TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

O.L.V. van Lourdes

Mariënvelde, Gelderland, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Kerk en kerkonderdeel
Function
Kerk
Category
onroerend gebouwd
Built
1932
Address
Waalderweg 3, 7263 RX Mariënvelde (Oost Gelre 25)
Place
Mariënvelde
Municipality
Oost Gelre
Province
Gelderland
Country
Netherlands
Coordinates
52.01154, 6.47223
Part of complex
509425
Monument number
509426

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

University Library, Vrije Universiteit Amsterdam

2 historical maps cover this location, the earliest the 1928 map "Bl. 20 Zutphen, 1928" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Inleiding

KERKGEBOUW uit 1932, behorende bij het complex dat de volgende onderdelen kent: kerkgebouw, pastorie met tussenlid en baarhuisje.

Omschrijving

Het KERKGEBOUW bezit een plattegrond in de vorm van een Latijns kruis. De nok van het door één zadeldak gedekt middenschip, zijbeuken en koor is niet exact oost-west gericht. De koorpartij is meer zuidoostelijk verschoven en de toegangspartij is noordwestelijk gericht, evenwijdig aan de Pastoor Deperinkweg. De eveneens van een zadeldak voorziene transeptarmen zijn in het dak van het hogere middenschip aangekapt. Een door een tentdak gedekte forse hoektoren grijpt gedeeltelijk in de voorgevel. Het gehele kerkgebouw is met verbeterde Hollandse pan belegd, alleen de toren is voorzien van leipannen in maasdekking. Alle uiteinden van de eindnokvorsten zijn voorzien van apostelkruisjes. Rechts van de toren bevindt zich de ingangspartij die aansluit op het voorportaal dat door een lager dan het middenschip gedekt zadeldak met ongelijke dakvlakken wordt bedekt. Het portaal is ook smaller dan de breedte van het kerkschip. De achtergevel laat eveneens een afsluiting zien die trapsgewijs smaller en lager wordt ten opzichte van het middenschip. Opgenomen in de zuidoosthoek, is de sacristie gesitueerd die evenals de kerk is voorzien van een zadeldak. De vele in hoogte variërende dakvlakken bezitten alle overstekende dakgoten die naar een eindgevel zijn omgehoekt. Alleen de nok van het dak van het middenschip en het zuidoostelijke dakvlak van de sacristie zijn voorzien van een schoorsteen. De kerk is opgetrokken in lichtgele baksteen, gemetseld in Noors verband. Alle gevels van de kerk, pastorie en baarhuis bezitten een trasraam in rode baksteen dat door een streklaag wordt afgesloten.

De VOORGEVEL wordt bepaald door de aanwezigheid van een vierzijdige toren die zich links in de gevel bevindt. Met de rechter zijgevel en achtergevel is de toren met respectievelijk het voorportaal en de linker zijbeuk verbonden.

Boven het trasraam komen drie spitsboogvormige vensters voor die door betonnen imposten worden geflankeerd en daarmee onderling met elkaar zijn verbonden. De vensters worden door twee-steens bogen afgesloten en omvatten het verdiept, direct in het muurwerk geplaatste raam dat rust op terugspringende onderdorpeltegels. Boven deze trits van vensters is halverwege de hoogte van de toren een lichtspleet aangebracht die in het midden door overhoeks geplaatste bakstenen in tweeën wordt gedeeld. De lichtspleten rusten op een uit gemetselde onderdorpel. Geheel boven wordt de lichtspleet door een natuurstenen console afgesloten. De top van de toren is aan vier zijden identiek en is bezet met in beton uitgevoerde vooruitspringende onderdelen zoals de omlijstingen van de galmgaten en -borden waarboven het uurwerk is opgenomen dat ook is gevat in een raamwerk. De hoeken van de toren zijn bezet met stenen blokken boven en onder gevat tussen imposten. De torenhelm met overstekende dakrand rust op korte teruggeplaatste kolommen waardoor een plastisch effekt van de haast zwevende spits wordt bereikt. Deze wordt door een kruis met windhaan afgesloten. De toren bezit aan de zijbeuk-zijde evenals aan de voorgevel een hieraan identiek portaal met afdak. Alleen de lichtspleet halverwege de hoogte van de toren is kleiner en enkelvoudig, maar voor het overige is de opzet van de gevel gelijk aan de voorzijde.

