TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Historische aanleg, Hillenraederlaan bij 12

Swalmen, Limburg, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Tuin, park en plantsoen
Function
Historische aanleg
Category
onroerend gebouwd
Address
Hillenraederlaan bij 12, 6071 NH Swalmen (Roermond 31)
Place
Swalmen
Municipality
Roermond
Province
Limburg
Country
Netherlands
Coordinates
51.22114, 6.03564
Part of complex
339643
Monument number
339684

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries

3 historical maps cover this location, the earliest the 1709 map "6. Carte particuliere des environs de Roermonde, Venlo, le Marais de Peel, &c. 1709." (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

TUIN- EN PARKAANLEG, bestaande uit de volgende delen:

A. Het in zijn tegenwoordige vorm van voor 1774, maar mogelijkerwijze nog uit de 17e eeuw daterende en met zijn ook het hoofdgebouw omspoelende omgrachting tesamen min of meer een rechthoek vormende centrale kasteelterrein, waarvan de inrichting vanaf 1909 vrij naar het 18e-eeuwse voorbeeld is gereconstrueerd met een tuinencomplex en een park.

B. Een tussen de bovengenoemde omgrachting en de Hillenraederlaan (zie C.) liggende, zich van zuid-west naar noord-oost uitstrekkende terreinstrook, waarover ongeveer in het midden de korte oprijlaan loopt, en een ten zuid-westen in een rechte hoek bij genoemde terreinstrook aansluitende, als een eiland binnen een zijarm van de buitengracht liggende terreinstrook, op welke beide stroken gronds vanaf 1909 een buitenpark in landschapsstijl is aangelegd.

C. Het rechte, ten noorden van het onder B. vermelde terrein lopende gedeelte van de openbare weg genaamd de Hillenraederlaan.

D. Een ten zuidwesten van de omgrachting en de parallel daarmee lopende Eppenbeek gelegen, smalle strook gronds, de Dam genaamd.

E. Het zich ten noordoosten van de omgrachting tot aan de onder F. te noemen laan uitstrekkende terrein, de Tichelkamp genaamd.

F. Een omstreeks 1910 aangelegde, in een rechte hoek van de Hillenraederlaan (zie C.) aftakkende laan, die de bovengenoemde Tichelkamp begrenst.

G. Een smalle strook gronds langs de zuidelijke buitenoever van de omgrachting.

Het terrein, waarvan de grens op de bijbehorende kadastrale kaart is aangegeven, bevat de volgende elementen van historische aanleg, die in de volgorde van de hierboven genoemde delen van de tuin- en parkaanleg worden opgesomd.

DEEL A:Het centrale kasteelterrein bevat de volgende onderdelen:

A.I. Het grachtenstelsel dat dit terrein omgeeft en uit de volgende elementen bestaat:a. De buitengracht, die aan drie zijden van het omsloten terrein van gelijke breedte is, maar zich aan de westelijke zijde naar het noorden toe geleidelijk verbreedt, in het breedste gedeelte van een in aanleg met bomen beplant eilandje is voorzien en in de noord-westhoek deel uitmaakt van de omgrachting van het hoofdgebouw. Aan de zijde waar het onder A.II. sub a vermelde voorpleintje voor de kapel aan de gracht grenst, wordt deze laatste geflankeerd door een bakstenen walmuur. Over de noordelijke arm van de buitengracht ligt een bakstenen vierboogsbrug van de oprijlaan naar de toegangspoort in de noordelijke vleugel van de onder A.II. vermelde bijgebouwen; op de zuidwestelijke hoek van de gracht staat een stuw met bakstenen muurtjes die verbinding geeft met de Eppenbeek (zie A.I.d.).

b. De binnengracht, die het hoofdgebouw aan de oostelijke en zuidelijke zijden omgeeft en in de buitengracht overgaat. Over de binnengracht ligt een bakstenen vijfboogsbrug van het voorplein naar het hoofdgebouw. Aan de zijde van het voorplein wordt de gracht geflankeerd door een bakstenen walmuur.

c. Een zijarm van de buitengracht, die in het noorden en zuiden van deze laatste aftakt en die met het tussen deze punten liggende deel van de buitengracht het zuidwestelijke deel van het onder B. te omschrijven terrein omsluit.

d. Ten zuiden van de stuw (zie A.I.a.) een klein deel van de langs de westgrens van het terrein stromende Eppenbeek, voorzover dit binnen de grenzen van het beschermde terrein is gelegen.

