TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Woonhuis, Oostersingel 40

Dokkum, Fryslân, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Woonhuis
Category
onroerend gebouwd
Built (approximately)
1830 - 1906
Address
Oostersingel 40, 9101 KM Dokkum (Noardeast-Fryslân 21)
Place
Dokkum
Municipality
Noardeast-Fryslân
Province
Fryslân
Country
Netherlands
Coordinates
53.32753, 6.00103
Monument number
507099

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries

4 historical maps cover this location, the earliest the 1821 map "United Provinces." (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Inleiding

Het rijzige HERENHUIS is een opvallend element in het straatbeeld dat voor het overgrote deel bestaat uit woningen van één bouwlaag onder schilddak. Ook dit woonhuis bestond aanvankelijk uit één bouwlaag, dat omstreeks 1832 in eigendom was van Casper de Vries, korfmaker. In 1861 werd aan het huis een timmerwerkplaats gebouwd. In 1873 werd het gekocht door Y.K. Botma, rentenierende landbouwer. Vermoedelijk liet hij het pand omstreeks 1883 verbouwen in Eclectische trant, waarbij het woonhuis vrijwel naadloos is vergroot door de opbouw van een verdieping. De nieuwe eigenaar G.H. Rijpstra liet het pand in 1905-1906 gedeeltelijk slopen en verbouwen, in het bijzonder aan de achterzijde. In 1906, volgens de datering op de windwijzer, werd aan de achterzijde in de trant van de Art Nouveau tegen de verdieping een 'zwevende' serre aangebracht, die op zuilen rust. Mogelijkerwijs hield deze uitbreiding verband met de bewoning door een tuberculosepatiënt, die er kon kuren, want ook in de achtertuin staat een houten, voormalig kuurpaviljoen. De woning is later gelegateerd aan de Doopsgezinde gemeente, die haar gebruikte als pastorie tot 1976. De woning is in hetzelfde jaar verbouwd naar een plan van de architect B.S. Adema te Dokkum. Het woonhuis staat op een diep perceel dat aan de achterzijde grenst aan het Oosterbolwerk. De bijgebouwen in de tuin zijn van ondergeschikt belang voor de bescherming van rijkswege.

Omschrijving

Het woonhuis heeft een rechthoekige plattegrond en bestaat uit twee bouwlagen met een ongelede lijstgevel, onder een afgeknot schilddak. De voorgevel is opgetrokken in bruine bakstenen die op scheiding van de eerste en tweede bouwlaag een gering tintverschil vertonen. De eerste bouwlaag van de linker zijgevel bestaat uit roodbruine bakstenen en de verdieping is opgetrokken in bruine bakstenen. De dakschilden zijn belegd met zwart geglazuurde, platte Friese pannen. De voorgevel is drie raamtraveeën breed. De hoeklisenen hebben spiegelvlakken met een gepleisterde omranding. Alle gevelopeningen zijn korfbogig afgesloten met een streklaag; op de omlijstingen een forse kuif waarin een schelpmotief is verwerkt. De deuropening is smaller dan de vensteropeningen. De H-venster van de eerste bouwlaag hebben gekleurd glas-in-lood met eenvoudige, geschilderde decoraties. De voordeur is een imitatie-porte brisee met middenstijl; in beide deurramen een smeedijzeren hekwerk. Voor de deur een natuurstenen stoep met op de beide hoeken een conische, hardstenen stoeppaal en kettingen aan de gevel. Rechts naast de deur een marmeren brievenbus. Op de dakvoet een houten dakkapel met een flauw hellend zadeldak op hoeklisenen en met een eenvoudig versierde bekroning. Het T-venster is korfbogig gesloten en heeft een ovalen wapenschildje. Aan weerszijden van de dakkapel sierlijk gesneden, houten klauwstukken met ondermeer obelisken. De linker zijgevel is na-genoeg gesloten; in de tweede bouwlaag is één dubbelvenster met een gebogen wisseldorpel en geel getint matglas in het bovenlicht. De rechter zijgevel is grotendeels aan het oog onttrokken door oversnijding van de belending.