De ingangspartij van de kerk die zich rechts van de toren bevindt bezit een met verbeterde Hollandse pan gedekt lessenaarsdak dat door houten gebiljoeneerde korbelen en muurstijlen op natuurstenen consoles wordt ondersteund. Onder de consoles bevinden zich drie uitgemetselde bakstenen naast elkaar. Het portaal bevat opgeklampte dubbele deuren waarin een lichtspleet. Een twee-steens toog sluit de portaal-ingang boven af. Het kozijn rust op hardstenen neuten en dito onderdorpel. De dagkanten verspringen naar binnen toe en zijn boven en onder geklemd tussen een tweetal ten dele gebiljoeneerde natuurstenen gefrijnde hoekblokken. Rechts van de ingang is een steen ingemetseld waarop de naam van de architect is vermeld: 'Architect Ir. G.A.P. de Kort B.I.'. Het met rode tegels belegde bordes is door een rollaag omgeven en bereikbaar via twee treden aan de linkerzijde en rechts via vier treden. Boven het afdak van de ingang bevinden zich drie lancetvensters waarvan de middelste hoger is. Elk venster wordt geflankeerd door betonnen uitgemetselde aanzetstenen en afgesloten door 1½ steens spitsboog. De kozijnen rusten op uitgemetselde onderdorpeltegels. In de geveltop is een beeld van Onze Lieve Vrouw van Lourdes opgesteld, staand op een console voor een in kruisvorm uitgespaard muurvlak. Boven het beeld komt een soort in beton uitgewerkte gestileerde troonhemel voor. In de hoger en naar achter geplaatste sluitmuur van het middenschip dat aansluit het lagere portaal is een opgeklampt luik geplaatst dat boven en onder tussen een betonnen dorpel is geklemd.

De LINKER ZIJGEVEL (noordoostzijde) bestaat uit de gevels van het koor, de eindmuur van de transeptarm en het vier traveeën tellende middenschip.

Onder de in de koormuur voorkomende twee lancetvensters die van het type zijn als in de voorgevel van de toren, bevindt zich in de hoek met de transeptarm een laag platgedekte uitbouw met blinde gevels. De uitbouw vormt de zijruimte naast het priesterkoor en bezit alleen aan de koorsluitingszijde een klein ongedeeld paraboolvormig venster dat door een een-steens boog, voorzien van een impost wordt afgesloten.

De eindmuur van de transeptarm is door een hoog oprijzende steunbeer in het midden van de gevel in tweeën gedeeld. De steunbeer is evenals de overhoeks geplaatste steunberen op de hoeken van het transept voorzien van enkele versnijdingen die ter plaatse zijn betegeld. Hierboven bevindt zich een nis (waarin een beeld ontbreekt) die is gevat tussen een console en een troonhemel overeenkomstig de opzet in de voorgevel van de kerk. In de kruin van de gevel komt een door een 1½-steens boog afgesloten, opgeklampt halfrond luik met kraalschroten voor. Ter weerszijden van de middelste steunbeer is een groot paraboolvormig venster geplaatst dat door vier gemetselde montants in vijf lichten is verdeeld. De vensters in de eindmuur van de transeptarm zijn geplaatst in de kop van een in rode baksteen opgetrokken verdiept veld boven het trasraam dat verder blind is uitgevoerd. De onderdorpel van het venster bestaat uit tegels die boven een 1½ steens strek zijn geplaatst. Het verdiepte veld wordt afgesloten door een twee-steens boog die opgaand vanaf een impostblok, samenvalt met de boog van het venster. De schuine zijden van de puntgevel zijn voorzien van vlechtingen waar, langs de vertandingen klimmend uitgemetseld siermetselwerk is aangebracht. De gesneden gordingen van het overstekende zadeldak sluiten de gevel af. De zijmuren van de transeptarm zijn blind uitgevoerd. In de oksel tussen transeptarm en middenschip is een laagbouw aangebracht die dienst doet als verwarmingshok waarbij vermoedelijk oude dubbele paneeldeuren met lichtspleet zijn hergebruikt. Mogelijk betreft het hier een moderne uitbreiding van de in de exterieur uitgebouwde biechtstoelen.