A.II. Het frontaal tegenover het hoofdgebouw gelegen, zich in de richting van dit laatste verbredende voorterrein (17e eeuw, enigszins gewijzigd 1e kwart 20e eeuw). Dit omvat de volgende elementen:a. Het aan de van het hoofdgebouw afgekeerde zijden, door drie vleugels van de bijgebouwen omgeven voorplein, dat sinds de inkorting van de noordelijke en zuidelijke van deze vleugels bij hun herbouw resp. restauratie omstreeks 1920 twee zijruimten bezit: in het noorden een pleintje voor de als kapel ingerichte noordelijke vleugel en in het zuiden het begin van het toegangspad naar de tuinen langs de zuidelijke vleugel.

Aan of op het voorplein bevinden zich de volgende gebouwde objecten:

a.1. bakstenen borstweringen op de walmuren van de gracht aan de open zijde.

a.2. Een met de hierboven genoemde borstweringen corresponderend muurtje ter afscheiding van het pleintje voor de kapel van het voorplein. Op dit muurtje is een beeldhouwwerk geplaatst, een fruitmand voorstellend (in bruikleen; behoort niet tot Hillenraad).

a.3. De symbolische afsluiting van de toegang naar de tuinen, bestaande uit twee bakstenen, door natuurstenen afdekkingen met knoppen bekroonde pijlers, verbonden door een smeedijzeren sierstuk met de wapens Wolff Metternich en Schall-Riaucour.

a.4. De in oorsprong uit de 17e eeuw daterende drie vleugels van de bijgebouwen, waarvan de noordelijke in 1922 in de oorspronkelijke stijl, maar iets ingekort, is herbouwd met gebruikmaking van de oorspronkelijke poortomlijsting, die bij die gelegenheid een nieuw fronton kreeg met daarin geschilderd de wapens Wolff Metternich en Schall-Riaucour; de oostelijke en zuidelijke vleugel zijn in dezelfde tijd gerestaureerd en - wat de laatste betreft - ingekort.

b. Het achter de oostelijke vleugel van de bijgebouwen gelegen achtererf dat de volgende gebouwde objecten bevat:b.1. Een bakstenen tuinmuur aan de zijde van de moestuin (A.IV), waarin een doorgang tussen door natuurstenen bollen bekroonde pijlers.

b.2. Een bij de bijgebouwen (zie A.II.a.4.) aansluitend bakstenen bedrijfsgebouwtje onder lessenaarsdak.

c. Een driehoekige strook grond tussen de zuidelijke vleugel van de bijgebouwen en het rechthoekige tuinen- en parkcomplex ten zuiden hiervan.

Dit terrein, dat deel uitmaakt van het voorterrein maar programmatisch en ruimtelijk tot de tuinen behoort, bevat naast twee tuintjes, waarvan de westelijke in aanleg aan twee zijden wordt omgeven door een haag van haagbeuk (Carpinus betulus), de voortzetting van het pad tussen het voorplein en de siertuin (A.II.a.), geflankeerd door twee bij de pijlers van de toegangsboog (zie A.II.a.3.) aansluitende natuurstenen balustrades; op het uiteinde van de westelijke hiervan is een natuurstenen zittende gehelmde leeuw opgesteld met het wapen Wolff Metternich.

A.III. De grote siertuin, een in het noorden en zuiden door paden begrensde rechthoek die de westelijke helft van het tuinencomplex in beslag neemt en de volgende elementen van historische aanleg bevat:a. Het centrale gedeelte, in vier vakken verdeeld door een padenkruis dat op het snijpunt van de diagonalen een rotonde vormt om een ronde gemetselde waterkom met fontein. Het noord-zuid lopende pad ligt in de as van het toegangspad van het voorplein (zie A.II.c.) in het noorden en de centrale laan van het westelijke deel van het park (zie A.V.a.) in het zuiden; het oost-west lopende pad ligt in de as van het onder A.IV.sub c vermelde tuinhuis. Dit padenkruis is gereconstrueerd naar de toestand in 1774. De genoemde vier vakken zijn aangelegd als grasvelden met langs de paden rechthoekige rozenperken, afgewisseld door buxuspyramiden (Buxus sempervirens) en in de middelpunten ronde rozenperken, geaccentueerd door plantenvazen.

b. Langs de westelijke rand van het centrale gedeelte loopt een als graspad aangelegd pad, gevat tussen twee hoge hagen van haagbeuk (Carpinus betulus), waarvan de binnenste in het midden wordt onderbroken door de uitmonding van het oost-west lopende pad van het sub a vermelde padenkruis.

