TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Historische aanleg, Elswoutslaan bij 20

Overveen, Noord-Holland, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Tuin, park en plantsoen
Function
Historische aanleg
Category
onroerend gebouwd
Address
Elswoutslaan bij 20, 2051 AE Overveen (Bloemendaal,Haarlem 27)
Place
Overveen
Municipality
Bloemendaal,Haarlem
Province
Noord-Holland
Country
Netherlands
Coordinates
52.37989, 4.59581
Part of complex
339207
Monument number
339227

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries

5 historical maps cover this location, the earliest the 1750 map "Composite: Sheets 1 to 40 Carte De Hollande Et D'utrecht" (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

PARKAANLEG. Groot park van uitzonderlijk karakter, ontleend aan de omstandigheid dat de buitenplaats Elswout, tegen het midden van de 17e eeuw op woest duinterrein gesticht, in de loop van de volgende twee eeuwen in fasen is aangelegd in een door de opeenvolgende eigenaren tevoren allengs als zanderij geëxploiteerd gebied, zodat het een onregelmatige vorm en grote, abrupte hoogteverschillen vertoont en zijn herkomst uit een zanderij zowel in het oudste, ondanks latere veranderingen nog sterk door het oorspronkelijke formele stramien beheerste deel als in de jongere, niet overal even grondig door een aanleg in landschapsstijl aangeraakte delen hier en daar duidelijk zichtbaar is gebleven. De opeenvolgende fasen van aanleg - eerste opzet van huis en directe omgeving 1634-1654; voltooiing van het huis, algehele omwerking van de omgeving en aanleg van een kruisvormig park tussen 1654 en het begin van de 18e eeuw (waarschijnlijk niet geheel voltooid); modernisering van onderdelen omstreeks 1740; uitbreiding van het park in noordelijke richting met gelijktijdige wijziging van het oudere deel, het een en ander in landschapsstijl tussen 1781 en 1794 tot stand gebracht door J.G. Michael; verdere uitbreiding in noordelijke richting tussen 1805 en omstreeks 1840, vermoedelijk door J.D. Zocher sr. en jr.; aanzet tot verandering tussen 1881 en 1884, voornamelijk tot stand gekomen wat de gebouwen betreft - hebben de hieronder omschreven compositie tot resultaat. PARKDEEL A Het oorspronkelijke park in de vorm van een latijns kruis, waarvan het hoofdgebouw het kruispunt vormt. Dit deel van het tegenwoordige park is op de rechthoekige heuvel waarop het hoofdgebouw staat na geheel vlak afgegraven. Van de vier kruisarmen bestaat de lange, oostelijke arm, die zich tot de Elswoutslaan uitstrekt, uit drie door lanen gescheiden stroken en, parallel hiermee en ten zuiden daarvan, de van het poortgebouw aan de Elswoutslaan uitgaande oprijlaan; de zuidelijke kruisarm vernauwd zich in twee door de taluds van het omringende duinterrein (parkdeel C) aangegeven trappen om een van het hoofdgebouw via het nu verdwenen tweede poortgebouw en de zogenaamde Monsterlaan in zuidelijke richting uitgaande en zich ook op het hoge terreinniveau van de "Kamp" (parkdeel C) voortzettende gezichtsas; de noordelijke kruisarm, bedoeld als pendant van de zuidelijke, maar vermoedelijk nooit geheel voltooid, beslaat het huidige zogenaamde "Kleine Stuk" (zie A.XXIII.), een tijdens de eerste verandering in landschapsstijl als een door bossen omsloten weide aangelegd terrein, waarvan de oorspronkelijke vorm met trapsgewijze vernauwingen overeenkomstig die van de zuidelijke kruisarm zich nog aftekent en waarover een van het hoofdgebouw in noordelijke richting uitgaande, in de als "Zwitsers" bedoelde kloof (parkdeel B) uitmondende gezichtsas leidt; de westelijke kruisarm, een oorspronkelijk dwarsrechthoekig, door een vijver van de heuvel met het hoofdgebouw gescheiden terrein, wordt sinds de eerste verandering in landschapsstijl in beslag genomen door het zogenaamde "Grote Stuk" (zie A.XIX.), een met geboomte aangeklede weide. PARKDEEL B De tussen 1781 en 1794 ten noorden van parkdeel A op een ten dele afgezand terrein in landschapsstijl aangelegde uitbreiding, gelegen tussen de Elswoutslaan in het oosten, de in parkdeel C te omschrijven zogenaamde "Kamp" in het zuiden en westen en de hoogten aan de overzijde van de Zanderijvaarten (zie B.IV.a./b.) in het noorden. Van dit terrein is het zuidelijke deel grotendeels afgegraven, terwijl het noordelijke deel nog plateaus op het oorspronkelijke duinniveau bevat, wier randen over grote lengten de oude rechte zanderijtaluds vertonen. Het thans grotendeels beboste terrein is herhaaldelijk in aanleg gewijzigd en bevat slechts weinig nader te specificeren elementen van historische parkaanleg, waaronder echter een der belangrijkste van het park, het dal en de kloof van Zwitsers bedoeld karakter; de samenhang met parkdeel A wordt voornamelijk gevormd door de uit het hoofdgebouw hierheen leidende gezichtsas. PARKDEEL C Op het oorspronkelijke duinniveau ligt als een schil om de hierboven omschreven parkdelen en de zuidwestelijke punt van parkdeel D de zogenaamde "Kamp", het buiten de afzandingen gebleven terrein binnen de om Elswout heen lopende Zijweg en Duinlustweg. In de zuidoostelijke hoek van de Kamp liggen de ijskelder en de boerderij. Behalve door de bouw van deze laatste in de jaren na 1880 heeft de in aanleg met hakhout beplante Kamp geen wezenlijke veranderingen ondergaan. PARKDEEL D Ten noorden van parkdeel B ligt het jongste deel van het park (ontstaan omstreeks 1840), bestaande uit een oost-west gericht, wijd, door afzanding tot stand gekomen dal, het zogenaamde "Klaverstuk", een weiland dat zich van de Duinlustweg tot de Elswoutslaan uitstrekt, geflankeerd door in aanleg grotendeels beboste, ten dele uit hoogten op het oorspronkelijke duinniveau bestaande terreinen, waarvan het noordelijke het Hoge Eiland is genaamd; ten noorden en zuiden van dit laatste strekken zich nog stroken afgegraven terrein tot respectievelijk de Duinlustweg en de Elswoutslaan uit, die grotendeels utilitaire doeleinden dienen. De noordelijke punt van het terrein tussen de Duinlustweg en de Elswoutslaan wordt ingenomen door de met Elswout een onverbrekelijk geheel vormende, uit een boerderij ontwikkelde kleine buitenplaats Elswoutshoek. Het park bevat de volgende elementen van historische aanleg, waarvan de omschrijving de hiervoor aangegeven indeling van de compositie (parkdelen A, B, C en D) en wat parkdeel A betreft de volgorde van de terreinexpansie volgt. (In parkdeel A begint deze daarom bij het oudste gedeelte, de heuvel met het hoofdgebouw). In parkdeel A:A.I. De heuvel waarop het hoofdgebouw staat, ontstaan door afgraving van het omringende terrein in de jaren vanaf 1634 en sinds de omvorming in landschapsstijl van natuurlijke glooiingen voorzien. De zich in zuid-noord richting uitstrekkende heuvel bevat de volgende elementen: a. het voorplein ten zuiden van het hoofdgebouw, gevat binnen uit de glooiingen van de heuvel oprijzende keermuren, die aansluiten bij die van het noordelijke bruggehoofd van de toegangsbrug (zie A.II.) en op de zuid-westelijke en zuid-oostelijke hoeken ronde "bastionnetjes" omsluiten (huidige vorm kort na 1880). b. het plateau waarop het hoofdgebouw staat wordt in het westen en oosten afgesloten door tegelijk met het huis gebouwde terrassen-stelsels. De westelijke terrassen geven via trappen toegang tot een door het middelste terras overhuifde haven die met de Grote Vijver (zie A.VII.b.) in verbinding staat. c. vier bospartijen, aangelegd als omlijsting van de van het hoofdgebouw uitgaande zichtlijnen in de richtingen zuid, west, noord en oost. Zij bevatten in aanleg enkele bruine beuken (Fagus sylvatica "Atropunicea") als kleuraccenten. d. de ruimte tussen de noord-westelijke en noord-oostelijke bospartij is aangelegd als grasveld. A.II. De verbinding tussen het voorplein (zie A.I.a.) en de oprijlaan (zie A.XV.) wordt gevormd door een brug over de onder A.VII. sub a vermelde gracht, omstreeks 1806 gebouwd door B.W.H. Ziesenis en later enigszins gewijzigd. Deze brug, die wegens het niveauverschil tussen de oprijlaan en het voorplein een hellend wegdek heeft, bezit naar buiten buigende bruggehoofdmuren waarover de balustrades van de brug zicht voortzetten. A.III. De drie onder A.IV., A.V. en A.VI. te omschrijven stroken waaruit de oostelijke kruisarm van dit parkdeel bestaat worden gescheiden door twee lanen, ieder in aanleg beplant met twee rijen linden (genus Tilia) in