Rijksmonumentenregister · Netherlands
Huize De Berg
Heerlen, Limburg, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Klooster, kloosteronderdl
- Function
- Klooster
- Category
- onroerend gebouwd
- Address
- Gasthuisstraat 45, 6416 AM Heerlen (and others)
- Place
- Heerlen
- Province
- Limburg
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 50.88885, 5.98697
- Monument number
- 512809
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
David Rumsey Map Collection, Stanford LibrariesUniversity Library, Vrije Universiteit AmsterdamDavid Rumsey Map Collection, Stanford LibrariesDavid Rumsey Map Collection, Stanford LibrariesDavid Rumsey Map Collection, Stanford Libraries
5 historical maps cover this location, the earliest the 1708 map "Le Limbourg." (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Inleiding
Het KLOOSTER MET KAPEL is genaamd het moederhuis van de Kleine Zusters van de Heilige Joseph. De Congregatie, oorspronkelijk gevestigd aan de Gasthuisstraat 2a, is gesticht door de Heerlense priester J. Savelberg. Men behandelde zwakke en zieke mensen met de Kneippkuur. Als uitbreiding van dit klooster is in 1897 aan de Gasthuisstraat 45 een opvang voor kurende dames gebouwd, naar ontwerp van architect A. van Beers uit Rotterdam onder de naam "Sanatorium St. Josephs Heilbron". In 1911 is een uitbreiding gerealiseerd in opdracht van mgr. Driessen. Loodrecht hierop is in 1916 een vleugel gebouwd aan het sanatorium naar ontwerp van architect H. Heijnen, bouwkundige van de Congregatie. Onder meer voor de vestiging van de zetel van het Moederhuis, tot dan toe gevestigd aan de Gasthuisstraat 2. In 1919 is tussen de vleugel uit 1897 en 1919 een kapel gebouwd naar ontwerp van architect Jos. Seelen. In 1932 is in het verlengde hiervan een kloostervleugel gebouwd van H. Heijnen. In 1970 zijn tijdens een eerste renovatie aluminium kozijnen geplaatst. In 1983-84 de aanbouw van een aula aan de achterzijde naar ontwerp van architect Rikers uit Kerkrade en in 1995 een aanbouw evenwijdig aan de vleugel uit 1911. Vanaf 1975 is het huis officieel een kloosterbejaardenoord met verpleegafdeling en voortaan genoemd "Huize de Berg".
Omschrijving
Het KLOOSTER EN KAPEL vormen met de rechthoekige plattegronden van de vleugels een gesloten en een halfopen bouwblok. De vleugels hebben twee en drie bouwlagen onder een mansarde- of zadeldak met leien en dakkapellen. In de gevels bevinden zich rechthoekige aluminium kozijnen en houten deuren van omstreeks 1980.
De VOORBOUW, uit 1897 heeft I-vormige plattegrond. De gevels hebben een optrek van baksteen in kruisverband met speklagen. In de gevels bevinden zich rechthoekige vensters van omstreeks 1980 voornamelijk onder segmentboog met aanzet-en sluitstenen. De dorpels zijn bekleed met tegels. De VOORGEVEL bestaat uit een centraal deel van twee bouwlagen met vijf traveeën gelegen onder een zadeldak. Aan weerszijden hiervan liggen risalerende volumes met trapgevels. De gevel is van oranje-rode baksteen en heeft een hardstenen plint, deze is gedeeltelijk aangesmeerd. In de gevel bevinden zich kozijnen in decoratieve baksteen lijsten, in de eerste laag onder een getoogde rollaag en in de tweede onder een segmentboogvormige rollaag met visgraatmotief in vulstukken. Beide met aanzet- en sluitstenen. Het middendeel heeft één venster per travee, de middelste in de eerste laag met