In het noorden en zuiden mondt het grasveld uit op de noordelijke en zuidelijke grenspaden van de tuin. Het pad zet zich voort in de westelijke laan van het westelijke deel van het park (zie A.V.a.).

c. Op de als grastalud aangelegde oever van de westelijke arm van de buitengracht staat in aanleg in de as van het sub a vermelde, oost-west gerichte pad van het padenkruis een groep berken (genus Betula).

d. Op de oever van de zuidelijke arm van de binnengracht is het talud in aanleg beplant met laurierkers (Prunus lauroceresus) en langs het noordelijke grenspad in aanleg een haag van haagbeuk (Carpinus betulus) aangebracht.

A.IV. Het noordelijke deel van de vroegere moestuin, dat de oostelijke helft van het tuinencomplex in beslag neemt, bij de her-aanleg na 1909 verdeeld in een westelijke en een oostelijke strook, gevat tussen paden waarvan de noord-zuid lopende corresponderen met lanen van het sterrebos (A.V.b.) en de oost-west lopende in het verlengde liggen van de grenspaden van de grote siertuinen (A.III.).

De oostelijke strook heeft de bestemming van moestuin behouden, terwijl de westelijke in drie vakken is verdeeld, een middenvak rondom het uit het tweede kwart van de 18e eeuw daterende tuinhuis, geflankeerd door een siertuin in het noorden en een ook als moestuin aangelegd vak in het zuiden.

a. Een stelsel van taxushagen (Taxus baccata), dat langs het noordelijke en zuidelijke vak de afscheiding vormt van de grote siertuin (A.III) en verder de ruimte om het tuinhuis en de daarachter gelegen tennisbaan omsluit.

b. Rijen leilinden (genus Tilia) langs de westelijke en noordelijke rand van het zuidelijke vak, langs de haag achter het tennisveld (zie A.IV.f.) en te weerszijden van het dwarspad over de moestuin in de as van het tuinhuis (A.IV.c. en f.).

c. Een tuinhuis van baksteen met natuurstenen onderdelen, gedekt door een schilddak (2e helft 18e eeuw), oorspronkelijk slechts op de grote siertuin (A.III.) gericht en aan die zijden van deur en vensters voorzien, maar sinds de aanleg van het tennisveld (A.IV.f.) ook hierop gericht en daartoe ook in de achtergevel van (beglaasde) deuren voorzien.

d. In de voor het hierboven genoemde tuinhuis aangelegde, naar de zijde van de grote siertuin (A.III.) geopende ruimte twee vierkante, door bollen bekroonde, van ornament in Lodewijk XIV-stijl voorziene, natuurstenen palen.

e. Te weerszijden van het tuinhuis is achter de taxushagen (A.IV.a.) in aanleg een plataan (genus Platanus) geplant.

f. Achter het tuinhuis een door taxushagen (A.IV.a.) omgeven rechthoekige ruimte, aangelegd als tennisveld (N.B. Thans is deze ruimte niet meer als zodanig in gebruik en als grasveld aangelegd).

g. Twee noord-zuid gerichte paden midden over de vakken te weerszijden van het tuinhuis (A.IV.c.) en drie oost-west gerichte paden, waarvan twee langs de respectievelijke zuid- en noordranden van de noordelijke en zuidelijke vakken en een in de achteras van het tuinhuis over de oostelijke terreinstrook naar een brug over de oostelijke grachtarm.

A.V. Het park op het zuidelijk deel van het centrale kasteelterrein.

Van dit park is de westelijke helft ter breedte van de grote siertuin (A.III.) voor 1925 en de oostelijke helft ter breedte van de moestuin (A.IV.) na dat jaar op het zuidelijke deel van het oorspronkelijke moestuinterrein aangelegd. De compositie van het park wordt bepaald door een lanenstramien, bestaande uit vijf noord-zuid gerichte lanen in het verlengde van de vijf hoofdpaden van de sier- en moestuinen (A.III. en IV.), aan hun noordelijk uiteinde verbonden door een enkele rij bomen langs het zuidelijke dwarspad van genoemde tuinen en aan hun zuidelijke uiteinde door een dwarslaan, en, ter completering van de oostelijke helft tot een sterrebos in herinnering aan het in 1774 op de linkerhelft gelegen sterrebos, twee diagonale lanen.

