TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Pastorie(F), Waalderweg 1

Mariënvelde, Gelderland, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Kerkelijke dienstwoning
Function
Pastorie(F)
Category
onroerend gebouwd
Built
1932
Address
Waalderweg 1, 7263 RX Mariënvelde (Oost Gelre 25)
Place
Mariënvelde
Municipality
Oost Gelre
Province
Gelderland
Country
Netherlands
Coordinates
52.01149, 6.47190
Part of complex
509425
Monument number
509427

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

University Library, Vrije Universiteit Amsterdam

2 historical maps cover this location, the earliest the 1928 map "Bl. 20 Zutphen, 1928" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Inleiding

PASTORIE met tussenlid, gebouwd in 1932 behorende bij het complex bestaande uit de onderdelen kerkgebouw, pastorie en baarhuisje.

Omschrijving

Evenals de kerk dateert de PASTORIE met tussenlid uit 1932 en is deze door architect G.A.P. de Kort gebouwd. Hoewel de pastorie niet meer tegenwoordig als zodanig in gebruik is, wordt deze nog wel door een particulier bewoond. Het vroeger als ontvangstruimte dienstdoende tussenlid is nu als parochiecentrum aangewezen. Het interieur daarvan is deels gewijzigd.

Omschrijving

De uit twee bouwlagen en een zolderverdieping bestaande pastorie bezit met de één bouwlaag en een zolderverdieping tellende tussenlid een samengestelde plattegrond. De pastorie bezit een afgeplat schilddak, belegd met verbeterde oud Hollandse pan. Het in de voorgevel uitgebouwde rechtergedeelte is eveneens met een schilddak gedekt en aangekapt. Alleen het rechter dakvlak ligt in het verlengde van het aansluitende dakvlak van de pastorie. De overstekende daken zijn voorzien van geprofileerde dakgoten. Van de twee schoorstenen staat er een op het dak in de voorgevel, de ander bevindt zich tegen de rechtergevel als breed uitgebouwd rookkanaal en verjongd zich trapsgewijs boven de dakrand. Beide schoorstenen die zijn voorzien van siermetselwerk worden overeenkomstig de andere schoorstenen in dit complex, door een betonnen dekplaat, afgesloten. De dakschilden van de linker zijgevel en de achtergevel zijn voorzien van een dakkapel. Deze bestaat uit resp. een gekoppeld venster met drie ramen waarvan de buitensten als draairaam zijn uitgevoerd en een dakkapel met twee draairamen. Beide dakkapellen zijn platgedekt en bezitten ramen die zijn voorzien van kruisroeden.

De muren van de gevels zijn opgetrokken in baksteen en gemetseld in Noors verband. Het trasraam dat wordt afgesloten door een rollaag, is in rode steen uitgevoerd. De vensters op de begane grond zijn alle voorzien van rolluiken, die op de verdieping worden door een streklaag onder de daklijst beëindigd. Alle raamkozijnen rusten op betegelde lekdorpels. In de ramen op de begane grond ontbreken vermoedelijk de roede-verdelingen. Van de asymmetrisch ingedeelde VOORGEVEL, die is gericht naar de Waalderweg, springt het rechtergedeelte naar voor. Dit wordt in het trasraam voorafgegaan door een laag gemetseld rechthoekig muurtje dat als bloembak dient en van uitgemetselde hoeken is voorzien. Het linkergedeelte bevat de ingangspartij die bereikbaar is na twee gemetselde treden. Het met rode tegels (van het bekende type) belegde bordes wordt door een plat dak afgeschermd. Het dak wordt ondersteund door twee naast elkaar geplaatste houten hoekkolommen onder een stel gesneden klossen. De hoekkolommen zijn geplaatst op de uit het trasraam zich voortzettende gemetselde lage afscheidingsmuur van de portiek. De paneeldeur is voorzien van een meerder malen voorkomende lichtspleet (waarvan het glas in lood overigens is verdwenen) die wordt geflankeerd door een verticaal profiel met een in doorsnee paraboolvorm. Het deurkozijn rust op hardstenen neuten en dito dorpel en wordt door een streklaag afgesloten evenals het links voorkomende venster. Dit venster met valraam is bezet met glas in lood. In de verdieping komen drie naast elkaar geplaatste langgerekte en teruggeplaatste vensters voor die door brugstaven in drieën zijn gedeeld en waarvan de onderste ruit van de buitenste vensters als draairaam is uitgevoerd. De drie vensters worden ter hoogte van het midden van de bovenste ruit door een dubbele, uitgemetselde streklaag onderling met elkaar verbonden. Het muurvlak tussen de dakrand en deze sierlijst bestaat uit in verticaal verband gemetselde bakstenen.