dubbele deur. In de eerste laag gelegen in een rondboog. Voor de gevel van het middendeel bevindt zich een balkon op zes kolommen met balustrade. Onder het balkon ligt een verhoogd bordes, met balustrade. Op het dak staan zes kleine dakkapellen onder een tentdak met leien en nokpion, en centraal een klein trapgeveltje met twee vensters onder latei en segmentboogvormige rollaag. Goot op consoles. In de risalieten bevinden zich terugliggende, driedelige vensters, deze liggen per risaliet in één segmentboog met baksteen in vulstuk. Tussen de boven elkaar liggende vensters is een natuursteen borstwering bekleding met diamantvormen. In de trapgevel bevinden zich drie vensters, gelegen onder lateien en segmentboog rollaag met baksteen in vulstuk. Verder ankers en een smeedijzeren windwijzer. De LINKERZIJGEVEL heeft zes traveeën in twee en drie bouwlagen. Deze heeft geen plint, een optrek in rood-bruine baksteen met speklagen van natuursteen. In de eerste laag zijn twee traveeën met deuren. In de derde laag bevinden zich kleinere vensters en ter plaatse van de twee rechter traveeën loopt de gevel via een trapgevel van drie naar twee lagen. De ACHTERGEVEL is in drie bouwlagen en heeft twee keer twee traveeën waartussen een trappenhuis van omstreeks 1995. Deze is geplaatst tegen de gevel. Voor de twee rechter traveeën staat een volume van één laag onder een plat dak, dit dateert van omstreeks 1995. Hiernaast begint de vleugel uit 1911. Links naast de twee linker traveeën staat een volume van drie lagen uit 1919, als verbinding naar de kapel.
De RECHTERGEVEL is gelijk aan de linkergevel maar dan gespiegeld en heeft een verhoogd bordes voor de gevel, dat bereikbaar is via twee treden. Het VOLUME UIT 1911 staat links achter en loodrecht op de vleugel uit 1897 en heeft drie bouwlagen onder een afgeplat schilddak met leien en dakkapellen onder een tentdak met nokpion. De gevels hebben een geprofileerde baksteen plint, een optrek van rood-bruine baksteen in kruisverband met speklagen van oranje en gele baksteen. Onder de met leien beklede goot bevinden zich bloktanden. In de gevels bevinden zich vensters met gebakken dorpelsteen, rollagen met aanzet- en sluitstenen. De VOORGEVEL ligt versprongen ten opzichte van het deel uit 1897. Deze bestaat van rechts naar links uit vijf traveeën, een risalerende travee en zes traveeën, waarvan de voorlaatste is onderverdeeld in drie traveeën. De risalerende travee heeft lisenen en eindigt in een trapgevel. Tussen de lisenen is een verdiept gelegen entree met orginele dubbele houten paneeldeuren met smeedijzeren hekwerken. Het bovenlicht heeft vier gekleurde glas-in-lood vensters met witte lelies en de letters S en J. Voor de trapgevel bevindt zich een beeld van H. Joseph. Ter plaatse van het trappenhuis bevinden zich per bouwlaag drie vensters in één nis. Onder de goot bevinden zich boogfriezen. Voor de entree loopt een bakstenen trap tussen twee keermuren naar een lager gelegen POORT met smeedijzeren hek. De ACHTERGEVEL van dit volume is van links naar rechts opgebouwd uit één travee, gelegen achter het recente volume van een laag, een uitspringend volume met drie traveeën en vervolgens negen traveeën. Het uitspringend volume heeft een schilddak met een dakkapel en rechts hiervan staat een liftblok dat dateert van omstreeks 1995. Evenwijdig aan dit volume staat een VLEUGEL UIT 1995.
