TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Betonnen Werken

Leerdam, Utrecht, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Kazemat
Category
onroerend gebouwd
Address
zie mon.nr. 531858 Leerdam (Vijfheerenlanden 26)
Place
Leerdam
Municipality
Vijfheerenlanden
Province
Utrecht
Country
Netherlands
Monument number
531847

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Cluster 66. Groepsschuilplaatsen type P. Zie ook complexnummer 531857, monumentnummer 531858.

NIEUWE HOLLANDSE WATERLINIE

Inleiding

De Nieuwe Hollandse Waterlinie vormde van 1815 tot februari 1940 de hoofddefensielinie van het Koninkrijk der Nederlanden. De 85 kilometer lange verdedigingslinie die is gebaseerd op een uitgestrekte waterbarrière gesteund door militaire versterkingen, strekte zich uit van de Zuiderzee bij Muiden tot aan de Biesbosch bij Werkendam. De breedte varieerde van slechts enkele honderden meters ten oosten van Utrecht, tot 7,5 km en zelfs meer dan 10 km in de Vijfheerenlanden. Het typisch Hollandse defensiesysteem van inundaties was de verbeterde voortzetting van de eens zo succesvolle (oude) Hollandse Waterlinie uit 1672. Het concept voor een waterlinie dateert al uit 1589, toen prins Maurits opdracht kreeg van de Staten van Utrecht en Holland om te onderzoeken hoe de jonge Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden op een zo efficiënt mogelijke manier kon worden verdedigd. Door een optimaal gebruik van de geografische omstandigheden kon een bijzondere verdedigingslinie worden aangelegd. Daar waar hoog Nederland overgaat in het laag gelegen poldergebied is het tamelijk eenvoudig om land onder water te zetten met behulp van sluizen of het doorsteken van dijken. Aan de tastbare onderdelen van deze voornamelijk 'papieren tijger' werd eeuwenlang gesleuteld. Na WOII speelde de Nieuwe Hollandse Waterlinie geen rol van betekenis meer in de hoofddefensie. En in 1951 werden veel onderdelen van de Linie gedeclassificeerd, waarmee de opheffing van de Linie als zodanig een feit was.

Een verbeterde Waterlinie

De grond- en waterslag voor een verbeterde nieuwe Hollandse Waterlinie werd gelegd in de Franse tijd in 1796/97 door de directeur der Hollandse Fortificatiën C.R.T. Kraijenhoff. In zijn Memorie betreffende de eerste of capitale Waterlinie beschrijft Kraijenhoff gedetailleerd hoe de (oude) Hollandse Waterlinie er toen voorstond en geeft hij aan hoe deze Linie verbeterd zou moeten worden. Tevens bepleit hij een oostwaartse verlegging van de Linie om de stad Utrecht binnen de Linie te brengen, beschermd door een aaneenschakeling van voorposten. Niet alleen omdat Utrecht een belangrijke garnizoensstad was, maar vooral om te voorkomen dat de vijand de waterhindernis zou kunnen aftappen. De aanbevelingen die hij deed vormden het concept voor wat later de Nieuwe Hollandse Waterlinie gaat worden. In 1811 werden de plannen zelfs door Keizer Napoleon goedgekeurd: La ligne de Naarden à Gorcum doit donc être considérée comme la vraie ligne de l'Empire. Mede vanwege militaire en politieke ontwikkelingen werd het plan echter niet verder uitgewerkt. Na het vertrek van de Fransen, bij de aanloop tot het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden in het najaar van 1814, diende Kraijenhoff opnieuw een nota in, waarin zijn voorstellen uit 1796 en 1811 waren geactualiseerd. Daarop besloot Koning Willem I in het voorjaar van 1815 tot de aanleg van een nieuwe Waterlinie, toen nog 'Utrechtse Linie' genoemd. De militaire en waterstaatkundige werken voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie zouden het grootste en duurste infrastructurele project worden dat ooit in Nederland is uitgevoerd.