Aansluitend naar de toren toe bevinden zich in het middenschip, tussen steunberen, vier vensters van het eerder genoemde type.

De ACHTERGEVEL (zuidoostzijde) bevat het rechtgesloten kooreinde dat trapsgewijs viermaal verspringt ten opzichte van het over de viering tot het koor doorgetrokken dak van het middenschip en in hoogte en breedte afneemt. De schuine zijden van de puntgevel zijn met een bies van strekken begrensd die echter niet tot de nok doorloopt maar even daaronder elkaar raken waardoor de basis wordt gevormd voor een driehoek die tegen de nok van het dak is gevlijd. Onder de nok bevinden zich alleen in de twee hoogste puntgevels een luchtrooster.

In de koorsluitingsmuur domineert een reeds eerder omschreven paraboolvormig venster de voor het overige deel gesloten gevel. Het in vijf lichten ingedeelde venster wijkt van de overige in zoverre af, doordat de twee zijlichten verder naar beneden zijn doorgetrokken. De onderdorpel waarop de drie middelste lichten rusten zetten zich uit de lagere zijlichten voort. De RECHTER ZIJGEVEL (zuidwestzijde) van de kerk vertoont enkele afwijkingen ten opzichte van de linker. In de hoek van transeptarm en koor is de door een zadeldak gedekte sacristie gesitueerd. Deze is tegen het smalle aan de linker zijgevel gespiegelde gangetje naast het priesterkoor gebouwd en heeft een identiek venster aan de koorsluitingszijde als besproken in de linker zijgevel. De sacristie bezit een rechthoekige plattegrond met een uitgebouwde bescheiden ingangspartij. De nok van het dak is evenwijdig aan die van de kerk. Tegen de voorzijde van de sacristie is de platgedekte uitbouw van de ingang gelegen. Het dak reikt tot onder de overstekende dakrand van de sacristie. In het dakvlak van de sacristie steekt een hoge schoorsteen die is voorzien van uitgemetseld siermetselwerk en wordt door een betonnen dekplaat afgesloten. De sacristie bezit aan de voorzijde een gietijzeren rechtgesloten 6-ruits (3x2) raam. De hoeken van de sacristie zijn uitgerust met een impost van het eerder genoemde type. Aan de zijde die evenwijdig ligt met de koorsluiting is een venster van het eerder beschreven type in het midden van de gevel geplaatst. Dit venster bezit in plaats van vijf, drie montants. In de geveltop komt een spitsboogvormig venster voor met een kozijn, waarin een draairaam, dat rust op een betegelde onderdorpel. Het venster is halverwege het onder de nok van het dak voorkomende siermetselwerk geplaatst. Beide vensters worden door een boog afgesloten en bezitten bij de aanzet van de boog ter weerszijden, een impost. Boven de rollaag van het met twee ventilatieroostertjes uitgeruste trasraam, in de as van de impost onder het venster komt nog een betonnen impost voor. De gevelafsluiting is voor het overige gelijk aan die van de koorsluiting. De ingangspartij van de sacristie, die haaks op de gevel van de kerk staan, ligt verhoogd en is bereikbaar via een trap met halfsteens gemetselde borstwering die wordt afgesloten door een rollaag en die aansluit bij de hoogte van het trasraam. Het deurkozijn dat rust op hardstenen neuten en onderdorpel, bevat een opgeklampte deur en bezit een ruitvorm in het midden. Voor de deur bevindt zich een bordes met identieke rode tegels als in de toegangen van de kerk en eerder besproken.

In de hoek van transeptarm en middenschip komt evenals aan de linker zijgevel een platgedekte uitbouw voor (t.b.v. voormalige biechtstoel) die echter later is uitgebreid tot garage. De opgeklampte zijdeur bezit een lichtspleet waardoor waarschijnlijk hier sprake is van een oorspronkelijk type deur.

