the State Architect C.H. PETERS (1847-1932) in the style characteristic of Peters's late work and more austere in proportion to his earlier work, showing influences of the Neo-Renaissance style and the Chalet style. The building was provided with an extra storey in 1915. The building may have been extended in the same year by three bays in a westerly direction. Characteristic of Peters's state buildings is the application of moulded and shaped bricks, decorative bond patterns in arch spandrels, dentil courses and rich ornamental wall anchors. Also characteristic is the visible display of structural components such as braces, corbels and consoles. The customs offices to be built were divided into at least nine different classes. Often living quarters were also included in the building. No standard designs were used for a newly built customs office. The group of offices is very diverse in the composition of the different building blocks. For each newly built office, a different arrangement of the necessary rooms was created so that no building was the same as another. The building later served as the function of State Taxation and receiving office and is nowadays in use as an office building. The construction of the office is closely linked to the fact that tolls have been levied in Tolkamer since 1552. In the first decade of the twentieth century, customs and taxation activities in Tolkamer increase and are accommodated in clearly recognizable state buildings. In addition to a large customs and excise office on the quay, residences are then built for senior and junior customs officials, respectively at Hoofdstraat 1 to 11 and at Tolstraat 39 to 49. The substantial detached building is situated in a projecting position close against the recently constructed dike body on the Europakade and is oriented with its front facade towards the Rhine river. Since the construction of the dike, the building has been only partially visible from the Rhine and the relationship with the river has been somewhat broken.
Description
The building is built on a composite ground plan and essentially consists of a wide two-storey building mass beneath a gabled roof with the ridge parallel to the quay. On both the front and rear there is a projecting gable section beneath an attached gabled roof with the ridge perpendicular to the main building mass. On the rear side, in the angle between the extension and the right side gable, there is a two-storey building section beneath a flat roof. In line with the extension there is a later single-storey extension beneath a half-hipped roof. The roofs are covered with muffled newly improved Dutch tiles. The roof overhangs above the various gable ends are provided with moulded wind braces. Originally these were also provided with decorative rafters. Only in the gable end on the rear facade side is there still a decorative rafter. The roofs are provided with gutters supported by continuous roof brackets. The chimneys on the roof have been removed. In the roof planes small roof dormers are included, each provided with a segmental pediment moulding, flat pilasters and four-pane windows. The building is built of brick, laid in header bond. The perimeter slightly raised brick plinth is finished with a hard stone base plate. On the ground floor the windows are mostly closed off by blind segmental arches with hard stone impost and voussoir stones and arch barrels provided with decorative brickwork. The windows of the upper storey have drip stones executed in red moulded facing brick. Below these drip stones there is a perimeter drip moulding executed in the same material. On the corners of the building, moulded hard stone blocks are incorporated in this moulding. The FRONT FACADE is asymmetrically arranged and twelve bays wide with the seventh to ninth bays shaped as a risalit. The three left bays possibly added around 1915 have on both the ground floor and the upper storey a window with a T-sash window and an eight-pane fanlight. The three adjoining bays have on both the ground floor and the upper storey a window as mentioned with on either side a narrower window with a single-pane sash window and a six-pane fanlight. The risalit has on both the ground floor and the upper storey three windows with T-sash windows and eight-pane fanlights. Between the windows, as also in the gable ends of the right side gable and the rear gable, are fine wrought-iron wall anchors. The middle upper-storey window has a higher drawn arch barrel. In the gable end there is a window with a double wooden shutter and a fanlight provided with a wooden panel. On either side of this window is a smaller and narrower window with a single-pane window and a four-pane fanlight. The side gables of the risalit have on both the ground floor and the upper storey a narrow window with a single-pane sash window and a four-pane fanlight. In each bay there is a small cellar light.
The LEFT SIDE GABLE of the main building mass is finished with a gable end and has on both the ground floor and the upper storey two windows whereby the left window is executed as blind and the right is provided with a T-sash window and an eight-pane fanlight. In the gable end there is a small narrow window with a single-pane window. The gable of the transverse extension on the rear has on the ground floor a non-original double door with a two-pane fanlight with on either side a narrow window with a six-pane fanlight. The upper storey has the same layout whereby in the place of the door there is a window with a T-sash window and an eight-pane fanlight. The low extension on the left has three single-pane sash windows. The REAR GABLE has on the left a two-storey building mass finished with a dentil course whereby the upper storey is lower than the ground floor. The two left bays each have on the ground floor a window with a T-sash window and an eight-pane fanlight and on the upper storey a smaller window with a T-sash window and a narrow four-pane fanlight. Against the adjoining gable section there is on the ground floor a later extension. Midway along the ground floor there are three coupled windows for lighting the stairwell, which continue on the upper storey. The later extension has various small windows and two clamped doors. The transverse building finished with a gable end is provided with windows as in the front facade. The recessed right gable section has on both storeys three windows as in the front facade. The RIGHT SIDE GABLE has on the left a gable finished with a gable end which is filled in as the risalit finished with a gable end of the front facade. The adjoining two-storey gable section has on the left a modified entrance and on the right a window with a T-sash window. The upper storey has two smaller windows as in the rear gable.
The INTERIOR has been continually adapted over the years to the demands of the time whereby the main structure has been largely maintained. Among the preserved interior components are, among others, a passage with terrazzo flooring, a stairwell with partially modified balustrade and various rooms with mother beams on consoles and secondary beams.
Valuation
Former CUSTOMS AND EXCISE OFFICE LOBITH from the years 1905-1906 to a design by the State Architect C.H. PETERS (1847-1932) with influences of the Neo-Renaissance style and the Chalet style.
- Of architectural historical value as a good example of a state building from the period around 1900 whereby influences of the Neo-Renaissance style and the Chalet style are unmistakably present. The building is also of importance because of the high aesthetic qualities of the design. These are expressed among other things in the fine proportions, the detailing and the use of materials. The building is of importance for the oeuvre of the State Architect C.H. Peters (1847-1932) and belongs to his late work which is soberly executed in comparison to his earlier work. The customs and excise offices, of which not one is the same as another, form a separate and limited category within his oeuvre. The architectural style is characteristic of state buildings in the first district in the period 1900-1916 in general and for the work of Peters in particular.
- Of urban planning value because of its special significance for the appearance of the village of Tolkamer as part of the historically grown riverfront. Also of importance because of the high quality of the development and the historical-spatial relationship with the Rhine river.
- Of cultural historical value as a special expression of a typological development: i.e. as an example of an early twentieth century customs and excise office. The building is also of importance as a special expression of the administrative and social and economic-historical development of Tolkamer around the turn of the previous century.
Nearby in the register
- Beambtenwoning, Tolstraat 39Bedrijfs-,fabriekswoningunder 1 mi
- Woonhuis, Hoofdstraat 28Woonhuisunder 1 mi
- Beambtenwoning, Hoofdstraat 9Bedrijfs-,fabriekswoningunder 1 mi
- Beambtenwoning, Hoofdstraat 5Bedrijfs-,fabriekswoningunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.