Bouwen aan een perfect systeem

Evenals de 'Oude' Hollandse Waterlinie steunde de 'Nieuwe' op uitgebreide - maar nu beter beheersbare - inundaties, waarbij forten en batterijen de inlaatpunten (sluizen) beschermden en de niet te inunderen terreinstroken en andere accessen afsloten. Samen met de waterbouwkundige Jan Blanken, inspecteur-generaal van Waterstaat, ontwikkelde Kraijenhoff als inspecteur-generaal der Fortificaties (1814-1826) de 'natte' plannen voor de Nieuwe Waterlinie en werd opdracht gegeven aan majoor-ingenieur Willem Offerhaus voor de bouw van een fortenkring om Utrecht. Tot aan Nieuwersluis werd het tracé van de (oude) Hollandse Waterlinie langs de Vecht aangehouden. Vanaf Nieuwersluis volgde de nieuwe linie de Vecht, tot enkele kilometers ten noorden van Utrecht. Daar moest de linie oostelijk om de stad heen buigen, om vervolgens langs de Vaartse Rijn verder te gaan tot aan de sluizen van Vreeswijk aan de Lek. Voorts sloot de nieuwe Waterlinie aan op het zuidelijke tracé dat in 1787 was verplaatst naar de Diefdijk en de Linge. Er dienden vijf zogenaamde 'inundatiekommen' te komen met op de accessen permanente verdedigingswerken. Op een zestal cruciale plekken werden door Blanken ontworpen waaiersluizen gebouwd. Deze sluizen, die zelfs tegen hoog water in geopend konden worden, waren ideaal voor militaire inundaties. De inrichting van een optimaal inundatiestelsel en de aanleg van de onmisbare permanente verdedigingswerken duurden, met onderbrekingen, van 1815 tot 1886. Dat de realisatie van de nieuwe Waterlinie zoveel tijd kostte, had alles te maken met de (internationale) politieke en militair-technische ontwikkelingen en de ingrijpende infrastructurele en waterstaatkundige veranderingen gedurende de negentiende eeuw. We kunnen in die eeuw een viertal bouwperioden onderscheiden. In de eerste fase van 1815-1826 werden de versterkingen rondom Utrecht gerealiseerd. Vervolgens bouwde de Dienst der Fortificatiën van 1841 tot 1864 de torenforten bij de rivieraccessen en tussen 1867-1872 vonden overal in de Linie verbeteringen plaats. Ten slotte werden tussen 1871 en 1886 de laatste forten van de Linie gebouwd. In de twintigste eeuw veranderden de militaire tactieken drastisch en werden veldversterkingen tussen de forten aangelegd met diverse werken van gewapend beton.