vierkantsverband en daterend van voor de veranderingen in landschapsstijl, welke laatste op twee plaatsen inbreuk op deze lanen hebben gemaakt, n.l. door de bouw van de blokhut (zie A.V.c.) en door de aanleg van het beukenlaantje (zie A.VI.b.). A.IV. De noordelijke van bovengenoemde stroken is aangelegd als moestuin, waarvan de inrichting echter geen historisch patroon meer volgt. De moestuin bevat de volgende elementen van historische aanleg: a. de oranjerie, met zijn lange zijde geplaatst tegen de noordzijde van de moestuin. De oranjerie is in 1882/3 gebouwd naar ontwerp van C. Muysken in de vorm van een langgerekt gebouw in neo-renaissance vormen met gebogen daken en aan beide uiteinden halfcirkelvormige gietijzeren kassen. b. twee fragmenten van een tuinmuur, ten westen van de oranjerie langs de noordzijde van de moestuin staande. De stukken muur zijn van verschillende hoogte, samenstelling en ouderdom (in ieder geval meer dan 50 jaar). c. Een deel van het pad dat de oprijlaan (zie A.VI.) verbindt met parkdeel B (N.B. Dit pad is in aanleg begeleid geweest door een laanbeplanting, maar later westwaarts verlegd; delen van de laanbeplanting wijzen het oorspronkelijke beloop aan); A.V. De middelste strook van de oostelijke kruisarm is tussen 1812 en 1834 ingericht tot hertenkamp in de vorm van een weiland. De hertenkamp bevat de volgende elementen van historische aanleg: a. In het oostelijke deel een licht slingerende "beek", gegraven en verbinding vormend tussen de zuidelijke en oostelijke arm van de gracht om de oostelijke kruisarm (zie A.VII.a.). Ter hoogte van deze beek is het weiland in een lichte verhoging gelegd. b. Bij de noordelijke oever van bovengenoemde beek is in aanleg in 1834 ter herinnering aan de geboorte van Willem Borski III, zoon van de toenmalige eigenaar, een bruine beuk (Fagus sylvatica "Atropunicea") geplant. c. Een als hertenverblijf dienende blokhut, waarvan het achtergedeelte binnendringt in de noordelijke laan (zie A.III.). d. In de noord-oostelijke hoek een houten tuinhuis in klassicistisch gotiserende trant, gebouwd tussen 1812 en 1844. Het tuinhuis dringt aan de achterzijde binnen in de noordelijke laan (zie A.III.). e. Een deel van het pad dat de oprijlaan (zie A.XV.) verbindt met parkdeel B. Dit pad kruist de onder A.V. sub a vermelde beek bij haar uitmonding in de gracht om de oostelijke kruisarm (zie A.VII.a.). A.VI. De zuidelijke strook van de oostelijke kruisarm is wat het westelijke deel betreft aangelegd als boomgaard. De strook bevat overigens de volgende elementen van historische aanleg: a. Een deel van de onder A.V. sub a vermelde beek, in deze strook aangelegd als een rechte waterloop die het terrein in de dwarsrichting kruist. b. Een deel van het pad dat de oprijlaan (zie A.XV.) verbindt met parkdeel B. In de onderhavige strook wordt het pad in aanleg begeleid door een laanbeplanting van beuken (Fagus sylvatica). Deze doorbreekt de eerste aangelegde zuidelijke laan (zie A.III.). A.VII. Het centrale, uit de onder A.I. omschreven heuvel en de oostelijke kruisarm (zie A.IV, V. en VI.) bestaande terrein wordt grotendeels omgrensd door de volgende waterlopen en -partijen:a. In het zuiden, oosten en noorden door een gracht, die tot het oorspronkelijke stelsel van zanderijvaarten behoort. Hiervan is de zuidelijke arm voorbij de aftakking van het onder A.VI.sub a vermelde beekdeel gedempt; de oostelijke arm, die zich in het zuiden voortzet in de onder A.XI. te omschrijven gracht, is bij de aanleg van de sluis (zie A.IX.) met een knik achter deze sluis langs verlegd om bovenstrooms van genoemde sluis uit te monden; de noordelijke arm vormt voorbij de uitmonding van de oostelijke arm de verbinding met de langs de parkdelen B en D lopende vaart en, onder de Elswoutslaan (zie II. na de omschrijving van de parkdelen) door, met de Marcelisvaart richting Haarlem. b. In het westen en noordwesten door de Grote Vijver waarvan het westelijke deel bij de verandering in landschapsstijl uit een rechthoekige 17e-eeuwse vijver is vergraven en toen met de onder A.XXI. te omschrijven waterloop is verbonden en het noordelijke deel bij die gelegenheid is ontstaan door verbreding van het westelijke deel van de hierboven sub a vermelde noordelijke grachtarm, die sindsdien met de onder A.XXIV. te omschrijven waterloop is verbonden. A.VIII. In het noordelijk deel van de Grote Vijver (zie A.VII.b.) is een eiland aangelegd waarvan de beplanting in aanleg een bruine beuk (Fagus sylvatica "Atropunicea") bevat. A.IX. Een van bakstenen kademuren voorziene sluis, in de tweede helft van de 17e eeuw aangelegd in de noordelijke der onder A.VII. sub a vermelde grachtarmen. A.X. Een op de zuidelijke kade van de sluis (zie A.IX.) en evenwijdig daarmee staand sluiswachtershuis onder schilddak (2e helft 17e eeuw). A.XI. Het ten zuiden van het onder A.I. t/m A.X. omschreven centrale deel van het oorspronkelijke park liggende terrein, dat de oprijlaan en Monsterlaan (zie A.XVII.) bevat en aan de noordzijde wordt begrensd door de onder A.VII. sub a vermelde gracht, wordt aan de zuidzijde omgeven door een gracht die, in het oosten aansluitend bij de even genoemde gracht, de muren van het poortgebouw (zie A.XIV.) omspoeld, vervolgens naar het westen afslaat en bij de kruisarm de getrapte contouren hiervan volgt, waarbij de rechte grachtarmen hier voor 1812 volgens de principes van de landschapsstijl tot een slingerende "beek" zijn vergraven; in de as van de kruisarm verwijdt deze "beek" zich tot een in oorsprong omstreeks 1740 aangelegde vijver, waarvan de oorspronkelijke omtreklijnen in Lodewijk XIV-stijl eveneens in overeenstemming met de landschapsstijl zijn vergraven. In het westen sluit de "beek" aan bij de onder A.XXI. te omschrijven waterloop. A.XII. Vanaf de Elswoutslaan geeft een tot de oorspronkelijke aanleg behorende bakstenen boogbrug over de onder A.XI. omschreven gracht toegang tot het poortgebouw (zie A.XIV.) A.XIII. Ter markering van de oprit van de hierboven genoemde brug zijn in aanleg vier linden (genus Tilia) geplant, en wel twee aan twee te weerszijden van deze oprit. A.XIV. Aan het begin van de oprijlaan (zie A.XV.) staat het tot de oorspronkelijke aanleg behorende poortgebouw, waarvan de drie door schilddaken gedekte vleugels een voorpleintje omsluiten. Aan de oost- en zuidzijde rijst het poortgebouw op uit het water van de onder A.XI. omschreven gracht. A.XV. Bij het hierboven genoemde voorpleintje aansluitende oprijlaan. Deze is in oorsprong aangelegd met twee rijen bomen in driehoeksverband aan weerszijden, met onderbrekingen ter hoogte van de zuider kruisarm (N.B. De huidige aanleg vertoont slechts enkele rijen bomen en grotere plantafstanden). De zuidelijke laanbeplanting eindigt bij het oostelijke der twee stal- en koetshuizen (zie A.XVI.). Het voorbij deze dienstgebouwen nog bestaande deel van de oprijlaan is, na voor 1812 in de zin van de landschapsstijl in een bochtig verloop te zijn verlegd, waarschijnlijk kort na 1880 weer rechtgetrokken, waarbij een rechte laanbeplanting langs de noordzijde is aangelegd. Dit deel van de oprijlaan geeft sinds de veranderingen in landschapsstijl toegang tot de brug naar het Grote Stuk (zie A.XXII.). A.XVI. Ter hoogte van de brug naar het voorplein voor het hoofdgebouw (zie A.II.) staan in het verlengde van de zuidelijke bomenrij van de hierboven genoemde oprijlaan twee tot de oorspronkelijke aanleg uit de tweede helft van de 17e eeuw behorende, door schilddaken gedekte dienstgebouwen, oorspronkelijk dienende tot stal en koetshuis. Deze zijn met hun lange zijden naar de oprijlaan gekeerd en flankeren op symmetrische wijze de toegang tot de Monsterlaan (zie A.XVII.) in de zuidelijke gezichtsas van het hoofdgebouw. A.XVII. De Monsterlaan, die binnen de onder A.XI. vermelde "beek" de zuidelijke gezichtsas van het hoofdgebouw markeert. Deze laan, die zich van de stal- en koetshuizen (zie A.XVI.) tot de onder A.XI. vermelde vijver uitstrekt, is in aanleg voorzien van een laanbeplanting van beuken (Fagus sylvatica). A.XVIII. De zuidelijke kruisarm van het oorspronkelijke parkgedeelte bevat binnen de onder A.XI. vermelde "beek" nog de volgende elementen van historische aanleg: a. Een bomengroep in het verlengde van de oprijlaan (zie A.XV.)