De VLEUGEL UIT 1916 staat loodrecht op de vleugel uit 1911. Deze heeft een U-vormige plattegrond in drie bouwlagen. De kloostergang van de kapel sluit rechts aan op de voorgevel van de vleugel. De linkerzijarm van de U ligt ingeklemd tussen de volumes uit 1911 en 1995 en de rechterzijarm sluit aan op het volume uit 1932. Het volume is gelegen onder een schilddak met leien in schubdekking, dakkapellen met tentdak en pion. De gevels hebben een geprofileerde plint en een optrek in kruisverband met gele en geel-rode speklagen van drie lagen baksteen. Boven de segmentboogvormige kozijnen bevindt zich een strek met aanzet- en sluitsteen in mergel en onder drie lagen gebakken dorpelstenen. De goot is bekleed met leien. De VOORGEVEL van de vleugel ligt aan de binnenplaatszijde en bestaat uit tien traveeën. Rechts van de kloostergang bevinden zich nog vier traveeën. In de drie linker traveeën heeft in de eerste twee lagen vensters zonder bovenlicht. DE LINKERZIJGEVEL VAN DE LINKERARM van de U is gelegen in het verlengde van de voorgevel van de vleugel uit 1911 en is hiervan hescheiden door een liseen. De gevel heeft vier traveeën en is gelijk aan de vleugel van 1911.
De RECHTERZIJGEVEL VAN DE RECHTERARM van de U heeft een uitspringend volume van drie traveeën met in de twee in de tweede laag zijn doorbroken voor een loopbrug die dateert van omstreeks 1995 naar nieuwbouw. Terugliggend bevinden zich vijf traveeën, waarnaast een liseen en het volume uit 1932. In de traveeën bevinden zich houten kozijnen met roedeverdeling en bovenlichten. In de eerste laag van de vijf traveeën bevinden zich stalen kozijnen en in de derde laag zijn kunststof kozijnen geplaatst. Onder de goot zijn boogfriezen aanwezig. De ACHTERGEVEL bestaat ook uit tien traveeën en tegen de eerste laag staat een halfronde serre met een glazen kloostergang langs het gebouw die dateert van omstreeks 1995. De gevel van de eerste twee lagen heeft gele baksteen en kunststof kozijnen en is geplaatst tegen de oorspronkelijke gevel. In de derde bouwlaag zijn omstreeks 1995 nieuwe kozijnen geplaatst. Rechts van de achtergevel bevindt zich nog een klein geveldeel met in de eerste laag met erker en in de tweede en derde laag bevinden zich enkele vensters.
De KAPEL is gebouwd tussen de vleugel uit 1916 en de voorbouw uit 1897. Dit is een eenbeukige kapel met links een kloostergang, waarboven een ruimte. De kapel heeft zadeldaken met leien in Maasdekking. Op het dak staat een achthoekige dakruiter en dakkapellen met luiken onder een tentdak met nokpion. De gevel heeft een optrek van metselwerk in kruisverband met geprofileerde plint. In de gevels bevinden zich stompe spitsboogvormige glas-in-loodvensters gedeeltelijk met voorzetramen, rechthoekige houten deuren met beslag en steunberen met deksteen. Onder de met leien beklede goot bevinden zich boogfriezen op mergel consoles en bloktand metselwerk.
De VOORGEVEL heeft een topgevel met aan weerszijden steunberen en links een zijbeuk met twee vensters en vijf nissen ter plaatse van de kloostergang. De gevel heeft een centraal gelegen portaalentree met topgevel onder een natuursteen afdekking met schouderstukken en kruisbloem. In de top een ornament van mergel. In een nis met drie (gesegmenteerde) kolommen bevinden zich dubbele houten deuren met beslag onder een stomp spitsboogvormig bovenlicht met glas-in-lood en rozet. Drie treden. Aan weerszijden van de entree bevindt zich een venster. De gevel wordt door waterlijsten in drie delen gedeeld. Boven een waterlijst bevindt zich een groot venster waarin een rozet. Dit deel wordt beëindigd door boogfriezen en bloktanden onder een tweede waterlijst. Een topgevel onder een natuursteen afdekking met schouderstukken heeft centraal een uurwerk omgeven door negen spitsboognissen, waarin zes smalle en één breed venster. Op de topgevel staat een kruis.