Bouwfasen in de negentiende eeuw

Gedurende de eerste bouwfase werd tussen 1816 en 1826 op de kwetsbare accessen rondom Utrecht een vijftal forten gebouwd. De eenvoudige werken bestonden uit aarden omwallingen, die precies in het hart van de te beveiligen weg of kade waren gelegen. De forten werden omgeven door een gracht en op de hoofdwal was de opstelplaats voor het geschut. De vorm en de omvang van de forten werden bepaald door de breedte van het acces en de ligging van de inundatiemiddelen. Op de hoog gelegen - en dus niet te inunderen - Houtense Vlakte werden vier lunetten gebouwd. Deze V-vormige versterkingen werden voorzien van zware bakstenen bekledingsmuren. Ten zuiden van Utrecht bouwde men ter bescherming van de inundatiesluizen forten bij Jutphaas, Vreeswijk en Culemborg. De volgende bouwfase diende zich aan nadat Nederland in 1839 België als onafhankelijke staat had erkend. Reorganisatie en vernieuwing van het verdedigingsstelsel waren nodig. Koning Willem II besloot tot een geconcentreerde verdediging, met de Nieuwe Hollandse Waterlinie als hoofddefensielinie. De vestingen en linies aan de landsgrenzen dienden om een eventuele vijandelijke opmars te vertragen, zodat de inundaties van Waterlinie tijdig konden worden gerealiseerd. De tweede actieve bouwperiode van de waterlinie duurde van 1841 tot 1864 en vond plaats, ondanks ingrijpende bezuinigingen op defensie (de omvang van het leger werd gehalveerd). Onder leiding van genieofficier Merkes van Gendt werden op de dijkaccessen langs de rivieren torenforten gebouwd. Bij de rivieraccessen van de Vecht, Lek, Linge en Waal verrezen ronde bakstenen torenforten. In diezelfde periode kregen veel kleinere werken van de linie 'bomvrije' gebouwen o.a. in de vorm van vierkante wachthuizen binnen de redoutes. Met de Napoleontische term 'bomvrij' (à l' epreuve de bombe) bedoelde men dat ze bestand waren tegen contemporain geschut. Het waren veelal wachthuizen met zware, gemetselde muren. Enige versterkingen op de dijkaccessen in het Vechtplassengebied, die nog uit de Franse tijd dateerden, werden vervangen door eenvoudige forten of redoutes. In 1853 werd de Kringenwet ingevoerd die bepaalde dat er binnen cirkel van 1000 meter van de forten beperkte bouw- en beplantingsvoorschriften golden i.v.m. een vrij schootsveld. Binnen deze kringen vinden we dan ook soms houten bebouwing. In 1951 werd de Kringenwet opgeschort en in 1963 ingetrokken. Omstreeks 1864 leek de Nieuwe Hollandse Waterlinie min of meer voltooid. Maar ontwikkelingen voor en tijdens de Frans-Duitse oorlog van 1870 brachten talloze tekortkomingen aan het licht, zowel op bouwkundig en wapentechnisch, als op tactisch gebied. Kolonel Kromhout kreeg de taak om de organisatie van de Waterlinie beter te structureren. Er waren veel te weinig bomvrije onderkomens voor manschappen en bomvrije magazijnen voor munitie. Bovendien bleken de zware muren van de hoge torenforten lang niet zo 'bomvrij' als ze heetten te zijn. Maar ook de nieuwe en de verbeterde 'bomvrije' forten bleken kort na oplevering alweer verouderd. In de daaropvolgende jaren werden de kwetsbare torens daarom beveiligd. Om de torens tegen directe treffers te beschermen, werd een zogenaamde 'contrescarp' aangebracht, een halfrondgaande aanaarding van een dik kleipakket of een gemetselde en aangeaarde galerij die los stond van de toren en daar in een ruime halve cirkelvorm omheen lag. Ook veel andere bomvrije wachthuizen kregen een stevige aarden dekking. De derde bouwperiode (1867- ca. 1872) volgde o.a. na de uitvindingen van geschut met een getrokken loop (ca. 1860). Dit ver dragende en nauwkeuriger geschut maakte duidelijk dat de werken in de Waterlinie toch zeer kwetsbaar waren. De forten misten dekkingsmogelijkheden voor manschappen en materieel. Er was behoefte aan bomvrije remises voor geschut en bomvrije kazernes voor de manschappen. Bovendien dienden de wallen te worden verzwaard. Door de toegenomen reikwijdte van de projectielen moesten de steden Naarden en Utrecht, die in de frontlinie kwamen te liggen, op grotere afstand worden verdedigd. Daarom werden vooruitgeschoven posten aangelegd. Het centraal gelegen Utrecht was al een kruispunt van wegen, maar werd sinds de jaren '60 ook een knooppunt van een nieuwe vorm van infrastructuur: de spoorwegen. De ring van zes oudere forten die Utrecht beschermde, lag ten opzichte van de mogelijke posities van vijandelijk geschut te dicht bij de stad. Daarom werd nog verder oostwaarts van de Domstad een tweede, vooruitgeschoven fortenkring aangelegd. Verder vonden langs de Lek verbeteringen plaats voor mogelijke onderwaterzettingen rond Utrecht: er kwam een nieuwe inlaatsluis bij Wijk bij Duurstede en er vonden verbeteringen plaats bij Honswijk. Begin jaren '70 realiseerde de regering zich dat het Nederlandse defensieapparaat de afgelopen dertig jaar sterk onder de bezuinigingen had geleden. Daarom diende de Minister van Oorlog de Vestingwet van 1874 in. Deze kende o.a. prioriteit toe aan de verbetering en vernieuwing van de Nieuwe Hollandse Waterlinie als hoeksteen van de Nederlandse verdediging. Binnen acht jaar moesten nieuwe werkzaamheden voor de hoofdverdedigingslinie worden verwezenlijkt (ruim 10 miljoen gulden). Daarmee ging men de vierde bouwperiode (ca. 1871-1886) in, die in feite een voortzetting was van de derde, maar op andere gronden. De Waterlinie was nog maar amper ingericht volgens de laatste eisen van een grote defensieve kracht, of in 1885 werd de brisantgranaat ingevoerd. Tegen dit explosieve projectiel was geen fort bestand. L'histoire se repète: op slag waren de forten van de gemoderniseerde Waterlinie weer verouderd en dus onbruikbaar. De geschiedenis van de vestingbouw leert dat de ontwikkelingen van de verdedigingsmethoden voortdurend achterlopen op die van de aanvalswapens. De forten bleken niet meer geschikt als opstellingsplaats voor vestinggeschut. Om trefkans te voorkomen, moesten manschappen en geschut worden gespreid in het linielandschap. De forten vervulden nog wel een rol als stormvrij infanteriesteunpunt. Sindsdien speelde 'maskering'(camouflage) door beplantingen op en bij de forten een rol. In deze periode werden op veel forten, behalve fortwachterswoningen, ook houten genie- en artillerieloodsen gebouwd om het materieel in vredestijd vochtvrij te stallen. Ondertussen vond toch op grote schaal nieuwbouw plaats in de Waterlinie. Van noord tot zuid verrezen nieuwe forten en batterijen in de Linie om een aaneengesloten 'snoer' van steunpunten op bepaalde afstand van elkaar te realiseren. Daarna kwam de fortenbouw tot stilstand. Het nut en de kracht van de kostenverslindende en snel verouderende forten van de Waterlinie stonden aan het eind van de negentiende eeuw ter discussie. Het accent werd van de zogenaamde 'dode weermiddelen' verlegd naar de levende, mobiele strijdkrachten die verspreid in veldversterkingen in de Linie zouden moeten opereren om een stormaanval met de nieuwste wapens te weerstaan.