(N.B. De juiste historische omvang van deze bomengroep is niet bekend). b. Langs de binnenoever van de onder A.XI. vermelde "beek" te weerszijden van de gezichtsas van het hoofdgebouw een bospartij. A.XIX. De westelijke kruisarm van het oorspronkelijke park, in oorsprong een binnen grachten gevat sterrebos, bij de veranderingen in landschapsstijl voor 1812 door demping van delen van genoemde omgrachting en het bijtrekken van stukken land, o.a. een deel van de oprijlaan, vergroot en gewijzigd in een weiland, het Grote Stuk genaamd, in aanleg gestoffeerd met boomgroepen en solitairen, waartussen doorkijken van en naar het herenhuis leidden. Het Grote Stuk wordt in het oosten begrensd door de Grote Vijver (zie A.VII.b.), in het zuiden en westen door de onder A.XXI. te omschrijven waterloop en in het noorden door de bebossing van parkdeel B. A.XX. Bij de zuidwesthoek van het hierboven genoemde Grote Stuk ligt sinds de veranderingen in landschapsstijl van voor 1812 een lichte verhoging, die in de loop van de 19e eeuw in aanleg is beplant met een groep eiken (genus Quercus). A.XXI. Een waterloop, bij de veranderingen in landschapsstijl van voor 1812 gevormd uit het westelijke uiteinde van de onder A.XI. omschreven gracht, een verbinding tussen dit laatste en de Grote Vijver (zie A.VII.b.) en het tot een licht slingerende "beek" vergraven westelijke deel van de oorspronkelijke gracht om het Grote Stuk (zie A.XIX.) van welk laatste deze waterloop de zuidelijke en westelijke begrenzing vormt. In het noorden gaat de waterloop over in de zanderijvaart (zie B.IV.). A.XXII. De toegang tot het Grote Stuk (zie A.XIX) vanaf de oprijlaan wordt gevormd door een over het onder A.XXI. omschreven verbindingsstuk gelegde houten brug, die aan de zijde van het Grote Stuk door een hek is afgesloten. A.XXIII. De noordelijke kruisarm van het oorspronkelijke park tekent zich thans nog af in de vorm van een bij de veranderingen in landschapsstijl na 1781 aangelegd weiland, het Kleine Stuk genaamd, dat zich trapsgewijs naar het noorden vernauwd. Over dit weiland, dat in aanleg is gestoffeerd met bomen, waaronder een bruine beuk (Fagus sylvatica "Atropunicea"), leidt de noordelijke doorkijk in de as van het hoofdgebouw in de richting van de Kleine Vijver (zie B.V.a.) en Kleine Zwitserse Brug (zie B.V.a./c.). Het Kleine Stuk wordt in het zuiden en westen begrensd door de onder A.VII. en A.XXIV. omschreven, resp. te omschrijven waterlopen en in het oosten door de bebossing van parkdeel B. A.XXIV. Het westelijke deel van de oorspronkelijke omgrachting van de noorder kruisarm, bij de aanleg van parkdeel B tot slingerende waterloop vergraven om als "beek" de verbinding te vormen tussen de Kleine Vijver (zie B.V.a.) en de Grote Vijver (zie A.XVII.b.). De hier omschreven waterloop vormt de westelijke begrenzing van het Kleine Stuk (zie A.XXIII.) en sluit over zijn grootste lengte aan bij parkdeel B. A.XXV. De toegang vanuit parkdeel B tot het Kleine Stuk (zie A.XXIII.) wordt gevormd door de zgn. Platte Brug, een houten brug, die aan de zijde van het Kleine Stuk door een hek is afgesloten. A.XXVI. De zone die zich tussen het onder A.XI. en A.XXI. omschreven stelsel van waterlopen en het hoger gelegen parkdeel C (de Kamp) uitstrekt, is bij de verandering in landschapsstijl voorzien van een noch als open terrein, noch als bos te kenmerken, doorzichtige aanleg met een spaarzame, losse beplanting waaronder veel beuken (Fagus sylvatica). De zone omvat ook de taluds die de overgang vormen tussen de parkdelen A en C en die door hun regelmatigheid en - wat betreft de gedeelten aan de zuidzijde ook door hun rechte tracéring - hun afkomst uit een zanderij verraden en mede daardoor de sfeer van Elswout bepalen. In het zuiden wordt het talud onderbroken door de ijskelder. De zone, die zich in parkdeel B voortzet en daar verder wordt omschreven, bevat een wandeling in de vorm van een licht slingerend pad, waarvan het noordwaarts langs het meergemelde Grote Stuk lopende deel in aanleg wordt begeleid door een laanbeplanting. (N.B. Van deze laanbeplanting resten thans slechts fragmenten). A.XXVII. Van de hierboven vermelde wandeling takken in de zuidelijke kruisarm paden af die de onder A.XI. omschreven waterloop in het oosten en westen oversteken en zodoende toegang geven tot het terrein rondom de Monsterlaan (zie A.XVII.). Hiervan is het westelijke eerst na 1812 aangelegd; het leidt over de zgn. Pontjesbrug. In parkdeel B: B.I. De door afgraving gevormde dalen: langs de westelijke en noordelijke rand van het parkdeel, waar zij het grootste deel van de onder B.III. te omschrijven zone vormen, en twee ongeveer noord-zuid gerichte dalen die het hooggelegen gebied van het parkdeel in drie plateaus verdelen en waarvan het westelijke als Zwitscherse scene (zie B.V.) is gecomponeerd. B.II. De bebossing voorzover deze dient ter begrenzing van open ruimten (zie A.XIX. en XXII.) en de onder B.III. te omschrijven zone. B.III. Een zone die zich als voortzetting van de onder A.XXVI. omschreven zone langs de westelijke en noordelijke rand van het parkdeel uitstrekt en is voorzien van een noch als open terrein, noch als bos te kenmerken, doorzichtige aanleg met een spaarzame, losse beplanting waaronder veel beuken (Fagus sylvatica). De zone is in het zuiden langs de westzijde van de onder B.IV. sub a vermelde waterloop gelegen en vult verder het onder B.I. omschreven dal langs de rand van het parkdeel; zij omvat ook de taluds die de overgang vormen naar parkdeel C en naar de onder B.I. omschreven plateaus. Deze taluds zijn in het noordwesten gelaten in de strakke, regelmatige vorm die zij bij de afzanding hadden gekregen. B.IV. De hierboven omschreven zone wordt begeleid door de volgende waterlopen:a. Het gedeelte tot aan de uitmonding van de "Zwitserse scene" (zie B.V.) door een in zijn oorspronkelijke rechte vorm gelaten gedeelte van een zanderijvaart dat de verbinding vormt tussen de onder A.XXI. omschreven waterloop en de beek in de "Zwitserse scene". De vaart buigt evenals het dal waarvan zij deel uitmaakt met een scherpe knik in oostelijke richting af. b. Ten oosten van de uitmonding van de "Zwitserse scene" door een gedeelte van het stelsel van zanderijvaarten, behorende bij de reeds voor 1812 begonnen afgraving waarop omstreeks 1840 het parkdeel D tot stand zou komen. Deze waterloop zet zich in het westen voort in parkdeel D en mondt in het oosten uit in de vaart langs de Elswoutslaan (zie B.XI.); de lichte curven van het tracé dateren uit de tijd van de afgraving. B.V. De "Zwitserse scene", zijnde een in noord-zuid richting door het niet afgezande gedeelte van dit parkdeel gegraven dal, dat in het noorden begint als een nauwe bochtige kloof met steile wanden, zich vervolgens om de zgn. Kleine Vijver verbreedt en in het zuiden weer versmald. De scene is in aanleg behandeld als de onder B.III. omschreven zone; haar "Zwitsers" karakter wordt verder door de volgende elementen van historische aanleg bepaald: a. een waterloop die in de smalle gedeelten van het dal de vorm heeft van een "beek" en in het brede gedeelte die van een "meer" (de Kleine Vijver); in het zuiden zet deze beek zich voort in de onder A.XXIV. omschreven waterloop. b. een zich langs beide oevers uitstrekkend padenstelsel waarvan aftakkingen via enkele "haarspeldbochten" de Tempelberg (zie B.VII.) beklimmen. Deze paden maken deel uit van de diverse wandelingen in dit parkdeel (zie B.IX.). c. De Kleine Zwitserse brug, een "rustieke" houten brug, die schuin over de beek is gespannen en waarvan het dek oploopt naar de westelijke oever. De brug is voorzien van (sinds de bouw sterk vereenvoudigde) uit stammetjes samengestelde leuningen, waarvan de noordelijke zich nog een eind voortzet langs het op de westelijke oever klimmende pad. De brug is in oorsprong voor 1812 gebouwd. B.VI. Een ten oosten van de hierboven genoemde Zwitserse scene gelegen inzinking in het plateau, aangelegd als een ondiepe grazige vallei. B.VII. De Tempelberg, een op de noord-oost hoek van de Zwitserse scene gelegen, boven het niveau van de plateaus uitstekende, dus vermoedelijk opgeworpen, althans gefatsoeneerde heuvel die, oorspronkelijke bekroond door een open tempeltje, het uitgangspunt is van een gezichtslijn over de Kleine Vijver naar het herenhuis. B.VIII. Een op de noord-oost hoek van het oostelijkste plateau gefatsoeneerde smalle rug met pad, waarvan het uiteinde op het hoogste punt, de