Het rechtergedeelte van de voorgevel wordt gevormd door het vooruitspringende deel waarin in de eerste bouwlaag een venster met drie gekoppelde ramen (zonder roedeverdeling) en evenzoveel bovenlichten voorkomen. Het middelste raam is een breder raam dan de flankerende die als draairaam zijn uitgevoerd. Gescheiden door een fors kalf sluiten de met glas in lood bezette bovenlichten, voor het middenraam 4x2 ruits en de zijkanten 2x2 ruits, aan. Onder de daklijst grenst een venster dat bestaat uit drie gekoppelde ramen die door kruisroeden zijn onderverdeeld. De buitensten ramen zijn als draairaam uitgevoerd. De met de ramen corresponderende smalle bovenlichten zijn alle als klapraam uitgevoerd.

De linkerzijde van de vooruitspringende gevel die haaks op de deurpartij staat, is blind uitgevoerd.

De LINKER ZIJGEVEL wordt grotendeels in beslag genomen door het aansluitende tussenlid. De eerste bouwlaag is blind uitgevoerd. In de verdieping komen twee vensters met gekoppelde draairamen met kruisroeden voor. De twee bovenlichten per venster zijn als gedeelde steekraampjes uitgevoerd. Geheel rechts, boven het dakschild van het tussenlid is een klein valraampje aangebracht.

De ACHTERGEVEL wordt grotendeels bepaald door de uitgebouwde houten serre die op een stenen voetmuur rust. De deurpartij die evenwijdig ligt aan het tussenlid is via twee gemetselde treden en een met rode tegels belegd bordes, bereikbaar. Deur en omlijsting zijn modern. Deze worden geflankeerd door een ongedeeld modern raam waarboven zich een glas in lood raam bevindt. Boven de deurpartij bestaat het bovenlicht uit twee kleinere glas in lood klapramen. De twee zijden van de serre bevatten elk twee vensterassen met evenzoveel bovenlichten in glas in lood uitgevoerd. De zijde aan de kant van de kerk is met schroten dichtgezet. De serre wordt door een plat dak gedekt waarop zich een balkon bevindt. Twee lage muurdammen, voorzien van een bolornament op de hoeken en haaks op de muur gezet, vormen de restanten van de incomplete borstwering. Deze zijn ter weerszijden gesteld van de twee deuren die toegang geven tot het balkon. De paneeldeuren bevatten zes ruitjes. De rechterhelft van de gevel bevat in de twee bouwlagen een gekoppeld draairaam met tweemaal tweeruits bovenlicht. Het onderste stel draairamen is identiek aan het type in de linker zijgevel en bevatten enkelruits ramen met bovenlichten die iets groter zijn uitgevoerd.

In de asymmetrisch ingedeelde RECHTER ZIJGEVEL bevindt zich op de hoek in de eerste bouwlaag een enkelruits raam met glas in lood draairaam als bovenlicht. In de tweede bouwlaag bestaan de twee vensters uit door kruisroeden ingedeelde draairamen met bovenlichten van het eerder besproken type. Het meest rechtse is tegen het uitgemetselde schoorsteenkanaal gelegen, dat in het dak grijpt en de bakgoot van het dak doorsnijdt. Ter hoogte van de lekdorpel is een identieke bakgoot op twee gesneden klossen, overeenkomstig die uit de portiek in de voorgevel, aangebracht. De rechterhelft van de gevel bevat een houten erker op een gemetselde voetmuur. De voorzijde bevat een enkelruits modern raam. Die in de twee zijden zijn smaller maar ook niet meer oorspronkelijk. Glas in lood ramen met een zonneluik sluiten de erker aan drie zijden af. De erker wordt door een ruim overkragend plat dak gedekt. Hierboven bevindt zich een venster met drie, gekoppelde draairamen, identiek aan dat voorkomen in de linkerhelft van de gevel.