De aanleg van de respectievelijke parkhelften wordt achtereenvolgens onder a en b nader omschreven.

a. In de westelijke helft zijn de drie noord-zuid gerichte lanen in aanleg beplant met alternerende paren bruine beuken (Fagus sylvatica "Atropunicea") en paardekastanjes (Aesculus hippocastanum); hiervan maakt het noordelijkste paar (beuken) deel uit van de noordelijke dwarse bomenrij en het zuidelijkste paar (kastanjes) van de noordelijke rij van de zuidelijke dwarslaan. De beplanting van genoemde dwarse bomenrij en zuidelijke dwarslaan is in aansluiting op die van de hoofdlanen in aanleg eveneens samengesteld uit paardekastanjes en beuken, waarvan de laatste echter van de gewone varieteit (Fagus sylvatica). Elk der twee in dit parkdeel door de lanen omsloten rechthoekige vakken is aangelegd als grasveld waarop twee groepen rhododendrons. Op het talud naar de zuidelijke grachtarm in het verlengde van de middenlaan, die correspondeert met het middenpad van de grote siertuin en zo de voornaamste gezichtsas van Hillenraad completeert, is op de oever een bordes met driezijdige sluiting aan de grachtzijde aangebracht, waarvan de bakstenen keermuren door balustrades worden bekroond. In het midden van dit bordes is een natuurstenen sokkel opgesteld; het bordes wordt in aanleg geflankeerd door twee linden (genus Tilia) (N.B. Van de tot genoemde lanen behorende (bruine) beuken is het merendeel thans verwijderd; de linden te weerszijden van het bordes zijn thans niet aanwezig).

b. De lanen in de oostelijke parkhelft zijn in aanleg uitsluitend met beuken (Fagus sylvatica) beplant, waarbij als westelijke afsluiting wegens de eerdere aanwezigheid van de oostelijke laan van het sub a omschreven parkdeel slechts een rij tegen de parallel aan genoemde laan is aangelegd. Aan de kruising van de centrale en diagonale lanen is de vorm gegeven van een rotonde, in welker centrum een natuurstenen sokkel is opgesteld; ter hoogte van deze rotonde is in ieder van de grote driehoekige vakken van het sterrebos in aanleg een tamme kastanje (Castanea sativa) geplant. Op de hoek waar de zuidelijke en oostelijke randlanen van dit parkdeel elkaar ontmoeten is op de grachtoever een rond "bastion" aangelegd waarop een cirkelvormige bomenrij in aanleg de verbinding vormt tussen de buitenste rijen van genoemde lanen.

DEEL B:De noordelijke en westelijke randterreinen bevatten de volgende onderdelen:

B.I. De tot het in 1774 aanwezige aanleg behorende oprijlaan tussen de Hillenraederlaan (C.) en de toegangsbrug over de gracht (zie A.I.a.), in aanleg beplant met zes linden (genus Tilia) aan iedere zijde. In de hoeken tussen de oprijlaan en de gracht enerzijds en de Hillenraederlaan anderzijds is na 1909 een aanleg van twee vakken laurierkers (Prunus laurocerasus) met concave buitenranden aangebracht.

B.II. Het buitenpark in landschapsstijl (na 1909 begonnen, later op onderdelen, maar niet in de geest gewijzigd) vertoont de aanleg van een grasveld, bezet met los gegroepeerde loof- en naaldbomen en heesters van velerlei soort, waartussen een slingerend pad, dat via een bruggetje over de onder A.I.sub c vermelde zijarm van de buitengracht beide terreindelen verbindt en via een tweede bruggetje over genoemde gracht aansluiting geeft op het pad over de Dam (zie D.).

DEEL C:Het binnen de grenzen van het beschermde terrein gelegen gedeelte van de Hillenraederlaan is in aanleg beplant met twee rijen linden (genus Tilia) in driehoeksverband.