Patrijzenberg, boven de plek ligt waar de zgn. hermitage tegen de helling was gebouwd. B.IX. In het uitgebreide padennet dat dit parkdeel doorkruist kunnen de volgende tot de historische aanleg behorende wandelingen worden onderscheiden: a. de wandeling langs de buitenrand van het parkdeel; in het westen aansluitend op de onder A.XXVI. vermelde wandeling, in de onder B.III. omschreven zone buiten langs de onder B.IV. sub a vermelde waterloop en vervolgens binnen langs de onder B.IV. sub b vermelde waterloop gaande en tenslotte door het bos terug naar parkdeel A waar zij aansluit op het onder A.V. sub e vermelde pad via een over de onder A.VII. sub a vermelde waterloop gelegen brug met witte houten leuningen. Aan het begin van deze wandeling staat schuin tegenover de Kettingbrug het zgn. huisje van Ka-buur, bestaande uit een illusionistisch beschilderde plankenwand waarvoor een loggia onder rieten dak. b. de wandeling van de sub a genoemde aftakkend, de onder B.IV. sub a vermelde waterloop overstekend via de Kettingbrug - (een hollebrug met houten dek op ijzeren liggers, hangend aan over vier hoekpalen gespannen kettingen) - en binnen de onder B.IV. sub a B.V. sub a en A.XXIV. vermelde waterlopen een lus vormend, die door de onder B.III. omschreven zone en de Zwitserse scene (zie B.V.) leidt. c. de wandeling eveneens van de sub a genoemde aftakkend en via enkele varianten dicht bij de brug met witte houten leuningen weer daarop uitmondend, die langs de oostzijde van de "Zwitserse scene" loopt. B.X. Behalve bovengenoemd padennet in landschapsstijl bevat dit parkdeel twee rechte, formele lanen: a. de Melklaan, als pendant van de oprijlaan (zie A.VI.) evenwijdig lopend met de gracht om het centrale deel van parkdeel A en daarom in aanleg vermoedelijk teruggaand op de 17e-eeuwse aanleg (N.B. Van de in aanleg aangebrachte flankerende boombeplanting is momenteel slechts een fragment aan de westelijke uiteinde aanwezig). b. de Kerklaan, in het oostelijke deel van het bos aangelegd volgens het ontwerp van C.E.A. Petzold uit 1883. Als blikpunt van deze laan dient de toren van de Grote Kerk te Haarlem. Aan het einde van de laan bevindt zich de beeldengroep "Halali", en iets ten noorden ervan het Fazantenhuis. B.XI. Het parkdeel wordt in het oosten begrensd door een deel van de vaart die de opeenvolgende zanderijen van Elswout in het oosten afsloot. Deze vaart takt in het zuiden af van de onder A.VII. sub a genoemde noordelijke arm van het grachtenstelsel om de oudste kern van Elswout en zet zich langs het parkdeel D naar het noorden voort (zie D.IX.). B.XII. Over de hierboven omschreven vaart wordt tot parkdeel B vanaf de Elswoutslaan toegang gegeven door de Gele Brug, een op ijzeren liggers rustende bolle brug met houten dek en leuningen die in het midden door een hek wordt afgesloten. Brug en hek zijn vanouds geel geschilderd. (N.B. Een nog binnen de grens van parkdeel B staand tuinhuis bij de nog te vermelden Grote Zwitserse Brug en het pad langs de noordoever van de onder B.IV. sub b vermelde waterloop worden, daar zij pas bij de aanleg van parkdeel C tot stand zijn gekomen, onder de elementen van aanleg van dit laatste parkdeel gerangschikt). In parkdeel C: C.I. Een als onderdeel van de zuidelijke gezichtsas vanuit het herenhuis in het bos opengehouden strook, waarvan de rechte begrenzingen aan weerszijden in aanleg zijn bezet met een rij bomen. C.II. Een het gehele gebied doorkruisend pad, dat zich in het westen splitst; het binnenste pad daalt tegenover de Kettingbrugh (zie B.IX.b.) af naar de onder B.IX. sub a vermelde wandeling en klimt vervolgens weer naar het Kampniveau omhoog om zich met het buitenste pad te verenigen. C.III. Even voorbij het herenigingspunt van de hierboven genoemde paden staat langs het pad een houten, met riet gedekt tuinhuis (waarschijnlijk gebouwd tegen het midden van de 19e eeuw). C.IV. Een omstreeks 1884 in de zuid-oostelijke punt van dit parkdeel gestichte boerderij, waarvan de diverse bedrijfsgebouwen op het erf zijn gegroepeerd rondom het in zijn uiteindelijke vorm op een ontwerp van C. Muysken teruggaande hoofdgebouw. Dit laatste beslaat een vierkant, dat wordt ingenomen door een via dakvensters verlichte koeienstal, aan drie zijden omgeven door vleugels, waarvan de noord-oostelijke, die de woning bevat, zich als representatieve zijde onderscheidt door een bijzondere vormgeving met vakwerkversiering in de gevels, geknikte daken, insteekkappen, a-jour bewerkte fries- en topgevelbetimmeringen, gesneden houten dakschoren in de zgn. chalet-stijl enz. C.V. Langs de toegang naar de boerderij (zie C.IV.) staat de zgn. aardappelkelder, een rechthoekig gebouwtje waarvan het dak, aan drie zijden uit schilden bestaande, aan de voorzijde aansluit tegen een puntgevel met vlechtingen. Tegen de muren van het gebouwtje zijn aarden wallen opgeworpen (19e eeuw na 1812). In parkdeel D: D.I. Drie aan de zuidzijde van het parkdeel liggende, door afgraving van het omringende terrein gevormde hoogten, waarvan de twee westelijke worden verbonden door een smalle rug, waarover een der wandelingen door dit parkdeel is geleid (zie D.XIII.). D.II. Het Hoge Eiland, een uitgebreide hoogte aan de noordflank van het Klaverstuk (zie D.V.), die in de richting van de buitenplaats Elswoutshoek in een punt uitloopt. D.III. De bebossing ten zuiden van het Klaverstuk (zie D.V.), voorzover dienende ter begrenzing van dit laatste. D.IV. De op het Hoge Eiland (zie D.II.) gelegen bebossing, voorzover dienende ter begrenzing van het hieronder te omschrijven Klaverstuk. D.V. Het Klaverstuk, een op het afgegraven deel van het terrein gelegen open ruimte, zich uitstrekkende van de Elswoutslaan in het oosten tot de Duinlustweg in het westen en waarvan de aanleg in de vorm van een met bomen gestoffeerd en door de onder D.VIII. te omschrijven "beek" doorstroomd weiland reeds voor 1812 aan de oostzijde is begonnen en in de jaren 1840 voltooid (N.B. De bomenbeplanting is thans bijna geheel verdwenen; een uitstulping van het Klaverstuk tussen de middelste en de oostelijke van de onder D.I. genoemde hoogten is thans goeddeels dichtgegroeid). D.VI. Een zone die zich als aftakking van de onder B.III. omschreven zone uitstrekt langs de noordelijke punt van parkdeel C en langs de rand van de buitenplaats aan de zijde van de Duinlustweg tot aan het hierboven vermelde Klaverstuk. De zone bevat een doorzichtige aanleg die noch als open terrein, noch als bos moet worden gekenmerkt en die is voorzien van een spaarzame, losse bomenbeplanting. D.VII. Een uit het oorspronkelijke stelsel van zanderijvaarten voortkomende waterloop die, aftakkend van de onder B.IV. sub a vermelde waterloop, de hierboven vermelde zone begeleidt, zich vervolgens langs de westelijke rand van het Klaverstuk (zie D.V.) voortzet en, na demping van het laatste gedeelte van deze zanderijvaart tot de onder D.X. vermelde waterloop, voorzien van een verbindingsstuk naar het punt waar de onder D.VIII. en X. vermelde waterlopen in elkaar overgaan. D.VIII. Een bij de afzanding van het Klaverstuk (zie D.V.) als zanderijvaart gebruikte waterloop, waaraan met het oog op de reeds voorgenomen parkaanleg de vorm is gegeven van een slingerende "beek". Deze waterloop, waarvan de aanzet als aftakking van de onder B.IV. sub b vermelde waterloop in 1812 reeds bestond, zet zich voorbij het verenigingspunt met de hierboven vermelde waterloop voort in de onder D.X. te omschrijven waterloop. D.IX. De tot de jongste zanderij op Elswout behorende voortzetting van de zanderijvaart (zie B.XI.). Deze vaart, die uit twee rechte, via een scherpe knik met elkaar verbonden stukken is samengesteld, vormt de oostelijke begrenzing van het Klaverstuk (zie D.V.) en van de onder D.XI. te omschrijven zone; een bochtige voortzetting over de buitenplaats Elswoutshoek mondt buiten het beschermde terrein uit in de Brouwersvaart richting Haarlem. D.X. Een vaart die, langs de westzijde van de jongste zanderij op Elswout gelegen, de verbinding vormt tussen de onder D.VII. en IX omschreven vaarten en die sinds de aanleg van het parkdeel D en de onder D.VIII. omschreven beek de voortzetting van deze laatste vormt. De loop van de vaart is bij die gelegenheid enigszins gewijzigd; het vormt de westelijke begrenzing van de hieronder te omschrijven zone. Vervolg tekst onder Cultuurhistorische omschrijving.