Het INTERIEUR van de kerk wordt betreden via een portaal onder de orgeltribune en bezit dubbele opgeklampte deuren. De deuren ter weerszijden geven toegang tot de Mariakapel en het orgel.

Het twee traveeën tellende middenschip wordt door zeer smalle zijbeuken met dwarsgeplaatste spitsboogvormige tongewelven geflankeerd en dient enkel als rondgang. Het middenschip en het koor worden overkluisd door per travee twee graatgewelven, die ter plaatse van de nokas elkaar onder een schuine hoek raken. De overkluizing boven de viering bestaat uit een netgewelf met in het midden een hijsgat. De gewelven zijn evenals het muurwerk, in schoonmetselwerk uitgevoerd. De traveeën worden door bakstenen gordelbogen van elkaar gescheiden. De aanzet van de schei- en gordelbogen vindt trapsgewijs plaats aan vier zijden van de kolom en vormt als het ware een soort kapiteel. Per travee vormen twee spitsbogen, die hun gemeenschappelijke basis op een kolom hebben, de afscheiding met de zijbeuken. De twee boogopeningen in het middenschip corresponderen met de twee vensters (met modern gekleurd glas) in de buitenmuur.

Het muurwerk is opgetrokken in baksteen in Vlaams verband en de wanden boven het donkerrode door een rollaag afgesloten trasraam zijn merendeels voorzien van schilderingen. Onder de ramen is een schildering van de kruiswegstatie aangebracht met uitzondering van de travee voor de viering waar aan beide zijden van de kerk zich de biechtstoel bevindt achter drie paneeldeuren waarin glas in lood-ruitjes. De scheiboogmuur is eveneens voorzien van schilderingen. De eindmuur boven het ingangsportaal is ten behoeve van een orgeltribune met een paraboolvormige boog doorbroken. Deze vorm herhaalt zich driemaal achter elkaar in afnemende grootte in de koorsluiting en vormt aldus het decor voor het in deze koorsluitingsmuur geplaatste venster met gebrandschilderd raam waarin Maria in een vuurrode mandorla is weergegeven. Het samenstel van bogen wordt boven het trasraam door een doorlopende betonnen lijst onderling verbonden. De kleinste boog die het venster omvat bezit geel en groengekleurde bakstenen. In de grootste boog is in de kruin een geel kruis weergegeven. Deze boog wordt vooraf gegaan door een boog die als een soort triomfboog kan worden beschouwd en de scheiding tussen rechtgesloten absis en koor markeert. De boog is voorzien van rijke schilderingen waarop onder meer een zestal engelen te zien. Het koor bevat één travee dat door twee gedrukte keperbogen van een lage ruimte, met balkenplafond, aan beide zijden van het koor wordt afgescheiden. Alleen de ruimte rechts naast het koor is functioneel en geeft toegang tot de sacristie. De twee keperbogen rusten behalve op halve kolommen tegen de muurdammen, op een in het midden geplaatste betonnen kolom die evenals de half-kolommen is voorzien van een zwaar kapiteel. Vanaf het kapiteel van de vrijstaande kolom reikt een console waarop een beeld staat van Christus en Maria tussen twee grisaille vensters. Deze vormen de lichtbeuk in de verder met metselmozaïek uitgevoerde muurvulling van de scheiboogmuur.

De eindmuren van de twee traveeën tellende transeptarmen bevatten onder de van gekleurd glas voorziene vensters een vervolg van de schilderingen van de kruiswegstatie. Het muurvlak onder de gewelfkap is in het transept bezet met voorstellingen van de heilige Bonifacius, Catharina van Siëna, Stephanus en Franciscus van Assisi. De schilderingen worden van elkaar gescheiden door de graten die vanuit het naast elkaar gelegen gewelf ter plaatse van een console samenkomen die door fraai metselwerk wordt gevormd.