DEEL D:De Dam is na 1909 in aansluiting bij de onder B.II. omschreven parkaanleg voorzien van een dichte beplanting van loof- en naaldbomen van velerlei soort, waartussen een pad slingert dat de verbinding vormt tussen de onder B.II. en G. vermelde paden.

DEEL E:De Tichelkamp bevat geen onderdelen van historische tuin- of parkaanleg.

DEEL F:De langs de Tichelkamp gelegen laan is in 1910 in aanleg beplant met twee rijen beuken (Fagus sylvatica) in driehoeksverband.

DEEL G:Op de zuidelijke oever van de buitengracht is na 1909 in aanleg een doorlopende beplanting van rhododendrons aangebracht, waarachter een pad loopt dat aansluit bij het pad over de Dam (zie D.).

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

GARDEN AND PARK LAYOUT, consisting of the following parts:

A. The central castle grounds in their present form dating from before 1774, but possibly originating from the 17th century and together with its moat-encircled configuration also encompassing the main building, forming more or less a rectangle, the layout of which has been reconstructed from 1909 onwards fairly according to the 18th-century example with a garden complex and a park.

B. A strip of land lying between the aforementioned moat and the Hillenraederlaan (see C.), extending from south-west to north-east, over which runs approximately in the middle a short access drive, and a strip of land adjoining at a right angle to said terrain strip in the south-west, situated as an island within a side-arm of the outer moat, on which both strips of land a park in landscape style has been laid out from 1909 onwards.

C. The straight section of the public road called the Hillenraederlaan running north of the terrain mentioned under B.

D. A narrow strip of land lying to the south-west of the moat and the Eppenbeek running parallel to it, named the Dam.

E. The terrain extending north-east of the moat to the lane to be named under F., called the Tichelkamp.

F. A lane laid out around 1910, branching off at a right angle from the Hillenraederlaan (see C.), which borders the aforementioned Tichelkamp.

G. A narrow strip of land along the southern outer bank of the moat.

The terrain, the boundary of which is indicated on the attached cadastral map, contains the following elements of historical layout, which are enumerated in the order of the parts of the garden and park layout mentioned above.

PART A: The central castle grounds contain the following components:

A.I. The moat system which surrounds this terrain and consists of the following elements:

a. The outer moat, which is of equal width on three sides of the enclosed terrain, but widens gradually towards the north on the western side, in the widest section is provided with an islet planted with trees in its layout and in the north-west corner forms part of the moat surrounding the main building. On the side where the forecourt mentioned under A.II. sub a for the chapel borders the moat, the latter is flanked by a brick retaining wall. Over the northern arm of the outer moat runs a brick four-arch bridge from the access drive to the access gate in the northern wing of the outbuildings mentioned under A.II.; on the south-western corner of the moat stands a weir with brick walls providing connection with the Eppenbeek (see A.I.d.).

b. The inner moat, which surrounds the main building on the eastern and southern sides and merges into the outer moat. Over the inner moat runs a brick five-arch bridge from the forecourt to the main building. On the side of the forecourt the moat is flanked by a brick retaining wall.

c. A side-arm of the outer moat, which branches off from the latter in the north and south and which together with the section of the outer moat lying between these points encloses the south-western part of the terrain to be described under B.

d. South of the weir (see A.I.a.) a small section of the Eppenbeek flowing along the western boundary of the terrain, insofar as it lies within the boundaries of the protected terrain.

A.II. The forecourt situated frontally opposite the main building, widening in the direction of the latter (17th century, somewhat modified first quarter of 20th century). This comprises the following elements:

a. The forecourt surrounded on the sides facing away from the main building by three wings of outbuildings, which since the shortening of the northern and southern of these wings during their rebuilding and restoration respectively around 1920 has two side spaces: in the north a courtyard for the northern wing arranged as a chapel and in the south the beginning of the access path to the gardens along the southern wing.