Vervolg van redengevende omschrijving: D.XI. Een zich tussen de onder D.IX en D.X omschreven vaarten en de hellingen van het Hoge Eiland uitstrekkende zone die in oorsprong noch als open terrein, noch als bos is te kenmerken, maar als doorzichtige aanleg met een spaarzame, losse beplanting. D.XII. Aan de westelijke rand van het Hoge Eiland is op het plateau tegenover de vaart van de in de jaren 1840 ten westen van de Duinlustweg begonnen, buiten het beschermde terrein liggende laatste door Elswout geëxploiteerde zanderij, een heuveltje opgeworpen waarop een zeskantige houten theepaviljoen, de Glazen Koepel, is geplaatste (3e/4e kwart 19e eeuw). D.XIII. In het padennet dat dit parkdeel doorkruist kunnen de volgende tot de historische aanleg behorende wandelingen worden onderscheiden: a. Een rondgang rondom de onder D.I. vermelde hoogten. Hiervan leidt een deel door de onder B.III omschreven zone langs de noordelijke oever van de onder B.II sub b vermelde waterloop, over welke de scheef gelegde Derde Zwitserse Brug een verbinding vormt met de onder B.IX sub a vermelde wandeling; sinds de verlegging van de hierna te vermelde Grote Zwitserse Brug naar het lage parkniveau is ook via deze een verbinding met genoemde wandeling tot stand gebracht. Het gedeelte van de wandeling dat door de onder D.VI omschreven zone langs de oostelijke oever van de onder D.VII omschreven waterloop leidt, wordt in aanleg aan de waterzijde begeleid door een laanbeplanting van beuken (Fagus sylvatica). Langs de buitenzijde van het evengenoemde verbindingspad uit parkdeel B naar de Grote Zwitserse Brug staat een houten, met riet gedekt tuinhuis (waarschijnlijk gebouwd tegen het midden van de 19e eeuw). b. Een wandeling over de middelste en oostelijke van de onder D.I vermelde hoogten, met variant en toegangen vanaf de sub a vermelde wandeling. Deze wandeling leidt over de onder D.I vermelde rug vanaf welke in aanleg tegelijk gezichten in (zie D.V) zone en het Klaverstuk (zie D.V) worden geboden. c. Een aftakking van de sub a vermelde wandeling over de westelijke van de onder D.I vermelde hoogten, met variant. d. Een via een brug over de onder B.II sub b vermelde waterloop van Elswouthoek via het Klaverstuk (zie D.V) en de onder D.VI omschreven zone. Van deze wandeling, die in 1812 reeds bestond, wordt het slingerende deel door evengenoemde zone in aanleg begeleid door een laanbeplanting van beuken (Fagus sylvatica). (n.B. Het op het Klaverstuk gelegen gedeelte van de wandeling is vervallen). e. Een rondgang over het Hoge Eiland met toegangen vanaf de noordflank van het Klaverstuk (zie D.V). Een aftakking van deze wandeling leidt naar de Grote Koepel (zie D.XII)

Buiten de indeling in parkdelen vallen de volgende elementen:

I. De Duinlustweg is tussen de afsplitsing van de Elswoutslaan en de zichtas van de buitenplaats Duinlust naar het Klaverstuk in aanleg voorzien van een laanbeplanting van enkele rijen beuken (Fagus sylvatica). Een enkele rij van deze beplanting markeert het oude, thans op het terrein van de buitenplaats Elswoutshoek gelegen tracée van deze weg. II. De uit de tweede helft van de 17e eeuw daterende Elswoutslaan is in aanleg voorzien van een laanbeplanting van enkele rijen bomen. Deze beplanting is bij de aanleg van de hertenkamp onderbroken ter breedte van deze laatste en bij de aanleg van de Kerklaan tegenover deze laan. Bij de bouw van het koetshuis van Elswoutshoek is het tracée van de bomenrij ter plaatste verstoord. (N.B. Thans is een deel van deze laanbeplanting niet aanwezig). III. Historisch met Elswout verbonden is een als grenspaal herbruikte, natuurstenen stoeppaal (laatste kwart 16e eeuw/eerste kwart 17e eeuw), geplaatst bij de toegang naar de boerderij.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

PARK LAYOUT. A large park of exceptional character, deriving from the circumstance that the country estate Elswout, founded in the mid-17th century on barren dune terrain, was developed over the following two centuries in phases in an area previously exploited as a sand quarry by successive owners, so that it exhibits an irregular form and large, abrupt differences in elevation and its origin as a sand quarry remains clearly visible both in the oldest part, which despite later alterations still largely retains its original formal framework, and in the younger parts, which have not everywhere been equally thoroughly transformed in landscape style. The successive development phases - initial laying out of house and immediate surroundings 1634-1654; completion of the house, overall reworking of the surroundings and laying out of a cruciform park between 1654 and the beginning of the 18th century (probably not entirely completed); modernization of certain components around 1740; expansion of the park in a northerly direction with simultaneous alteration of the older part, carried out in landscape style between 1781 and 1794 by J.G. Michael; further expansion in a northerly direction between 1805 and around 1840, presumably by J.D. Zocher sr. and jr.; commencement of alteration between 1881 and 1884, achieved mainly with respect to the buildings - have resulted in the composition described below. PARK SECTION A The original park in the form of a Latin cross, of which the main house forms the intersection point. This part of the present park is entirely flat except for the rectangular hill on which the main house stands, which has been excavated all around. Of the four cross arms, the long eastern arm, which extends to the Elswoutslaan, consists of three strips separated by avenues, and, parallel to this and to the south thereof, the approach drive departing from the gate building on the Elswoutslaan; the southern cross arm narrows into two steps indicated by the slopes of the surrounding dune terrain (park section C) to form a sight line running from the main house via the now vanished second gate building and the so-called Monsterlaan in a southerly direction and continuing also at the high terrain level of the "Kamp" (park section C); the northern cross arm, intended as a counterpart to the southern arm but presumably never entirely completed, comprises the present so-called "Kleine Stuk" (see A.XXIII.), a terrain laid out during the first transformation to landscape style as a meadow enclosed by woods, whose original form with step-wise narrowings corresponding to that of the southern cross arm still appears and over which a sight line running from the main house in a northerly direction leads, opening into the ravine known as "Zwitsers" (park section B); the western cross arm, originally a rectangular terrain transverse to the main direction, separated from the hill bearing the main house by a pond, has been occupied since the first transformation to landscape style by the so-called "Grote Stuk" (see A.XIX.), a meadow dressed with trees. PARK SECTION B The expansion laid out in landscape style between 1781 and 1794 to the north of park section A on a partially sand-excavated terrain, situated between the Elswoutslaan in the east, the so-called "Kamp" described in park section C in the south and west and the high points on the far side of the Zanderijvaarten (see B.IV.a./b.) in the north. Of this terrain, the southern part has been largely excavated, while the northern part still contains plateaus at the original dune level, whose edges display over considerable lengths the old straight sand quarry slopes. The currently mostly wooded terrain has been repeatedly altered in layout and contains only a few further-to-be-specified elements of historical park composition, among which, however, is one of the most important in the park, the dale and ravine of Swiss character; the connection with park section A is formed primarily by the sight line leading from the main house thither. PARK SECTION C At the original dune level lies as a shell around the above-described park sections and the south-western point of park section D the so-called "Kamp", the terrain remaining outside the excavations within the Zijweg and Duinlustweg running around Elswout. In the south-eastern corner of the Kamp lie the ice-house and the farmhouse. Apart from the construction of the latter in the years following 1880, the Kamp, planted in layout with coppice, has undergone no essential alterations. PARK SECTION D To the north of park section B lies the youngest part of the park (originating around 1840), consisting of an east-west directed, wide dale formed by sand excavation, the so-called "Klaverstuk", a meadow extending from the Duinlustweg to the Elswoutslaan, flanked by terrains which are largely wooded in layout, partially consisting of heights at the original dune level, of which the northern is named the Hoge Eiland; to the north and south of the latter, strips of excavated terrain extend respectively to the Duinlustweg and the Elswoutslaan, which largely serve utilitarian purposes. The northern point of the terrain between the Duinlustweg and the Elswoutslaan is occupied by the small country estate Elswoutshoek, developed from a farmhouse and forming an inseparable whole with Elswout. The park contains the following elements of historical composition, whose description follows the above-indicated division of the layout (park sections A, B, C and D) and, as far as park section A is concerned, the sequence of terrain expansion. (In park section A this therefore begins with the oldest part, the hill bearing the main house). In park section A: A.I. The hill on which the main house stands, formed by excavation of the surrounding terrain from 1634 onwards and, since the transformation to landscape style, furnished with natural slopes. The hill extending in a south-north direction contains the following elements: a. the forecourt to the south of the main house, contained within retaining walls rising from the slopes of the hill, which connect with those of the northern bridge approach (see