De zijmuur van het transept die haaks op het koor staat bevat behalve de getoogde opening, die toegang biedt tot de zijruimte met balkenplafond naast het koor, tevens een schijntoegang. Deze is voorzien van een zelfde toog als boven de toegang en in het muurwerk komt ter plaatse het trasraam voor. Tegen beide muren zijn de altaren geplaatst die resp. zijn toegewijd aan Maria en Jozef. De beelden staan op het altaar onder een in het beschilderde muurvlak uitgemetselde boog die vanaf een betonnen impost oprijst. Boven het Maria-altaar zijn scènes geschilderd die betrekking hebben op haar leven. De schildering boven het Jozef-altaar toont de H. Familie met op de achtergrond de kerk O.L.V. van Lourdes te Mariënvelde. In de boogvelden van de overliggende zijde boven de zijbeuken zijn eveneens schilderingen (engelen en daarbij behorende spreuken) aangebracht.

De vloer die oorspronkelijk is belegd met rode, oker, grijze en witte tegels vertoont een geometrisch patroon dat met zwart is afgebiesd. De kerkbanken met genummerde wangen staan op een houten vlonder die tot in de travee van het transept zich voortzet. De kerkvloer gaat via enkele treden en een bordes waarop communiebanken, over in het koor. De koorvloer is door een zwart granietenband omkaderd. Vanuit het middenschip links staat op het koor tegen de vieringspijler de preekstoel en voor de eindmuur van het linkertransept de doopvont.

De sacristie die middels de tussenruimte naast het koor op de kerk aansluit bezit behalve het oorspronkelijke balkenplafond ook nog twee kledingkasten en een kluis. Eerder is genoemd de aanwezigheid van twee spitsboogvensters en een deur naar buiten, naar de pastorie.

Waardering

De KERK is gebouwd door architect G.A.P. de Kort in 1932. De kerk maakt onderdeel uit van een complex met de pastorie en baarhuisje als onderdelen.

- van architectuurhistorische waarde vanwege de gaafheid van in- en exterieur. Het exterieur, met de markante naar de Art Deco-stijl verwijzende detailleringen in de toren, biedt een goed voorbeeld van een dorpskerk uit de eerste helft van de 20ste eeuw. Zowel in- als exterieur zijn uitgevoerd in een expressionistische baksteenstijl waarbij de invloed van de Amsterdamse School duidelijk blijkt in siermetselwerk, de vorm van de paraboolvormige vensters en het decoratieve spel van de in hoogte variërende daken.

Het interieur van de kerk is voorzien van enkele fraaie oorspronkelijke (muur)schilderingen van de hand van K.W. Wenzel en een rijk uitgewerkte tegelvloer.

- van stedenbouwkundige waarde vanwege haar ligging op de grens met het buitengebied. De kerk vormt met indrukwekkende zadeldak en fraaie kerktoren een meer dan markant dorpsbeeld.

- van cultuurhistorische waarde als bijzondere uitdrukking van een geestelijke ontwikkeling en als goed bewaard voorbeeld vanwege de bestemming, welke verbonden is met de religieuze ontwikkeling in Mariënvelde. Door de stichting van een kerk in het buitengebied van Zieuwent ontstond een nieuw dorp Achter-Zieuwent, dat later in 1964 naar de patrones van de kerk, Onze Lieve Vrouwe van Lourdes, Mariënvelde werd genoemd.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Introduction

CHURCH BUILDING from 1932, belonging to the complex that comprises the following components: church building, rectory with connecting section and mortuary chapel.