The following built structures are situated on or at the forecourt:

a.1. Brick parapets on the retaining walls of the moat on the open side.

a.2. A wall corresponding to the aforementioned parapets serving to separate the courtyard for the chapel from the forecourt. A sculptural work is placed on this wall, representing a fruit basket (on loan; does not belong to Hillenraad).

a.3. The symbolic closure of the access to the gardens, consisting of two brick pillars crowned with stone capping stones with knobs, connected by a wrought-iron decorative piece with the arms of Wolff Metternich and Schall-Riaucour.

a.4. The three wings of the outbuildings, originally dating from the 17th century, of which the northern was rebuilt in 1922 in the original style, but somewhat shortened, using the original door surround, which on that occasion received a new pediment with the arms of Wolff Metternich and Schall-Riaucour painted therein; the eastern and southern wings were restored at the same time and – as regards the latter – shortened.

b. The back-yard situated behind the eastern wing of the outbuildings containing the following built structures:

b.1. A brick garden wall on the side of the vegetable garden (A.IV), in which a passage between pillars crowned with stone balls.

b.2. A brick utility building adjoining the outbuildings (see A.II.a.4.) under a lean-to roof.

c. A triangular strip of land between the southern wing of the outbuildings and the rectangular garden and park complex to the south of it.

This terrain, which forms part of the forecourt but programmatically and spatially belongs to the gardens, contains besides two small gardens, of which the western in layout is surrounded on two sides by a hedge of hornbeam (Carpinus betulus), the continuation of the path between the forecourt and the ornamental garden (A.II.a.), flanked by two stone balustrades adjoining the pillars of the access arch (see A.II.a.3.); on the end of the western one of these a stone seated helmeted lion is placed with the arm of Wolff Metternich.

A.III. The large ornamental garden, a rectangle bounded on the north and south by paths, occupying the western half of the garden complex and containing the following elements of historical layout:

a. The central section, divided into four sections by a path cross which at the intersection of the diagonals forms a rotunda around a round brick water basin with fountain. The north-south running path lies on the axis of the access path from the forecourt (see A.II.c.) in the north and the central avenue of the western part of the park (see A.V.a.) in the south; the east-west running path lies on the axis of the garden house mentioned under A.IV.sub c. This path cross has been reconstructed according to the state in 1774. The aforementioned four sections are laid out as lawns with rectangular rose beds along the paths, alternated by box pyramids (Buxus sempervirens) and in the focal points round rose beds, accentuated by plant vases.

b. Along the western edge of the central section runs a path laid out as a grass path, held between two tall hedges of hornbeam (Carpinus betulus), the inner of which is interrupted in the middle by the outlet of the east-west running path of the path cross mentioned under sub a.

In the north and south the grassland opens onto the northern and southern boundary paths of the garden. The path continues into the western avenue of the western part of the park (see A.V.a.).

c. On the outer bank laid out as a grass slope of the western arm of the outer moat stands in layout on the axis of the aforementioned east-west directed path of the path cross a group of birches (genus Betula).

d. On the bank of the southern arm of the inner moat the slope is planted in layout with cherry laurel (Prunus laurocerasus) and along the northern boundary path in layout a hedge of hornbeam (Carpinus betulus) is provided.

A.IV. The northern part of the former vegetable garden, occupying the eastern half of the garden complex, divided at the re-layout after 1909 into a western and an eastern strip, held between paths of which the north-south running correspond with avenues of the star-wood (A.V.b.) and the east-west running lie in the extension of the boundary paths of the large ornamental gardens (A.III.).

The eastern strip has retained the designation of vegetable garden, whilst the western has been divided into three sections, a central section around the garden house dating from the second quarter of the 18th century, flanked by an ornamental garden in the north and a section also laid out as a vegetable garden in the south.

a. A system of yew hedges (Taxus baccata), which along the northern and southern section forms the boundary from the large ornamental garden (A.III) and further encloses the space around the garden house and the tennis court lying behind it.

b. Rows of weeping limes (genus Tilia) along the western and northern edge of the southern section, along the hedge behind the tennis court (see A.IV.f.) and on either side of the cross-path over the vegetable garden on the axis of the garden house (A.IV.c. and f.).

c. A garden house of brick with stone components, covered by a hipped roof (second half of 18th century), originally only facing the large ornamental garden (A.III.) and provided on those sides with doors and windows, but since the laying out of the tennis court (A.IV.f.) also facing onto it and for that purpose also provided in the rear gable with (glazed) doors.

d. In the space laid out in front of the aforementioned garden house, opened towards the side of the large ornamental garden (A.III.), two square stone pillars crowned with balls, provided with ornament in Louis XIV style.

e. On either side of the garden house is behind the yew hedges (A.IV.a.) in layout a plane tree (genus Platanus) planted.

f. Behind the garden house a rectangular space surrounded by yew hedges (A.IV.a.), laid out as a tennis court (N.B. At present this space is no longer used as such and is laid out as a grassland).

g. Two north-south directed paths in the middle over the sections on either side of the garden house (A.IV.c.) and three east-west directed paths, of which two along the respective southern and northern edges of the northern and southern sections and one on the rear axis of the garden house over the eastern terrain strip towards a bridge over the eastern moat arm.