De RECHTERZIJGEVEL van de kapel bestaat uit vier traveeën die worden gescheiden door steunberen. In elk travee bevindt zich één venster. In het eerste travee is een portaal met zijentree. Deze heeft een topgevel met natuursteen afdekking met schouderstukken en kruisbloem en een zadeldak met leien. In twee spitsboognissen ligt een houten deur met beslag. Tussen de steunberen bevinden zich twee biechtstoelen onder een dakschild. Het schip heeft ter plaatse van het koor een trapgevel met kruis. Het koor met vijfhoekige absis liggen beide onder een lager gelegen schilddak. Voor het koor staat een achthoekige toren met bovenin rondom vensters onder een geknikt achthoekig tentdak met kruis. Rechts hiervan staat een sacristie van twee lagen onder een tentdak. In de gevel bevinden zich lisenen en twee of drie vensters per laag. Links hiervan bevindt zich een bijsacristie onder een plat dak.
De LINKERGEVEL heeft rechts een volume van drie lagen waarop een volume van een laag dat dateert uit omstreeks 1995. Terugliggend bevindt zich een kloostergang van twee lagen onder een dakschild, deze bestaat uit drie traveeën gescheiden door steunberen. Elk travee heeft een spitsboogvormige glas-in-lood ramen per travee met baksteen dorpels. De kloostergang eindigt tegen de sacristie, een volume van twee lagen onder een tentdak. Per laag bevinden zich twee vensters en op het dak staat een dakkapel. Links hiervan staan twee volumes die dateren uit omstreeks 1995. Een volume van één laag in rode baksteen met twee vensters gelegen onder een tentdak. Links naast dit volume bevindt zich een orginele houten deur met spitsboogvormig bovenlicht met rollaag in de orginele kloostergang. Deze ligt voor een blind volume van twee lagen in rode baksteen. Hierachter staat een volume in oranje baksteen met drie vensters gelegen onder een schilddak met twee nokpionnen, dit volume dateert uit omstreeks 1995. Schubleien op volume van drie lagen met dakkapellen.
De VLEUGEL UIT 1932 ligt in het verlengde van de rechterarm van de vleugel uit 1916. De gevels zijn hoofdzakelijk een voortzetting van het gedeelte uit 1916. Het volume heeft drie bouwlagen onder een zadeldak met, soms dubbele rijen dakkapellen met plat dak. In de gevels bevinden zich hoofdzakelijk houten kozijnen met bovenlicht en roedeverdeling. De vensters liggen in een segmentboognis met aanzet- en sluitsteen. In de gevel bevinden zich speklagen en boogfriesen en een goot bekleed met leien. De VOORGEVEL begint vanaf de dakkapellen met plat dak in tien traveeën. In de eerste laag is de gevel omstreeks 1995 doorbroken voor een poortachtige opening. De acht rechtse traveeën hebben in de tweede laag kleinere vensters. Hiernaast bevindt zich nog een travee met verspringende vensters. De RECHTERZIJGEVEL is de kopse gevel van de vleugel en heeft een afgeknotte topgevel. In de gevel bevinden zich vijf bouwlagen met vensters. Tegen de eerste bouwlaag is een volume van een laag gebouwd. Links in de gevel bevinden zich drie smalle vensters, deze zijn gelegen tussen de bouwlagen. Rechts in de tweede laag bevinden zich drie grote stalen vensters. In de derde en vierde laag bevinden zich per laag drie dubbele vensters en in de vijfde laag nog twee. De ACHTERGEVEL van de vleugel bestaat uit veertien traveeën. In de gevel bevinden zich rechthoekige houten kozijnen met roedeverdeling en bovenlicht in een getoogde lijst. In de eerste bouwlaag zijn recent grote kozijnen geplaatst. Geheel links in de tweede bouwlaag bevindt zich een groot stalen venster.