De onderpui van de achtergevel bestaat uit getoogde zesruitsvensters met een dunne roedeverdeling, onder een streklaag. De bovenlichten zijn voorzien van beschilderd glas. Aan de verdieping hangt een uitbundig gedecoreerde serre, die eveneens rust op drie slanke, gietijzeren zuilen met composietkapitelen. De serre oversnijdt tweederde van de gevel, zodat één raamtravee links van de serre nog zichtbaar is. Dat venster is gelijktijdig met de aanbouw van de serre gewijzigd in een dubbele deur naar een klein plat. De deuropening heeft een getoogde streklaag met witte bakstenen decoratie, een kunststenen trommelveld met een florale versiering in beschilderd laagreliëf. Het achterdakschild is belegd met bruin geglazuurde kruispannen. Op de gootlijst staat een rijk gedecoreerde houten kajuit met een verspringende gootlijst, versierde klauwstukken en een bekroning waarop een windvaan met het jaartal 1906. De rechthoekige serre bestaat uit een houten stijlwerk op een lage houten borstwering met panelen dat bijna volledig is beglaasd. Aan de gootlijst hangt een sierrand van aangepunte leien. Alle raamopeningen hebben een gebogen wisseldorpel; het bovenlicht bestaat uit meerruits gekleurde glas-in-loodramen. Het dubbele, zijwaarts schuivende venster heeft ook gekleurde glas-in-loodstroken aan de zijkant.

Het interieur van de woning is op de begane grond structureel gewijzigd; de bovenverdieping is structureel nagenoeg ongewijzigd. Tot de waardevolle interieuronderdelen behoren onder meer in de gang het stucplafond met vruchtmotieven en linten. Tot de waardevolle interieuronderdelen van de voor- en achterkamer behoren ondermeer de schoorsteenmantel en decoratie van de boezem met hoekzuilen en composietkapitelen, de vensterbanken en de kamerblinden. De verdieping heeft kamers en suite met in de voorkamer onder meer als waardevolle onderdelen een stucplafond met een vruchtenboeket en hoekvullingen met schalen, een betegelde haard van cloisonné reliëftegels (hurkende jonge vrouw). De schuifdeurenopening heeft een gesneden decoratie; de schuifdeuren zelf hebben een scharnierende halfzuil met een composiet kapiteel verlevendigd met een engelenkopje. De achterkamer met de serre heeft een bijzonder rijk versierd interieur, waaronder een marmeren schouw met opschrift: OOST, WEST THUIS BEST en een gestucte boezem met hoekzuilen. Het plafond heeft een in pasteltinten beschilderd stucwerk met de voorstelling van een meisjesfiguur met vlindervleugels, die een parasol ophoudt tegenover een jongensfiguur met vogelvleugels die drie vogels loslaat; samen zitten ze op een wolk. De deur- en raamomlijstingen van de kamer zijn gesneden en de panelen zijn versierd met geschabloneerde decoraties.

Waardering

Het in aanleg uit 1830 daterende woonhuis dat rond 1883 onder invloed van het Eclecticisme en in 1906 onder invloed van de Art Nouveau werd verbouwd, is van algemene cultuurhistorische en architectuurhistorische waarde: - vanwege de hoge mate van belang wegens de herkenbaarheid van de diverse stijlperioden uit de periode 1850-1940 in één bouwvolume, - vanwege de hoge van belang door het bijzondere materiaalgebruik en de ornamentiek, - vanwege de bijzondere samenhang tussen het exterieur en bouwonderdelen, in het bijzonder de functie van de serre als kuurpaviljoen, - vanwege de redelijke mate van belang van het object als beeldbepalend gebouw aan de voormalige Oostersingel binnen het beschermd stadsgezicht, - vanwege de hoge mate van gaafheid van de architectonische kwaliteit van het exterieur en interieuronderdelen, - vanwege de hoge mate van structurele en visuele gaafheid in relatie tot de stedelijke omgeving.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Introduction

The imposing TOWNHOUSE is a striking element in the streetscape which for the greater part consists of dwellings of one storey under a hipped roof. This residence also originally consisted of one storey, which around 1832 was owned by Casper de Vries, basketmaker. In 1861 a carpentry workshop was built onto the house. In 1873 it was purchased by Y.K. Botma, retired farmer. It is presumed that he had the building remodelled around 1883 in Eclectic style, whereby the residence was enlarged almost seamlessly by the construction of an upper storey. The new owner G.H. Rijpstra had the building partially demolished and remodelled in 1905-1906, particularly on the rear side. In 1906, according to the dating on the weathervane, a 'floating' conservatory was added to the rear in the Art Nouveau style against the upper storey, which rests on columns. This extension may have been connected with the occupancy by a tuberculosis patient, who could convalesce there, as there is also a wooden, former cure pavilion in the back garden. The dwelling was later bequeathed to the Mennonite congregation, who used it as a parsonage until 1976. The residence was remodelled in the same year according to a plan by the architect B.S. Adema of Dokkum. The residence is situated on a deep plot which borders the Oosterbolwerk at the rear. The outbuildings in the garden are of minor importance for national monument protection.