A.V. The park on the southern part of the central castle grounds.

Of this park the western half to the width of the large ornamental garden (A.III.) was laid out before 1925 and the eastern half to the width of the vegetable garden (A.IV.) after that year on the southern part of the original vegetable garden terrain. The composition of the park is determined by an avenue framework, consisting of five north-south directed avenues in the extension of the five main paths of the ornamental and vegetable gardens (A.III. and IV.), connected at their northern end by a single row of trees along the southern cross-path of said gardens and at their southern end by a cross avenue, and, to complete the eastern half into a star-wood in remembrance of the star-wood which in 1774 lay on the left half, two diagonal avenues.

The layout of the respective park halves is described in more detail successively under a and b.

a. In the western half the three north-south directed avenues are planted in layout with alternating pairs of copper beeches (Fagus sylvatica "Atropunicea") and horse chestnuts (Aesculus hippocastanum); of these the northernmost pair (beeches) forms part of the northern cross row of trees and the southernmost pair (chestnuts) of the northern row of the southern cross avenue. The planting of said cross row of trees and southern cross avenue is in connection with that of the main avenues also composed in layout of horse chestnuts and beeches, the latter however of the common variety (Fagus sylvatica). Each of the two rectangular sections enclosed by the avenues in this park part is laid out as a grassland on which two groups of rhododendrons. On the slope towards the southern moat arm in the extension of the middle avenue, which corresponds with the middle path of the large ornamental garden and thus completes the principal vista axis of Hillenraad, a terrace with three-sided closure on the moat side is provided on the bank, of which the brick retaining walls are crowned by balustrades. In the middle of this terrace a stone pedestal is placed; the terrace is flanked in layout by two limes (genus Tilia) (N.B. Most of the (copper) beeches belonging to the aforementioned avenues have now been removed; the limes on either side of the terrace are now absent).

b. The avenues in the eastern park half are planted in layout exclusively with beeches (Fagus sylvatica), with as western closure due to the earlier presence of the eastern avenue of the part described under sub a only a row placed against the line parallel to said avenue. At the intersection of the central and diagonal avenues the form of a rotunda is created, in the centre of which a stone pedestal is placed; at the height of this rotunda in each of the large triangular sections of the star-wood in layout a sweet chestnut (Castanea sativa) is planted. At the corner where the southern and eastern boundary avenues of this park part meet each other on the moat bank a round "bastion" is laid out on which a circular row of trees in layout forms the connection between the outermost rows of said avenues.

PART B: The northern and western border terrains contain the following components:

B.I. The access drive belonging to the layout existing in 1774 between the Hillenraederlaan (C.) and the access bridge over the moat (see A.I.a.), planted in layout with six limes (genus Tilia) on each side. In the corners between the access drive and the moat on the one hand and the Hillenraederlaan on the other hand, after 1909 a layout of two sections of cherry laurel (Prunus laurocerasus) with concave outer edges is provided.

B.II. The park in landscape style (begun after 1909, later modified in parts, but not in spirit) shows the layout of a grassland, planted with loosely grouped deciduous and coniferous trees and shrubs of various kinds, among which a winding path, which via a small bridge over the side-arm of the outer moat mentioned under A.I.sub c connects both terrain parts and via a second small bridge over said moat provides connection to the path over the Dam (see D.).

PART C: The section of the Hillenraederlaan lying within the boundaries of the protected terrain is planted in layout with two rows of limes (genus Tilia) in triangular arrangement.

PART D: The Dam is after 1909 in connection with the park layout described under B.II. provided with a dense planting of deciduous and coniferous trees of various kinds, among which a path winds that forms the connection between the paths mentioned under B.II. and G.

PART E: The Tichelkamp contains no components of historical garden or park layout.

PART F: The avenue along the Tichelkamp is planted in layout in 1910 with two rows of beeches (Fagus sylvatica) in triangular arrangement.

PART G: On the southern bank of the outer moat a continuous planting of rhododendrons is provided in layout after 1909, behind which runs a path that connects with the path over the Dam (see D.).

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map