Description

The CHURCH BUILDING has a floor plan in the form of a Latin cross. The ridge of the nave, side aisles and choir, covered by a single gabled roof, is not oriented exactly east-west. The choir section is shifted more to the southeast and the entrance section is oriented northwest, parallel to Pastoor Deperinkweg. The transept arms, also equipped with a gabled roof, are fitted into the roof of the higher nave. A sturdy corner tower covered by a pyramidal roof partially engages the front facade. The entire church building is covered with improved Dutch pan tiles, only the tower is provided with slate tiles in Maas bond. All ends of the ridge crests are provided with apostle crosses. To the right of the tower is the entrance section which connects to the vestibule which is covered by a gabled roof lower than the nave with unequal roof planes. The vestibule is also narrower than the width of the church nave. The rear facade likewise shows a termination that becomes progressively narrower and lower in relation to the nave. Located in the southeast corner, the sacristy is situated which, like the church, is provided with a gabled roof. The many roof planes that vary in height all possess overhanging roof gutters which are angled towards an end facade. Only the ridge of the roof of the nave and the southeastern roof plane of the sacristy are provided with a chimney. The church is built in light yellow brick, laid in Norwegian bond. All facades of the church, rectory and mortuary chapel have a plinth course in red brick which is finished by a stretching course.

The FRONT FACADE is determined by the presence of a four-sided tower which is located on the left of the facade. With the right side facade and rear facade, the tower is connected with the vestibule and the left side aisle respectively.

Above the plinth course are three pointed arch-shaped windows which are flanked by concrete imposts and thus connected to each other. The windows are closed by two-brick arches and include the recessed window placed directly in the masonry which rests on recessed sill tiles. Above this group of windows, halfway up the height of the tower, is a light opening which is divided in two in the middle by diagonally placed bricks. The light openings rest on a built-up sill. At the very top, the light opening is closed by a natural stone console. The top of the tower is identical on four sides and is fitted with concrete-executed projecting elements such as the surrounds of the louvers and weather boards above which the clock mechanism is located, also set in a frame. The corners of the tower are fitted with stone blocks above and below set between imposts. The tower spire with overhanging roof edge rests on short recessed columns thereby achieving a plastic effect of the almost floating spire. This is terminated by a cross with weather vane. The tower possesses on the side aisle side as well as on the front facade an identical portal with canopy. Only the light opening halfway up the height of the tower is smaller and singular, but otherwise the arrangement of the facade is the same as the front side.

The entrance section of the church which is located to the right of the tower has a lean-to roof covered with improved Dutch pan tiles which is supported by wooden corbelled corbels and wall pilasters on natural stone consoles. Below the consoles are three built-up bricks next to each other. The vestibule contains hinged double doors with a light opening. A two-brick arch closes the vestibule entrance above. The frame rests on hardstone jambs and likewise sill. The day angles recede inward and are above and below clamped between a pair of partially corbelled natural stone fretted corner blocks. To the right of the entrance is a stone set in the masonry on which the name of the architect is noted: 'Architect Ir. G.A.P. de Kort B.I.'. The platform clad with red tiles is surrounded by a roll course and accessible via two steps on the left side and on the right via four steps. Above the canopy of the entrance are three lancet windows, the middle one being higher. Each window is flanked by concrete built-up setting stones and closed by a 1½ brick pointed arch. The frames rest on built-up sill tiles. In the gable top is an image of Our Lady of Lourdes placed, standing on a console in front of a mural surface left clear in cross form. Above the image comes a sort of stylised throne canopy executed in concrete. In the higher and rearward placed closing wall of the nave which adjoins the lower vestibule, a hinged shutter is placed which is above and below clamped between a concrete sill.

The LEFT SIDE FACADE (northeast side) consists of the facades of the choir, the end wall of the transept arm and the nave numbering four bays.

Below the two lancet windows found in the choir wall, which are of the same type as in the front facade of the tower, in the corner with the transept arm is a low flat-roofed extension with blind facades. The extension forms the side space next to the priest's choir and possesses only on the choir closure side a small undivided parabolic window which is closed by a one-brick arch, provided with an impost.

The end wall of the transept arm is divided in two by a high rising buttress in the middle of the facade. The buttress, like the diagonally placed buttresses on the corners of the transept, is provided with some rebates which are there tiled. Above this is a niche (in which an image is missing) which is set between a console and a throne canopy corresponding to the arrangement in the front facade of the church. In the crown of the facade comes a hinged semicircular shutter closed by a 1½-brick arch, with beaded moulding. On either side of the middle buttress is a large parabolic window which is divided into five lights by four built masonry mullions. The windows in the end wall of the transept arm are placed in the head of a recessed field executed in red brick above the plinth course which is further blind. The sill of the window consists of tiles placed above a 1½ brick stretching course. The recessed field is closed by a two-brick arch which, rising from an impost block, coincides with the arch of the window. The sloping sides of the pointed gable are provided with wattle where, climbing along the teeth, built decorative masonry is applied. The cut coping of the overhanging gabled roof closes the facade. The side walls of the transept arm are executed blind. In the corner between the transept arm and the nave is a low structure which serves as a heating room where presumably old double panel doors with a light opening have been reused. This may possibly be a modern extension of the confessionals built in the exterior.