Het INTERIEUR VAN DE KAPEL bestaat uit een eenbeukig schip met vier kruisribgewelven. De rode ribben steunen op een goudkleurig kapiteel met bloemmotief op steunberen en in de absis op een ronde kolom, beide op natuursteen basement. Het schip wordt links door vier stomp spitsbogen gescheiden van de open kloostergang in de tweede laag. Voor de openingen staan houten balustrades op consoles. De panelen bevatten houtsnijwerk. De open kloostergang heeft een plafond met kruisribgewelven en sluit aan op het oxaal. Het oxaal rust op achtkantige houten kolommen met kapiteel met bloemmotief. Hierop rusten de stompe spitsbogen met houtsnijwerk met beelden in zwikken. De panelen van de houten balustrade van het oxaal zijn versierd met houtsnijwerk. Rechts in het schip bevinden zich de biechtstoelen. De deuren zijn onder meer versierd met dubbele briefpanelen en liggen in een decoratieve lijst. De kerkbanken zijn ook versierd met briefpanelen. Het koor en de absis hebben kruisribgewelven en worden van het schip gescheiden door een spitsboog. In de absis bevinden zich links drie nissen met balustrade van houtsnijwerk en rechts drie blinde nissen. In de kapel bevinden zich enkele en dubbele houten deuren met gothische briefpanelen. De hoofdentree heeft een nis van houten panelen waarachter nog een dubbele deur bevindt. Verder zijn in het interieur onder meer van belang het marmeren altaar met tabernakel en de meerkleurige mameren altaren met houtsnijwerk, de glas-in-loodramen van Raukamp en de vijf spitsboogvormige glas-in-loodramen van Lins.
Het INTERIEUR VAN DE KLOOSTERGANG heeft spitsbogen en op de vloer Naamse steen. De kolommen en muren zijn gemarmerd en de vensters hebben gekleurd glas-in-lood met bloemmotief. In het INTERIEUR VAN DE VLEUGEL UIT 1911 is onder meer van belang de gemarmerde lambrisering en kolommen, de gangbogen en troggewelven en de zwart-grijse vloertegels van graniet. Het trappenhuis met onder meer de spitsboogvormige openingen, de ronde kolommen met natuursteen kapiteel en basement.
Waardering
Het klooster bezit cultuurhistorische waarde als bijzondere uitdrukking van een geestelijke en typologische ontwikkeling, ondermeer als sanatorium. De architectuurhistorische waarde wordt bepaald door het bijzonder belang van het geheel voor de geschiedenis van de architectuur en voor het oeuvre van architecten A. van Beers, H. Heijnen en Jos. Seelen. Verder wegens de hoogwaardige esthetische kwaliteiten van het ontwerp, het bijzondere materiaalgebruik en de ornamentiek. Het klooster is van bijzondere betekenis wegens de situering, verbonden aan de ontwikkeling en het aanzien van de stad Heerlen. Met name de kapel is van belang wegens de architectonische gaafheid van exterieur en interieur. Het klooster is van algemeen belang wegens de typologische zeldzaamheid en geeft inzicht in de ontwikkeling en het gebruik van het kloostercomplex.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Introduction
The CONVENT WITH CHAPEL is named the mother house of the Little Sisters of Saint Joseph. The Congregation, originally established at Gasthuisstraat 2a, was founded by the Heerlen priest J. Savelberg. They treated weak and sick people with the Kneipp cure. As an extension of this convent, in 1897 a sanatorium for ailing ladies was built at Gasthuisstraat 45, designed by architect A. van Beers from Rotterdam under the name "Sanatorium St. Josephs Heilbron". In 1911 an extension was realised on the orders of Mgr. Driessen. Perpendicular to this, in 1916 a wing was built onto the sanatorium designed by architect H. Heijnen, structural engineer of the Congregation. Among other things for the establishment of the seat of the Mother House, until then located at Gasthuisstraat 2. In 1919 a chapel was built between the wing from 1897 and 1919 designed by architect Jos. Seelen. In 1932 a convent wing was built in line with this by H. Heijnen. In 1970 aluminium windows were installed during a first renovation. In 1983-84 the addition of a hall on the rear designed by architect Rikers from Kerkrade and in 1995 an addition parallel to the wing from 1911. From 1975 the house was officially an elderly home convent with nursing ward and henceforth called "Huize de Berg".
Description
The CONVENT AND CHAPEL form with the rectangular floor plans of the wings a closed and a half-open block. The wings have two and three storeys under a mansard or gabled roof with slate and roof dormers. In the facades are rectangular aluminium windows and wooden doors from around 1980.