A.II.) and enclose at the south-western and south-eastern corners round "bastionettes" (current form shortly after 1880). b. the plateau on which the main house stands is closed off in the west and east by terrace systems built simultaneously with the house. The western terraces provide access via stairs to a harbour roofed over by the middle terrace which connects with the Grote Vijver (see A.VII.b.). c. four woodland groups, laid out as framing of the sight lines emanating from the main house in the directions south, west, north and east. They contain in layout some copper beeches (Fagus sylvatica "Atropunicea") as colour accents. d. the space between the north-western and north-eastern woodland groups is laid out as grassland. A.II. The connection between the forecourt (see A.I.a.) and the approach drive (see A.XV.) is formed by a bridge over the ditch mentioned under A.VII. sub a, built around 1806 by B.W.H. Ziesenis and later somewhat altered. This bridge, which, owing to the level difference between the approach drive and the forecourt, has a sloping deck, possesses outward-curving bridge abutments over which the balustrades of the bridge continue. A.III. The three strips described under A.IV., A.V. and A.VI., from which the eastern cross arm of this park section consists, are separated by two avenues, each planted in layout with two rows of linden trees (genus Tilia) in square formation and dating from before the alterations to landscape style, which latter at two places have made an incursion into these avenues, namely by the construction of the log cabin (see A.V.c.) and by the laying out of the beech avenue (see A.VI.b.). A.IV. The northern of the above-mentioned strips is laid out as a kitchen garden, whose arrangement, however, no longer follows a historical pattern. The kitchen garden contains the following elements of historical composition: a. the orangery, positioned with its long side against the north side of the kitchen garden. The orangery was built in 1882/3 to the design of C. Muysken in the form of an elongated building in neo-renaissance forms with curved roofs and at both ends semi-circular cast-iron greenhouses. b. two fragments of a garden wall, standing to the west of the orangery along the north side of the kitchen garden. The wall sections are of varying height, composition and age (in any case more than 50 years old). c. Part of the path connecting the approach drive (see A.VI.) with park section B (N.B. This path was originally accompanied by avenue planting, but later diverted westwards; parts of the avenue planting indicate the original course); A.V. The middle strip of the eastern cross arm was laid out between 1812 and 1834 as a deer park in the form of a meadow. The deer park contains the following elements of historical composition: a. In the eastern part a slightly winding "stream", dug and forming a connection between the southern and eastern arm of the ditch around the eastern cross arm (see A.VII.a.). At the level of this stream the meadow is laid at a slight elevation. b. At the northern shore of the above-mentioned stream a copper beech (Fagus sylvatica "Atropunicea") was planted in layout in 1834 in commemoration of the birth of Willem Borski III, son of the then proprietor. c. A log cabin serving as a deer shelter, whose rear part intrudes into the northern avenue (see A.III.). d. In the north-eastern corner a wooden garden house in a classicist gothicizing manner, built between 1812 and 1844. The garden house intrudes at the rear into the northern avenue (see A.III.). e. Part of the path connecting the approach drive (see A.XV.) with park section B. This path crosses the stream mentioned under A.V. sub a at its junction with the ditch around the eastern cross arm (see A.VII.a.). A.VI. The southern strip of the eastern cross arm is laid out as an orchard as far as the western part is concerned. The strip otherwise contains the following elements of historical composition: a. Part of the stream mentioned under A.V. sub a, laid out in this strip as a straight watercourse crossing the terrain in the transverse direction. b. Part of the path connecting the approach drive (see A.XV.) with park section B. In the present strip the path is accompanied in layout by avenue planting of beeches (Fagus sylvatica). This interrupts the first-laid southern avenue (see A.III.). A.VII. The central terrain, consisting of the hill described under A.I. and the eastern cross arm (see A.IV, V. and VI.), is largely bounded by the following watercourses and water features: a. In the south, east and north by a ditch, which belongs to the original system of sand quarry channels. Of this, the southern arm has been filled in beyond the branching point of the stream section mentioned under A.VI. sub a; the eastern arm, which continues in the south into the ditch described under A.XI., has been diverted at the construction of the sluice (see A.IX.) with a bend behind this sluice to issue upstream of the said sluice; the northern arm forms beyond the opening of the eastern arm the connection with the channel running along park sections B and D and, beneath the Elswoutslaan (see II. after the description of the park sections), with the Marcelisvaart in the direction of Haarlem. b. In the west and north-west by the Grote Vijver, of which the western part at the transformation to landscape style has been excavated from a rectangular 17th-century pond and was then connected with the watercourse described under A.XXI., and the northern part originated at that time through widening of the western part of the above-mentioned northern ditch arm, which has since been connected with the watercourse described under A.XXIV. A.VIII. In the northern part of the Grote Vijver (see A.VII.b.) an island has been laid out, whose planting in layout contains a copper beech (Fagus sylvatica "Atropunicea"). A.IX. A sluice fitted with brick quay walls, laid out in the second half of the 17th century in the northern of the ditch arms mentioned under A.VII. sub a. A.X. A lock-keeper's house on the southern bank of the sluice (see A.IX.) and parallel to it, standing under a hipped roof (second half of 17th century). A.XI. The terrain lying to the south of the central part of the original park described under A.I. through A.X., which contains the approach drive and Monsterlaan (see A.XVII.) and is bounded on the north side by the ditch mentioned under A.VII. sub a, is surrounded on the south side by a ditch which, joining the aforementioned ditch in the east, borders the walls of the gate building (see A.XIV.), then turns westward and follows the stepped contours of the cross arm, with the straight ditch arms here before 1812 being excavated according to the principles of landscape style into a winding "stream"; in the axis of the cross arm this "stream" widens into a pond originally laid out around 1740, whose original outline in Louis XIV style has likewise been excavated in accordance with landscape style. In the west the "stream" joins the watercourse described under A.XXI. A.XII. From the Elswoutslaan a brick arch bridge, belonging to the original layout, provides access over the ditch described under A.XI. to the gate building (see A.XIV.). A.XIII. To mark the approach of the aforementioned bridge, four linden trees (genus Tilia) have been planted in layout, namely two by two on either side of this approach. A.XIV. At the beginning of the approach drive (see A.XV.) stands the gate building, belonging to the original layout, whose three wings covered with hipped roofs enclose a small forecourt. On the east and south sides the gate building rises from the water of the ditch described under A.XI. A.XV. The approach drive adjoining the aforementioned small forecourt. This was originally laid out with two rows of trees in triangular formation on either side, with interruptions at the level of the southern cross arm (N.B. The current layout shows only a few rows of trees and greater planting intervals). The southern avenue planting ends at the eastern of the two stable and carriage houses (see A.XVI.). The part of the approach drive extending past these service buildings was, before 1812, diverted to follow a winding course in the sense of landscape style, and was probably straightened again shortly after 1880, with a straight avenue planting laid out along the north side. Since the alterations to landscape style, this part of the approach drive provides access to the bridge to the Grote Stuk (see A.XXII.). A.XVI. At the level of the bridge to the forecourt before the main house (see A.II.) there stand in the extension of the southern tree row of the above-mentioned approach drive two service buildings belonging to the original layout from the second half of the 17th century, covered with hipped roofs, originally serving as stable and carriage house. These are oriented with their long sides towards the approach drive and flank symmetrically the access to the Monsterlaan (see A.XVII.) in the southern sight line of the main house. A.XVII. The Monsterlaan, which within the "stream" mentioned under A.XI. marks the southern sight line of the main house. This avenue, which extends from the stable and carriage houses (see A.XVI.) to the pond mentioned under A.XI., is provided in layout with avenue planting of beeches (Fagus sylvatica). A.XVIII. The southern cross arm of the original park section contains within the "stream" mentioned under A.XI. the following further elements of historical composition: a. A group of trees in the extension of the approach drive (see A.XV.)