Het INTERIEUR van de pastorie is sober en ten dele in oorspronkelijke staat behouden gebleven. De gang is belegd met grijze, zwarte en crèmekleurig tegels in een geometrisch patroon. De kwartslagtrap is voorzien van een bordes en heeft een eenvoudig gesneden houten trappaal. De balusters zijn onbewerkte rechte stijlen. De kamer en suite bezit de oorspronkelijke paneelschuifdeuren met glas in lood evenals de terzijde gestelde wandkast. Een identieke schuifdeur geeft ook toegang tot de serre. Het stucplafond is van het eenvoudige soort met een platte kooflijst. Op de verdieping zijn ook de paneeldeuren bewaard gebleven alsook de eenvoudig geprofileerde lambrizering.

Omschrijving

Het TUSSENLID dat dienst doet als parochiecentrum verbindt de zuidwestelijke travee van de kerk met de pastorie. Het één bouwlaag tellende tussenlid is met een, met verbeterde gesmoorde Hollandse pan gedekt schilddak, met de pastorie aangekapt. De nok van het dak reikt aan de pastoriezijde even onder de dakrand. Op de nokas die dwars op die van de kerk staat, bevindt zich een lage schoorsteen die door een betonnen dekplaat wordt afgesloten. In het dakvlak aan de achterzijde komt nog een schoorsteen voor, die echter hoger is opgetrokken. De vensters rusten op keramische lekdorpeltegels en worden boven door een rollaag afgesloten.

De VOORGEVEL. Aan de kerkzijde grenst het tussenlid aan een platgedekte laagbouw die de ruimte invult die is ontstaan doordat het kerkportaal ten opzichte van de zijbeuk zich versmalt. Het tussenlid bezit een trasraam dat zich uit de kerkmuren voortzet. De lage ruimte is aan de voorzijde enkel voorzien van een lage opgeklampte deur op een gemetselde dorpel en wordt door een 1½ steens boog halfrond afgesloten. De boog rust op gecementeerde aanzetstenen. Naast de deur bevindt zich een venster met drie gekoppelde ramen waarvan de buitenste draairamen zijn. Van de drie met de ramen corresponderende bovenlichten is alleen het rechtse als klapraam uitgevoerd. Daarnaast is een identieke maar grotere variant van dit venster geplaatst, voorzien van luiken. Hier zijn echter de buitenste ramen van het bovenlicht als klapraam uitgevoerd. De paneeldeur rechts bestaat uit een bovenhelft, met ongedeelde ruit en een benedenhelft, die onafhankelijk van elkaar scharnieren. Het betreft vermoedelijk een moderne deur. Het kozijn rust op hardstenen dorpel en dito neuten. Geheel rechts tegen de pastoriemuur aan bevindt zich een stolpraam. Het is gevat tussen lekdorpeltegels en afgesloten door een rollaag.

Door de aangrenzende kerk en pastorie is alleen de ACHTERGEVEL verder zichtbaar. Deze is symmetrisch van opzet. In het midden is de paneeldeur met door een kruisroede gedeelde ruit aangebracht, die bereikbaar is middels twee treden en een bordes. Het deurkozijn reikt tot aan de dakrand en rust op hardstenen neuten en dito dorpel. Ter weerszijden van de deur komt een venster met gekoppeld drie ramen voor waarvan alleen het middelste een draairaam bevat. Het trasraam is ter hoogte van de benedendorpels van de vensters onderbroken. Aan de zijde van de pastorie bevindt zich een kelderopening die door een steens strek wordt beëindigd en juist boven het vloerniveau reikt. Links en rechts komt in een lage platgedekte uitbouw een klein valraampje voor onder de daklijst.

Waardering

PASTORIE en tussenlid zijn evenals de kerk gebouwd in 1932 door architect G.A.P. de Kort.

- van architectuurhistorische waarde vanwege de relatie met de kerk en baarhuisje. De pastorie vormt een goed voorbeeld van een pastoriewoning uit de eerste helft van de 20ste eeuw.

- van stedenbouwkundige waarde vanwege de ligging op de hoek van de Waalderweg en Pastoor Deperinkweg die beide als hoofdstraten van Mariënvelde gelden. De pastorie is middels een tussenlid verbonden met de kerk. De pastorie en tussenlid zijn met de langsgevel aan de Waalderweg gelegen en spelen een belangrijke rol in het dorpsbeeld op de hoek met de Pastoor Deperinkweg.