The FRONT BUILDING, from 1897 has an I-shaped floor plan. The facades have brickwork in English bond with slate courses. In the facades are rectangular windows from around 1980 mainly under segmental arch with voussoirs and keystones. The sills are covered with tiles. The FRONT FACADE consists of a central section of two storeys with five bays situated under a gabled roof. On either side of this lie projecting volumes with stepped gables. The facade is of orange-red brick and has a stone plinth, which is partially rendered. In the facade are windows in decorative brick frames, on the first storey under a moulded roll moulding and on the second under a segmental arch-shaped roll moulding with herringbone motif in infill pieces. Both with voussoirs and keystones. The central section has one window per bay, the middle one on the first storey with double door. On the first storey situated in a round arch. In front of the facade of the central section is a balcony on six columns with balustrade. Below the balcony lies a raised platform with balustrade. On the roof stand six small roof dormers under a pyramidal roof with slate and ridge ornament, and centrally a small stepped gable with two windows under lintel and segmental arch-shaped roll moulding. Gutter on consoles. In the projecting sections are set-back three-part windows, situated per projecting section in one segmental arch with brick infill. Between the vertically stacked windows is a natural stone breastwork panel with diamond shapes. In the stepped gable are three windows, situated under lintels and segmental arch roll moulding with brick infill. Further wall anchors and a wrought-iron weather vane. The LEFT SIDE FACADE has six bays in two and three storeys. This has no plinth, brickwork in red-brown brick with stone slate courses. On the first storey are two bays with doors. On the third storey are smaller windows and at the location of the two right bays the facade rises via a stepped gable from three to two storeys. The REAR FACADE is in three storeys and has two times two bays between which a stairwell from around 1995. This is placed against the facade. In front of the two right bays stands a volume of one storey under a flat roof, this dates from around 1995. Beside this begins the wing from 1911. To the left next to the two left bays stands a volume of three storeys from 1919, as a connection to the chapel.
The RIGHT SIDE FACADE is the same as the left facade but mirrored and has a raised platform in front of the facade, which is accessible via two steps. The VOLUME FROM 1911 is positioned to the left rear and perpendicular to the wing from 1897 and has three storeys under a flattened hipped roof with slate and roof dormers under a pyramidal roof with ridge ornament. The facades have a profiled brick plinth, brickwork in red-brown brick in English bond with slate courses of orange and yellow brick. Below the slate-clad gutter are dentils. In the facades are windows with fired brick sills, roll mouldings with voussoirs and keystones. The FRONT FACADE is offset with respect to the part from 1897. This consists from right to left of five bays, a projecting bay and six bays, of which the penultimate is subdivided into three bays. The projecting bay has pilasters and ends in a stepped gable. Between the pilasters is a recessed entrance with original double wooden panelled doors with wrought-iron metalwork. The fanlight has four coloured stained-glass windows with white lilies and the letters S and J. In front of the stepped gable stands an image of Saint Joseph. At the location of the stairwell are per storey three windows in one recess. Below the gutter are arch friezes. In front of the entrance runs a brick staircase between two retaining walls to a lower-lying GATE with wrought-iron railing. The REAR FACADE of this volume is built from left to right of one bay, situated behind the recent volume of one storey, a projecting volume with three bays and subsequently nine bays. The projecting volume has a hipped roof with a roof dormer and to its right stands a lift block that dates from around 1995. Parallel to this volume stands a WING FROM 1995.