Adjacent towards the tower are four windows of the aforementioned type in the nave, between buttresses.

The REAR FACADE (southeast side) contains the closed choir end which recesses stepwise four times in relation to the roof of the nave extending over the crossing to the choir and decreases in height and width. The sloping sides of the pointed gable are bounded by a bias of stretching courses which, however, does not continue to the ridge but meet each other just below it thereby forming the base for a triangle which is laid against the ridge of the roof. Below the ridge are air grilles only in the two highest pointed gables.

In the choir closure wall a parabolic window already described above dominates the otherwise closed facade. The window divided into five lights differs from the others in that the two side lights are carried further down. The sill upon which the three middle lights rest extends from the lower side lights. The RIGHT SIDE FACADE (southwest side) of the church shows some deviations in relation to the left. In the corner of the transept arm and choir is located the sacristy covered by a gabled roof. This is built against the narrow passage mirrored on the left side facade next to the priest's choir and has an identical window on the choir closure side as discussed in the left side facade. The sacristy has a rectangular floor plan with a modest built-in entrance section. The ridge of the roof is parallel to that of the church. Against the front of the sacristy is the flat-roofed extension of the entrance. The roof extends to below the overhanging roof edge of the sacristy. In the roof plane of the sacristy protrudes a high chimney which is provided with built decorative masonry and is closed by a concrete cover plate. The sacristy has at the front a cast iron closed 6-light (3x2) window. The corners of the sacristy are equipped with an impost of the aforementioned type. On the side which is parallel to the choir closure is a window of the previously described type placed in the middle of the facade. This window possesses, instead of five, three mullions. In the gable top is a pointed arch-shaped window with a frame containing a casement window, which rests on a tiled sill. The window is placed halfway through the decorative masonry occurring below the roof ridge. Both windows are closed by an arch and possess at the base of the arch on either side an impost. Above the roll course of the plinth course equipped with two ventilation grilles, in the axis of the impost below the window comes another concrete impost. The facade closure is otherwise the same as that of the choir closure. The entrance section of the sacristy, which is perpendicular to the church facade, is situated elevated and is accessible via a step with half-brick laid breastwork which is closed by a roll course and which connects at the height of the plinth course. The door frame which rests on hardstone jambs and sill, contains a hinged door and has a diamond shape in the middle. In front of the door is a platform with identical red tiles as in the church entrances and previously discussed.

In the corner of the transept arm and nave, as on the left side facade, is a flat-roofed extension (for the former confessional) which was, however, later extended to serve as a garage. The hinged side door has a light opening thereby suggesting this is possibly an original type door.

The INTERIOR of the church is entered via a vestibule under the organ gallery and has double hinged doors. The doors on either side provide access to the Maria chapel and the organ.

The two-bay nave is flanked by very narrow side aisles with transversely-placed pointed arch barrel vaults and serves only as an ambulatory. The nave and the choir are vaulted by two ribbed vaults per bay, which at the ridge meet each other at an oblique angle. The vault above the crossing consists of a net vault with a lifting hole in the middle. The vaults, like the masonry, are executed in fair-faced brickwork. The bays are separated by brick girdle arches. The springing of the dividing and girdle arches takes place in steps on four sides of the column and forms as it were a sort of capital. Per bay, two pointed arches, which have their common base on a column, form the separation with the side aisles. The two arch openings in the nave correspond with the two windows (with modern stained glass) in the outer wall.