- van cultuurhistorische waarde vanwege de relatie met het kerkgebouw, verwijst ook de pastorie naar de geestelijke ontwikkeling van het betrekkelijk nieuwe dorp Mariënvelde.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Introduction

RECTORY with intermediate section, built in 1932 belonging to the complex consisting of the components church building, rectory and mortuary chapel.

Description

Like the church, the RECTORY with intermediate section dates from 1932 and was built by architect G.A.P. de Kort. Although the rectory is no longer in use as such, it is still inhabited by a private individual. The intermediate section formerly serving as a reception room is now designated as a parish centre. Its interior has been partly altered.

Description

The rectory consisting of two storeys and an attic storey possesses, with the intermediate section counting one storey and an attic storey, a complex plan. The rectory has a hipped roof with improved old Dutch tiles. The right section projecting in the front facade is also covered with a hipped roof and joined to it. Only the right roof plane extends in line with the adjoining roof plane of the rectory. The overhanging roofs are provided with profiled roof gutters. Of the two chimneys, one stands on the roof in the front facade, the other is located against the right gable as a broad built-out flue and tapers in steps above the roof edge. Both chimneys, which are provided with ornamental brickwork, are closed off, like the other chimneys in this complex, by a concrete capping plate. The roof panels of the left side gable and the rear gable are provided with a roof dormer. This consists respectively of a coupled window with three lights of which the outer ones are executed as casement windows and a roof dormer with two casement windows. Both roof dormers are flat-roofed and possess windows provided with cross glazing bars.

The gable walls are built in brick and laid in Flemish bond. The ashlar band that is closed off by a roll course is executed in red brick. The windows on the ground floor are all provided with roller shutters, which on the upper floor are ended by a stretcher course under the roof line. All window frames rest on glazed sill tiles. In the windows on the ground floor the glazing bars are presumably missing. The asymmetrically arranged FRONT FACADE, which faces the Waalderweg, has the right section projecting forward. This is preceded in the ashlar band by a layer of laid rectangular small wall that serves as a flower box and is provided with raised corners. The left section contains the entrance area which is reached after two laid steps. The border paved with red tiles (of the well-known type) is shielded by a flat roof. The roof is supported by two wooden corner columns placed side by side under a set of carved blocks. The corner columns are placed on the laid low partition wall of the porch extending from the ashlar band. The panelled door is provided with a light split occurring several times (of which the leaded glass has disappeared) flanked by a vertical profile with a parabolic shape in cross-section. The door frame rests on hardstone sills and likewise sill and is closed off by a stretcher course as well as the window occurring to the left. This window with a drop light is fitted with leaded glass. On the upper floor there are three elongated windows placed side by side and set back which are divided into three by bridge bars and of which the lower pane of the outer windows is executed as a casement window. The three windows are connected to each other at the height of the middle of the upper pane by a double, raised stretcher course. The wall surface between the roof edge and this ornamental band consists of bricks laid in vertical bond.

The right section of the front facade is formed by the projecting part in which on the first storey a window with three coupled lights (without glazing bars) and as many fanlights occur. The middle light is a broader window than the flanking ones which are executed as casement windows. Separated by a substantial transom, the fanlights fitted with leaded glass, for the middle light 4x2 panes and the sides 2x2 panes, adjoin. Under the roof line a window is bordered that consists of three coupled lights which are subdivided by cross glazing bars. The outer lights are executed as casement windows. The narrow fanlights corresponding to the lights are all executed as hopper windows.

The left side of the projecting gable which stands perpendicular to the door area is executed blind.

The LEFT SIDE GABLE is largely occupied by the adjoining intermediate section. The first storey is executed blind. On the upper floor there are two windows with coupled casement windows with cross glazing bars. The two fanlights per window are executed as divided hopper lights. Quite to the right, above the roof panel of the intermediate section, a small drop window is placed.

The REAR GABLE is largely determined by the built-out wooden conservatory which rests on a stone plinth wall. The door area which is parallel to the intermediate section is accessible via two laid steps and a border paved with red tiles. Door and surround are modern. These are flanked by an undivided modern window above which a leaded glass window is located. Above the door area the fanlight consists of two smaller leaded glass hopper windows. The two sides of the conservatory each contain two window bays with as many fanlights executed in leaded glass. The side towards the church is closed off with boarding. The conservatory is covered by a flat roof on which a balcony is located. Two low wall dams, provided with a ball ornament on the corners and placed perpendicular to the wall, form the remains of the incomplete parapet. These are positioned on either side of the two doors which provide access to the balcony. The panelled doors contain six panes. The right half of the gable contains in the two storeys a coupled casement window with twice two-pane fanlight. The lower set of casement windows is identical to the type in the left side gable and contain single-pane windows with fanlights which are executed somewhat larger.