The WING FROM 1916 stands perpendicular to the wing from 1911. This has a U-shaped floor plan in three storeys. The cloister walk of the chapel connects to the right on the front facade of the wing. The left arm of the U is wedged between the volumes from 1911 and 1995 and the right arm connects to the volume from 1932. The volume is situated under a hipped roof with slate in scale coverage, roof dormers with pyramidal roof and ridge ornament. The facades have a profiled plinth and brickwork in English bond with yellow and yellow-red slate courses of three layers of brick. Above the segmental arch-shaped windows is a stretcher course with voussoirs and keystones in marl and below three layers of fired brick sills. The gutter is covered with slate. The FRONT FACADE of the wing is situated on the courtyard side and consists of ten bays. To the right of the cloister walk are another four bays. In the three left bays are on the first two storeys windows without fanlight. THE LEFT SIDE FACADE OF THE LEFT ARM of the U is situated in line with the front facade of the wing from 1911 and is separated from it by a pilaster. The facade has four bays and is the same as the wing from 1911.
The RIGHT SIDE FACADE OF THE RIGHT ARM of the U has a projecting volume of three bays with in the two on the second storey are broken through for a walkway that dates from around 1995 to new construction. Set back are five bays, next to which is a pilaster and the volume from 1932. In the bays are wooden windows with glazing bars and fanlights. On the first storey of the five bays are steel windows and on the third storey plastic windows have been installed. Below the gutter are arch friezes. The REAR FACADE also consists of ten bays and against the first storey stands a semicircular conservatory with a glazed cloister walk along the building that dates from around 1995. The facade of the first two storeys has yellow brick and plastic windows and is placed against the original facade. On the third storey around 1995 new windows were installed. To the right of the rear facade is a small facade section with on the first storey a bay window and on the second and third storeys are several windows.
The CHAPEL is built between the wing from 1916 and the front building from 1897. This is a single-aisle chapel with to the left a cloister walk, above which is a room. The chapel has gabled roofs with slate in Maas coverage. On the roof stands an octagonal roof turret and roof dormers with louvers under a pyramidal roof with ridge ornament. The facade has brickwork in English bond with profiled plinth. In the facades are blunt pointed-arch-shaped stained-glass windows partly with outer frames, rectangular wooden doors with fittings and buttresses with coping. Below the slate-clad gutter are arch friezes on marl consoles and dentil brickwork.
The FRONT FACADE has a gable with on either side buttresses and on the left a side aisle with two windows and five niches at the location of the cloister walk. The facade has a centrally located portal entrance with gable under a natural stone covering with shoulders and cross finial. At the top is an ornament of marl. In a recess with three (segmented) columns are double wooden doors with fittings under a blunt pointed-arch-shaped fanlight with stained glass and rose window. Three steps. On either side of the entrance is a window. The facade is divided into three parts by drip mouldings. Above a drip moulding is a large window in which a rose window. This section is concluded by arch friezes and dentils below a second drip moulding. A gable under a natural stone covering with shoulders has centrally a clock surrounded by nine pointed-arch recesses, in which are six narrow and one wide window. On the gable stands a cross.
The RIGHT SIDE FACADE of the chapel consists of four bays which are separated by buttresses. In each bay is one window. In the first bay is a portal with side entrance. This has a gable with natural stone covering with shoulders and cross finial and a gabled roof with slate. In two pointed-arch recesses lies a wooden door with fittings. Between the buttresses are two confessionals under a roof shield. The nave has at the location of the choir a stepped gable with cross. The choir with pentagonal apse both lie under a lower-lying hipped roof. In front of the choir stands an octagonal tower with round windows all around at the top under a bent octagonal pyramidal roof with cross. To its right stands a sacristy of two storeys under a pyramidal roof. In the facade are pilasters and two or three windows per storey. To its left is a vestry under a flat roof.
The LEFT SIDE FACADE has on the right a volume of three storeys on which a volume of one storey that dates from around 1995. Set back is a cloister walk of two storeys under a roof shield, this consists of three bays separated by buttresses. Each bay has a pointed-arch-shaped stained-glass window per bay with brick sills. The cloister walk ends against the sacristy, a volume of two storeys under a pyramidal roof. Per storey are two windows and on the roof stands a roof dormer. To its left stand two volumes that date from around 1995. A volume of one storey in red brick with two windows situated under a pyramidal roof. To the left next to this volume is an original wooden door with pointed-arch-shaped fanlight with roll moulding in the original cloister walk. This lies in front of a blind volume of two storeys in red brick. Behind this stands a volume in orange brick with three windows situated under a hipped roof with two ridge ornaments, this volume dates from around 1995. Sliding slate on volume of three storeys with roof dormers.