The masonry is built in brick in Flemish bond and the walls above the dark red plinth course finished by a roll course are mostly provided with murals. Below the windows is a painting of the stations of the cross applied with the exception of the bay before the crossing where on both sides of the church the confessional is located behind three panel doors with stained glass panes. The dividing arch wall is likewise provided with murals. The end wall above the entrance portal is broken through for an organ gallery with a parabolic arch. This form repeats itself three times in succession in decreasing size at the choir closure and thus forms the decor for the window placed in this choir closure wall with a stained glass window in which Mary is depicted in a fiery red mandorla. The ensemble of arches is connected below the plinth course by a continuous concrete moulding. The smallest arch which encompasses the window has yellow and green-coloured bricks. In the largest arch is depicted in the crown a yellow cross. This arch is preceded by an arch which can be considered as a sort of triumphal arch and which marks the separation between closed apse and choir. The arch is provided with rich murals on which, among other things, a half dozen angels can be seen. The choir contains one bay which is separated from a low space, with beam ceiling, on both sides of the choir by two depressed herringbone arches. Only the space to the right next to the choir is functional and provides access to the sacristy. The two herringbone arches rest, in addition to half columns against wall buttresses, on a concrete column placed in the middle which, like the half columns, is provided with a heavy capital. From the capital of the free-standing column extends a console on which stands an image of Christ and Mary between two grisaille windows. These form the light bay in the otherwise masonry-mosaic-executed wall filling of the dividing arch wall.

The end walls of the two-bay transept arms contain below the stained glass windows a continuation of the murals of the stations of the cross. The wall area below the vault ridge in the transept is furnished with depictions of the saints Bonifacius, Catherine of Siena, Stephen and Francis of Assisi. The murals are separated from each other by the ribs which, emanating from the adjacent vault, meet at a console which is formed by fine masonry.

The side wall of the transept which is perpendicular to the choir contains besides the arched opening, which provides access to the side space with beam ceiling next to the choir, also a blind entrance. This is provided with the same arch as above the entrance and in the masonry the plinth course occurs at the location. Against both walls are the altars placed which are respectively dedicated to Mary and Joseph. The statues stand on the altar under an arch built into the painted wall area which rises from a concrete impost. Above the Mary altar are scenes painted which relate to her life. The painting above the Joseph altar shows the Holy Family with in the background the church of Our Lady of Lourdes at Mariënvelde. In the spandrels of the opposite side above the side aisles are likewise murals (angels and associated sayings) applied.

The floor, originally laid with red, ochre, grey and white tiles, displays a geometric pattern which is bordered with black. The church benches with numbered panels stand on a wooden floor which continues into the bay of the transept. The church floor transitions via several steps and a platform on which are communion benches, into the choir. The choir floor is bordered by a black granite band. From the nave on the left stands on the choir against the crossing pier the pulpit and in front of the end wall of the left transept the font.

The sacristy which connects to the church by means of the intermediate space next to the choir possesses in addition to the original beam ceiling also two clothing cabinets and a safe. Earlier mentioned was the presence of two pointed arch windows and a door to the outside, to the rectory.

Valuation

The CHURCH was built by architect G.A.P. de Kort in 1932. The church forms part of a complex with the rectory and mortuary chapel as components.

- of architectural historical value due to the intactness of interior and exterior. The exterior, with the distinctive detailing referencing Art Deco style in the tower, provides a good example of a village church from the first half of the 20th century. Both interior and exterior are executed in an expressionist brick style in which the influence of the Amsterdam School is evident in decorative masonry, the form of the parabolic windows and the decorative interplay of the roofs varying in height.

The interior of the church is provided with some fine original mural paintings by K.W. Wenzel and an extensively executed tile floor.

- of urban planning value due to its location on the boundary with the rural area. The church with its impressive gabled roof and fine church tower forms more than a striking village landmark.

- of cultural historical value as a distinctive expression of a spiritual development and as a well-preserved example due to the function, which is connected with the religious development in Mariënvelde. By establishing a church in the countryside of Zieuwent, a new village Achter-Zieuwent emerged, which later in 1964 was renamed Mariënvelde after the patroness of the church, Our Lady of Lourdes.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map