In the asymmetrically arranged RIGHT SIDE GABLE, on the corner in the first storey there is a single-light window with leaded glass casement window as fanlight. In the second storey the two windows consist of casement windows subdivided by cross glazing bars with fanlights of the previously discussed type. The rightmost is located against the raised chimney flue which extends into the roof and intersects the roof gutter. At the height of the sill tile an identical roof gutter is placed on two carved blocks, like that from the porch in the front facade. The right half of the gable contains a wooden bay window on a laid plinth wall. The front contains a single-light modern window. Those in the two sides are narrower but also no longer original. Leaded glass windows with a sun shade close off the bay window on three sides. The bay window is covered by a substantially overhanging flat roof. Above this is a window with three coupled casement windows, identical to that occurring in the left half of the gable.

The INTERIOR of the rectory is sober and in part preserved in original condition. The hallway is paved with grey, black and cream-coloured tiles in a geometric pattern. The quarter-turn staircase is provided with a landing and has a simple carved wooden stair rail. The balusters are unworked straight uprights. The room en suite possesses the original panelled sliding doors with leaded glass as well as the side-positioned wall cupboard. An identical sliding door also provides access to the conservatory. The stucco ceiling is of the simple type with a flat cornice. On the upper floor the panelled doors have also been preserved as well as the simply profiled wainscoting.

Description

The INTERMEDIATE SECTION serving as a parish centre connects the south-western bay of the church with the rectory. The one-storey intermediate section is covered with a hipped roof covered with improved closed Dutch tiles, joined to the rectory. The roof ridge reaches just below the roof edge on the rectory side. On the roof ridge which crosses that of the church, there is a low chimney which is closed off by a concrete capping plate. In the roof plane on the rear side there is another chimney, which however is drawn up higher. The windows rest on ceramic sill tiles and are closed off above by a roll course.

The FRONT FACADE. On the church side the intermediate section borders a flat-roofed low building which fills the space created because the church portal narrows relative to the side aisle. The intermediate section possesses an ashlar band that extends from the church walls. The low space is on the front provided only with a low clamped door on a laid sill and is closed off by a 1½ brick semi-circular arch. The arch rests on cemented setting stones. Next to the door there is a window with three coupled lights of which the outer ones are casement windows. Of the three fanlights corresponding to the lights only the right one is executed as a hopper window. Next to it is an identical but larger variant of this window placed, provided with shutters. Here however the outer lights of the fanlight are executed as hopper windows. The panelled door on the right consists of an upper half, with undivided pane and a lower half, which swing independently of each other. This is presumably a modern door. The frame rests on hardstone sill and likewise sills. Quite to the right against the rectory wall there is a fixed light window. It is framed between sill tiles and closed off by a roll course.

Through the adjoining church and rectory only the REAR GABLE is further visible. This is symmetrical in arrangement. In the middle the panelled door with pane divided by a cross glazing bar is placed, which is accessible by means of two steps and a landing. The door frame reaches to the roof edge and rests on hardstone sills and likewise sill. On either side of the door there is a window with coupled three lights of which only the middle one contains a casement window. The ashlar band is interrupted at the height of the lower sills of the windows. On the rectory side there is a cellar opening which is ended by a brick stretcher course and reaches just above the floor level. Left and right there is in a low flat-roofed extension a small drop window under the roof line.

Valuation

RECTORY and intermediate section, like the church, were built in 1932 by architect G.A.P. de Kort.

- of architectural historical value because of the relationship with the church and mortuary chapel. The rectory is a good example of a rectory dwelling from the first half of the 20th century.

- of urban planning value because of the location on the corner of Waalderweg and Pastoor Deperinkweg which both count as main streets of Mariënvelde. The rectory is connected via an intermediate section to the church. The rectory and intermediate section are situated with their side gable on the Waalderweg and play an important role in the village image on the corner with Pastoor Deperinkweg.

- of cultural historical value because of the relationship with the church building, the rectory also refers to the spiritual development of the relatively new village of Mariënvelde.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map