(N.B. The exact historical extent of this group of trees is not known). b. Along the inner bank of the "stream" mentioned under A.XI. on either side of the sight line of the main house a woodland group. A.XIX. The western cross arm of the original park, originally a star wood enclosed in ditches, at the alterations to landscape style before 1812 was enlarged and altered through filling in parts of the said enclosing ditches and incorporating pieces of land, including part of the approach drive, into a meadow known as the Grote Stuk, dressed in layout with tree groups and solitary trees, between which views led to and from the manor house. The Grote Stuk is bounded in the east by the Grote Vijver (see A.VII.b.), in the south and west by the watercourse described under A.XXI. and in the north by the woodland of park section B. A.XX. At the south-western corner of the above-mentioned Grote Stuk, since the alterations to landscape style before 1812, there has been a gentle elevation which in the course of the 19th century has been planted in layout with a group of oaks (genus Quercus). A.XXI. A watercourse, formed at the alterations to landscape style before 1812 from the western end of the ditch described under A.XI., a connection between the latter and the Grote Vijver (see A.VII.b.) and the western part of the original ditch around the Grote Stuk (see A.XIX.), excavated into a slightly winding "stream", of which this watercourse forms the southern and western boundary. In the north the watercourse transitions into the sand quarry channel (see B.IV.). A.XXII. Access to the Grote Stuk (see A.XIX.) from the approach drive is formed by a wooden bridge placed over the connecting section described under A.XXI., which on the side of the Grote Stuk is closed by a gate. A.XXIII. The northern cross arm of the original park now still appears in the form of a meadow laid out during the alterations to landscape style after 1781, known as the Kleine Stuk, which narrows step-wise towards the north. Over this meadow, which is dressed in layout with trees, including a copper beech (Fagus sylvatica "Atropunicea"), the northern view in the axis of the main house leads in the direction of the Kleine Vijver (see B.V.a.) and Kleine Zwitserse Brug (see B.V.a./c.). The Kleine Stuk is bounded in the south and west by the watercourses described under A.VII. and A.XXIV., and in the east by the woodland of park section B. A.XXIV. The western part of the original enclosing ditch of the northern cross arm, excavated during the laying out of park section B into a winding watercourse to form as a "stream" the connection between the Kleine Vijver (see B.V.a.) and the Grote Vijver (see A.XVII.b.). The watercourse here described forms the western boundary of the Kleine Stuk (see A.XXIII.) and along the greater part of its length adjoins park section B. A.XXV. Access from park section B to the Kleine Stuk (see A.XXIII.) is formed by the so-called Platte Brug, a wooden bridge, which on the side of the Kleine Stuk is closed by a gate. A.XXVI. The zone extending between the system of watercourses described under A.XI. and A.XXI. and the higher-lying park section C (the Kamp) has been furnished at the alteration to landscape style with transparent layout characterized neither as open terrain nor as woodland, with sparse, loose planting in which beeches predominate (Fagus sylvatica). The zone also comprises the slopes forming the transition between park sections A and C and which by their regularity and - as regards the sections on the south side - also by their straight alignment - reveal their origin as a sand quarry and thereby determine much of Elswout's character. In the south the slope is interrupted by the ice-house. The zone, which continues into park section B and is there further described, contains a walk in the form of a slightly winding path, the part of which running northwards along the aforementioned Grote Stuk is accompanied in layout by avenue planting. (N.B. Of this avenue planting only fragments remain). A.XXVII. From the above-mentioned walk paths branch off in the southern cross arm which cross the watercourse described under A.XI. in the east and west and thus provide access to the terrain around the Monsterlaan (see A.XVII.). Of these, the western was laid out only after 1812; it leads over the so-called Pontjesbrug. In park section B: B.I. The dales formed by excavation: along the western and northern edge of the park section, where they form the greater part of the zone described under B.III., and two approximately north-south directed dales which divide the elevated area of the park section into three plateaus, of which the western has been composed as a Swiss scene (see B.V.). B.II. The woodland insofar as it serves to bound open spaces (see A.XIX. and XXII.) and the zone described under B.III. B.III. A zone which extends as a continuation of the zone described under A.XXVI. along the western and northern edge of the park section and is furnished with transparent layout characterized neither as open terrain nor as woodland, with sparse, loose tree planting in which beeches predominate (Fagus sylvatica). The zone lies in the south along the west side of the watercourse mentioned under B.IV. sub a and further fills the dale described under B.I. along the edge of the park section; it also comprises the slopes forming the transition to park section C and to the plateaus described under B.I. These slopes have been left in the taut, regular form which they received during excavation in the north-west. B.IV. The zone described above is accompanied by the following watercourses: a. The section up to the opening of the "Swiss scene" (see B.V.) by a section of sand quarry channel left in its original straight form that forms the connection between the watercourse described under A.XXI. and the stream in the "Swiss scene". The channel turns, like the dale of which it forms part, with a sharp kink in an easterly direction. b. To the east of the opening of the "Swiss scene" by a section of the system of sand quarry channels, belonging to the excavation already begun before 1812 upon which around 1840 park section D would be created. This watercourse continues in the west into park section D and opens in the east into the channel along the Elswoutslaan (see B.XI.); the gentle curves of the alignment date from the time of excavation. B.V. The "Swiss scene", being a dale dug in a north-south direction through the non-excavated part of this park section, which begins in the north as a narrow winding ravine with steep banks, then widens around the so-called Kleine Vijver and narrows again in the south. The scene is treated in layout as the zone described under B.III.; its "Swiss" character is further determined by the following elements of historical composition: a. a watercourse which in the narrow sections of the dale has the form of a "stream" and in the broad section that of a "lake" (the Kleine Vijver); in the south this stream continues in the watercourse described under A.XXIV. b. a system of paths extending along both banks, of which branches via some "hairpin bends" climb the Tempelberg (see B.VII.). These paths form part of the various walks in this park section (see B.IX.). c. The Kleine Zwitserse Brug, a "rustic" wooden bridge, which spans the stream diagonally and whose deck slopes towards the western bank. The bridge is furnished with railings (greatly simplified since construction) composed of small logs, of which the northern continues for some distance along the path climbing the western bank. The bridge was originally built before 1812. B.VI. A depression in the plateau situated to the east of the above-mentioned Swiss scene, laid out as a shallow grassy valley. B.VII. The Tempelberg, a hill situated on the north-east corner of the Swiss scene, protruding above the level of the plateaus and thus presumably thrown up or at least shaped, originally crowned by an open small temple, which is the starting point of a sight line over the Kleine Vijver towards the manor house. B.VIII. A narrow ridge fashioned on the north-east corner of the easternmost plateau, with a path, whose end at the highest point, the Patrijzenberg, lies above the place where the so-called hermitage was built against the slope. B.IX. In the extensive path network that traverses this park section the following walks belonging to the historical composition can be distinguished: a. the walk along the outer edge of the park section; adjoining in the west the walk mentioned under A.XXVI., in the zone described under B.III. running outside along the watercourse mentioned under B.IV. sub a and then inside along the watercourse mentioned under B.IV. sub b and finally through the woodland back to park section A where it joins via a bridge with white wooden railings over the watercourse mentioned under A.VII. sub a the path mentioned under A.V. sub e. At the beginning of this walk stands diagonally opposite the Kettingbrug the so-called cottage of Ka-buur, consisting of an illusionistically painted wooden wall with a loggia under a thatched roof in front. b. the walk branching from the one named in sub a, crossing the watercourse mentioned under B.IV. sub a via the Kettingbrug - (a sunken bridge with wooden deck on iron beams, suspended from chains stretched over four corner posts) - and forming a loop within the watercourses mentioned under B.IV. sub a, B.V. sub a and A.XXIV., which leads through the zone described under B.III. and the Swiss scene (see B.V.). c. the walk likewise branching from the one named in sub a and via some variants returning close to the bridge with white wooden railings, which runs along the east side of the "Swiss scene". B.X. Apart from the above path network in landscape style, this park section contains two straight, formal avenues: a. the Melklaan, running as a counterpart to the approach drive (see A.VI.) parallel to the ditch around the central part of park section A and therefore in layout presumably dating back to the 17th-century layout (N.B. Of the flanking tree planting brought in during layout, currently only a fragment at the western end remains). b. the Kerklaan, laid out in the eastern part