The WING FROM 1932 lies in line with the right arm of the wing from 1916. The facades are mainly a continuation of the section from 1916. The volume has three storeys under a gabled roof with, sometimes double rows of roof dormers with flat roof. In the facades are mainly wooden windows with fanlight and glazing bars. The windows are situated in a segmental arch recess with voussoirs and keystones. In the facade are slate courses and arch friezes and a gutter covered with slate. The FRONT FACADE begins from the roof dormers with flat roof in ten bays. On the first storey the facade is around 1995 broken through for a gate-like opening. The eight right bays have on the second storey smaller windows. Next to this is another bay with offset windows. The RIGHT SIDE FACADE is the end facade of the wing and has a truncated gable. In the facade are five storeys with windows. Against the first storey a volume of one storey is built. On the left in the facade are three narrow windows, these are situated between the storeys. On the right on the second storey are three large steel windows. On the third and fourth storey are per storey three double windows and on the fifth storey another two. The REAR FACADE of the wing consists of fourteen bays. In the facade are rectangular wooden windows with glazing bars and fanlight in a rounded frame. On the first storey large windows have recently been installed. Far left on the second storey is a large steel window.
The INTERIOR OF THE CHAPEL consists of a single-aisle nave with four cross-rib vaults. The red ribs rest on a gold-coloured capital with floral motif on buttresses and in the apse on a round column, both on a natural stone base. The nave is separated on the left by four blunt pointed arches from the open cloister walk on the second storey. In front of the openings stand wooden balustrades on consoles. The panels contain wood carving. The open cloister walk has a ceiling with cross-rib vaults and connects to the gallery. The gallery rests on eight-sided wooden columns with capital with floral motif. Upon these rest the blunt pointed arches with wood carving with figures in spandrels. The panels of the wooden balustrade of the gallery are decorated with wood carving. On the right in the nave are the confessionals. The doors are among other things decorated with double letter panels and are situated in a decorative frame. The pews are also decorated with letter panels. The choir and apse have cross-rib vaults and are separated from the nave by a pointed arch. In the apse are on the left three niches with balustrade of wood carving and on the right three blind niches. In the chapel are several and double wooden doors with Gothic letter panels. The main entrance has a recess of wooden panels behind which is another double door. Further in the interior are among other things of importance the marble altar with tabernacle and the multicoloured marble altars with wood carving, the stained-glass windows by Raukamp and the five pointed-arch-shaped stained-glass windows by Lins.
The INTERIOR OF THE CLOISTER WALK has pointed arches and on the floor Namur stone. The columns and walls are marbled and the windows have coloured stained glass with floral motif. In the INTERIOR OF THE WING FROM 1911 are among other things of importance the marbled wall panelling and columns, the corridor arches and trough vaults and the black-grey floor tiles of granite. The stairwell with among other things the pointed-arch-shaped openings, the round columns with natural stone capital and base.
Valuation
The convent has cultural-historical value as a distinctive expression of a spiritual and typological development, among other things as a sanatorium. The architectural-historical value is determined by the distinctive importance of the whole for the history of architecture and for the oeuvre of architects A. van Beers, H. Heijnen and Jos. Seelen. Furthermore because of the high-quality aesthetic qualities of the design, the distinctive use of materials and the ornamentation. The convent is of distinctive significance because of the location, connected to the development and appearance of the city of Heerlen. In particular the chapel is of importance because of the architectural integrity of exterior and interior. The convent is of general importance because of the typological rarity and provides insight into the development and use of the convent complex.
Nearby in the register
- Golden Tulip HotelHorecaunder 1 mi
- Kapel SavelbergkloosterKapelunder 1 mi
- Woonhuis, Wilhelminaplein 24Woonhuisunder 1 mi
- Woonhuis, Gasthuisstraat 2Woonhuisunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.