Description

The residence has a rectangular floor plan and consists of two storeys with an unrounded cornice-topped facade, under a truncated hipped roof. The front facade is constructed in brown brickwork which shows a slight colour difference at the separation of the first and second storey. The first storey of the left side facade consists of reddish-brown brickwork and the upper storey is constructed in brown brickwork. The roof tiles are laid with black glazed, flat Frisian tiles. The front facade is three bays wide. The corner pilasters have mirror surfaces with a plastered edging. All facade openings are closed with a basket arch with a course; on the surrounds a robust cyma with a shell motif worked into it. The door opening is narrower than the window openings. The H-windows of the first storey have coloured leaded glass with simple, painted decorations. The front door is an imitation folding door with centre post; in both door lights wrought-iron grilles. In front of the door a natural stone step with on both corners a conical, ashlar stone bollard and chains on the facade. To the right of the door a marble letterbox. On the eaves a wooden roof dormer with a shallow sloping gabled roof on corner pilasters and with a simply decorated coping. The T-window is closed with a basket arch and has an oval escutcheon. On either side of the dormer elegantly carved wooden brackets with amongst others obelisks. The left side facade is nearly closed; on the second storey is one double window with a curved transom bar and yellowish tinted frosted glass in the fanlight. The right side facade is largely obscured by the overlap of the neighbouring building.

The ground floor of the rear facade consists of arched six-light windows with thin glazing bars, under a course. The fanlights are provided with painted glass. On the upper storey hangs an exuberantly decorated conservatory, which likewise rests on three slender, cast-iron columns with composite capitals. The conservatory overlaps two-thirds of the facade, so that one window bay to the left of the conservatory is still visible. That window was modified at the same time as the addition of the conservatory into a double door to a small flat. The door opening has an arched course with white brick decoration, a stone drum with floral decoration in painted low relief. The rear roof tile is laid with brown glazed clay tiles. On the gutter line stands a richly decorated wooden cabin with a staggered gutter line, decorated brackets and a coping on which a weathervane with the date 1906. The rectangular conservatory consists of a wooden framework on a low wooden parapet with panels that is almost entirely glazed. On the gutter line hangs a decorative border of pointed slates. All window openings have a curved transom bar; the fanlight consists of multi-light coloured leaded glass windows. The double, sideways sliding window also has coloured leaded glass strips on the side.

The interior of the dwelling has been structurally altered on the ground floor; the upper storey is structurally almost unchanged. Valuable interior components include amongst others in the hallway the plaster ceiling with fruit motifs and ribbons. Amongst the valuable interior components of the front and rear rooms are the fireplace mantel and decoration of the chimney breast with corner pilasters and composite capitals, the window sills and the room shutters. The upper storey has rooms en suite with in the front room amongst others as valuable components a plaster ceiling with a fruit bouquet and corner infills with bowls, a tiled fireplace with cloisonné relief tiles (crouching young woman). The sliding door opening has carved decoration; the sliding doors themselves have a pivoting half-column with a composite capital enlivened with a cherub's head. The rear room with the conservatory has a particularly richly decorated interior, including a marble chimney piece with inscription: OOST, WEST THUIS BEST and a plastered chimney breast with corner pilasters. The ceiling has plasterwork painted in pastel shades with the representation of a girl figure with butterfly wings holding a parasol opposite a boy figure with bird wings releasing three birds; together they sit on a cloud. The door and window surrounds of the room are carved and the panels are decorated with stencilled decorations.

Valuation

The residence dating in its design from 1830 which was remodelled around 1883 under the influence of Eclecticism and in 1906 under the influence of Art Nouveau, is of general cultural-historical and architectural-historical value: - because of the high degree of importance due to the recognizability of the diverse style periods from the period 1850-1940 in one building volume, - because of the high degree of importance through the particular use of materials and ornamentation, - because of the particular coherence between the exterior and building components, in particular the function of the conservatory as a cure pavilion, - because of the reasonable degree of importance of the object as a character-defining building on the former Oostersingel within the protected town-scape, - because of the high degree of integrity of the architectural quality of the exterior and interior components, - because of the high degree of structural and visual integrity in relation to the urban environment.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map