of the woodland according to the design of C.E.A. Petzold from 1883. The tower of the Grote Kerk in Haarlem serves as the focal point of this avenue. At the end of the avenue is the sculptural group "Halali", and somewhat to the north of it the Pheasant House. B.XI. The park section is bounded in the east by a section of the channel that closed off the successive sand quarries at Elswout in the east. This channel branches off in the south from the aforementioned northern arm of the ditch system around the oldest core of Elswout and continues northwards along park section D (see D.IX.). B.XII. Over the above-described channel access to park section B from the Elswoutslaan is provided by the Gele Brug, a rounded bridge resting on iron beams with wooden deck and railings which in the middle is closed by a gate. Bridge and gate have been painted yellow since time immemorial. (N.B. A garden house still within the boundary of park section B near the yet-to-be-mentioned Grote Zwitserse Brug and the path along the north bank of the watercourse mentioned under B.IV. sub b are, as they were created only during the laying out of park section C, ranked under the elements of composition of that park section). In park section C: C.I. A strip kept open in the woodland as part of the southern sight line from the manor house, whose straight boundaries on either side have been planted in layout with a row of trees. C.II. A path crossing the entire area, which splits in the west; the inner path descends opposite the Kettingbrugh (see B.IX.b.) to the walk mentioned under B.IX. sub a and then climbs back up to the Kamp level to unite with the outer path. C.III. Just beyond the meeting point of the above-mentioned paths stands along the path a wooden garden house roofed with thatch (probably built towards the middle of the 19th century). C.IV. A farmhouse founded around 1884 in the south-eastern point of this park section, whose various farm buildings are grouped on the yard around the main building which in its final form derives from a design by C. Muysken. The latter occupies a square, containing a cattle shed lit via roof lights, surrounded on three sides by wings, of which the north-eastern, containing the residence, distinguishes itself as a representative side through particular design featuring half-timbering in the gables, bent roofs, inserted gables, open-work frieze and top gable cladding, carved wooden roof braces in the so-called chalet style etc. C.V. Along the approach to the farmhouse (see C.IV.) stands the so-called potato cellar, a rectangular small building whose roof, consisting on three sides of hipped sections, adjoins on the front a pointed gable with lattice work. Earth banks have been piled up against the walls of the small building (19th century after 1812). In park section D: D.I. Three elevations lying on the south side of the park section, formed by excavation of the surrounding terrain, of which the two western are connected by a narrow ridge, over which one of the walks through this park section is led (see D.XIII.). D.II. The Hoge Eiland, an extensive elevation on the north flank of the Klaverstuk (see D.V.), which tapers to a point in the direction of the country estate Elswoutshoek. D.III. The woodland to the south of the Klaverstuk (see D.V.), insofar as it serves to bound the latter. D.IV. The woodland on the Hoge Eiland (see D.II.), insofar as it serves to bound the hereinafter-described Klaverstuk. D.V. The Klaverstuk, an open space lying on the excavated part of the terrain, extending from the Elswoutslaan in the east to the Duinlustweg in the west and whose laying out in the form of a meadow dressed with trees and traversed by the "stream" described under D.VIII. has already begun before 1812 on the east side and was completed in the years 1840 (N.B. The tree planting has now almost entirely disappeared; a protrusion of the Klaverstuk between the middle and eastern of the elevations mentioned under D.I. has now become largely overgrown). D.VI. A zone extending as a branch of the zone described under B.III. along the northern point of park section C and along the edge of the country estate on the side of the Duinlustweg up to the above-mentioned Klaverstuk. The zone contains transparent layout that must be characterized neither as open terrain nor as woodland and that is furnished with sparse, loose tree planting. D.VII. A watercourse deriving from the original system of sand quarry channels which, branching off from the watercourse mentioned under B.IV. sub a, accompanies the above-mentioned zone, then continues along the western edge of the Klaverstuk (see D.V.) and, after the filling in of the last section of this sand quarry channel up to the watercourse mentioned under D.X., is furnished with a connecting section to the point where the watercourses mentioned under D.VIII. and X. merge. D.VIII. A watercourse used during the excavation of the Klaverstuk (see D.V.) as a sand quarry channel, to which with a view to the already-planned park composition the form of a winding "stream" has been given. This watercourse, whose beginning as a branch of the watercourse mentioned under B.IV. sub b already existed in 1812, continues beyond the meeting point with the above-mentioned watercourse in the watercourse described under D.X. D.IX. The continuation of the sand quarry channel (see B.XI.) belonging to the youngest sand quarry at Elswout. This channel, composed of two straight sections connected via a sharp kink, forms the eastern boundary of the Klaverstuk (see D.V.) and of the zone described under D.XI.; a winding continuation over the country estate Elswoutshoek opens outside the protected area into the Brouwersvaart in the direction of Haarlem. D.X. A channel, lying along the west side of the youngest sand quarry at Elswout, forming the connection between the channels described under D.VII. and IX and which since the laying out of park section D and the stream described under D.VIII. forms the continuation of the latter. The course of the channel was somewhat altered at that time; it forms the western boundary of the zone described below. Continued text under Cultuurhistorische omschrijving.

Continuation of descriptive account: D.XI. A zone extending between the watercourses described under D.IX and D.X and the slopes of the Hoge Eiland, which originally is to be characterised neither as open ground nor as woodland, but as a transparent layout with sparse, loose planting. D.XII. On the western edge of the Hoge Eiland, on the plateau opposite the watercourse of the last sand-pit exploited by Elswout beginning in the 1840s to the west of the Duinlustweg, lying outside the protected area, a small hill has been raised upon which a hexagonal wooden tea pavilion, the Glazen Koepel, has been placed (third/fourth quarter 19th century). D.XIII. In the path network that traverses this park section the following walks belonging to the historical layout can be distinguished: a. A circuit round the heights mentioned under D.I. Part of this leads through the zone described under B.III along the northern bank of the watercourse mentioned under B.II sub b, over which the obliquely positioned Derde Zwitserse Brug forms a connection with the walk mentioned under B.IX sub a; since the relocation of the Grote Zwitserse Brug mentioned below to the low park level, a connection with said walk has also been established via this. The section of the walk that leads through the zone described under D.VI along the eastern bank of the watercourse described under D.VII is accompanied in layout on the waterside by an avenue planting of beech (Fagus sylvatica). Along the outer side of the aforementioned connecting path from park section B to the Grote Zwitserse Brug stands a wooden, reed-thatched garden house (probably built around the middle of the 19th century). b. A walk over the middle and eastern of the heights mentioned under D.I, with variant and accesses from the walk mentioned in sub a. This walk leads over the ridge mentioned under D.I from which vistas are arranged into the zone (see D.V) and the Klaverstuk (see D.V). c. A branch from the walk mentioned in sub a over the western of the heights mentioned under D.I, with variant. d. One via a bridge over the watercourse of Elswouthoek mentioned under B.II sub b through the Klaverstuk (see D.V) and the zone described under D.VI. Of this walk, which already existed in 1812, the winding section through said zone is accompanied in layout by an avenue planting of beech (Fagus sylvatica). (N.B. The section of the walk situated on the Klaverstuk has been abandoned). e. A circuit over the Hoge Eiland with accesses from the northern flank of the Klaverstuk (see D.V). A branch of this walk leads to the Grote Koepel (see D.XII)

Outside the division into park sections the following elements fall:

I. The Duinlustweg is between the bifurcation of the Elswoutslaan and the sight line of the country estate Duinlust towards the Klaverstuk arranged with an avenue planting of several rows of beech (Fagus sylvatica). A single row of this planting marks the old, now situated on the grounds of the country estate Elswoutshoek, course of this road. II. The Elswoutslaan dating from the second half of the 17th century is arranged with an avenue planting of several rows of trees. This planting was interrupted upon the laying out of the deer park to the width of the latter and upon the laying out of the Kerklaan opposite this lane. Upon the construction of the coach house of Elswoutshoek the course of the tree row at that place was disturbed. (N.B. At present part of this avenue planting is not present). III. Historically connected with Elswout is a natural stone bollard reused as a boundary marker (last quarter 16th century/first quarter 17th century), placed at the access to the farmhouse.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map