WOI en WOII

Tijdens de mobilisaties van WOI en WOII werd een groot aantal veldversterkingen voor artillerie, infanterie en munitieopslag aangelegd. Loopgravenstelsels, groepsnesten, prikkeldraadversperringen, gevechtswagenversperringen en tankgrachten bepaalden het gezicht van de jongste Waterlinie. Ook bouwde men honderden betonnen groepsschuilplaatsen en vele mitrailleurkazematten tussen de forten in het linielandschap. Op en bij de forten verschenen de moderne golfplaten Nissen-hutten en Romney-loodsen voor diverse doeleinden.

TUSSENSTELLING OMGEVING WERK OP DE SPOORWEG

Inleiding complex

Het complex TUSSENSTELLING OMGEVING WERK OP DE SPOORWEG vormt een aanvulling op en uitbreiding van de bestaande (verdedigings)werken langs de Diefdijk. Tot die werken behoorden ook een gemaal en sluiswerken. De verdedigingswerken langs de Diefdijk, die hoofdzakelijk bestaan uit kleine betonnen werken, danken hun ontstaan aan de veranderde krijgstechniek vanaf het einde van de 19de eeuw. De Diefdijk was de westgrens van het brede voorgelegen inundeerbare gebied tussen de Lek en de Linge. De accessen van de Linge- en Lekoevers, de spoorweg van Dordrecht naar Elst en ook de Diefdijk zelf werden verder verdedigd door middel van een aantal forten en andere werken. Het geschut van deze forten en werken bestreek de accessen, maar er werd besloten de geconcentreerde verdediging gedeeltelijk te vervangen door en aan te vullen met verspreide gevechtsopstellingen.

Deconcentratie van de verdediging was onder meer een antwoord op de komst van het getrokken geschut (met roterende puntvormige projectielen), de brisantgranaat (met hoogexplosieve springlading) en op het verschijnen van mobiel en verdragend geschut. In de laatste decennia van de 19de eeuw werden forten zo gemakkelijke en kwetsbare doelwitten die grote risico's opleverden door de erin geconcentreerde functies. Vanaf het einde van de 19de eeuw werd daarom een deconcentratie van functies uitgevoerd, onder meer in de vorm van de aanleg van tussenbatterijen, al dan niet met betonnen batterijschuilplaatsen. In dit complex zijn dergelijke werken niet herkenbaar meer aanwezig. Verder legde men tussen de forten (in lineair verband) (semi)permanente en tijdelijke werken aan, zoals kilometers lange 'gedekte wegen' en vaak ook tientallen aarden en betonnen werken. Hieronder waren lange aarden wallen, in mobilisatietijd aan te leggen (betonnen, houten en aarden) loopgraven, manschappenopstellingen, manschappenschuilplaatsen, geschutsopstellingen (kazematten) en versperringen, e.d. Ook de opkomst van veel snellere aanvals- en vervoersmiddelen - zowel over land als door de lucht - waardoor verrassingsaanvallen mogelijk werden, speelde hierbij een rol, vooral in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog. Deconcentratie van de verdediging was een verschijnsel dat zich op veel plaatsen voordeed, maar vooral in het vlakke en 'overzichtelijke' Nederland.

De spoorweg van Elst over Geldermalsen, Leerdam en Gorinchem naar Dordrecht, uit 1885, was een acces dat als spoorweg en als dijklichaam afgesloten en verdedigd moest worden. Aanvankelijk door middel van het Werk op de spoorweg bij de Diefdijk en aarden geschutsopstellingen, maar vanaf 1939-1940 vooral door middel van kleine betonnen werken. Verder werd het gemaal met inundatie- en uitwateringssluis De Oude Horn, bij Leerdam, vanaf 1939-1940 door middel van mitrailleuropstellingen en betonnen werken verdedigd. De meeste betonnen werken werden gebouwd volgens standaardontwerpen. Het ging binnen het complex Tussenstelling Omgeving Werk op de Spoorweg om enkele groepsschuilplaatsen type P. Deze uit de periode 1939-1940 daterende betonnen werken liggen binnen dit complex zowel ten westen als ten oosten van de Diefdijk-Meerdijk.

Ligging en relatie tot andere complexen

Tezamen met de Forten Everdingen en Asperen, het Werk aan het Spoel en het Werk op de Spoorweg bij de Diefdijk vormden de betonnen en andere werken langs de Diefdijk een belangrijke ondersteuning van de hoofdverdedigingslijn achter de voorgelegen inundatiezone, die werd bepaald door de Diefdijk.

Omschrijving complex

Het complex TUSSENSTELLING OMGEVING WERK OP DE SPOORWEG is in hoofdzaak tot stand gekomen als een aanvulling op de bestaande accesverdediging van de spoorlijn Elst over Geldermalsen, Leerdam en Gorinchem naar Dordrecht en als verdediging van het gemaal De Oude Horn, met inundatie- en uitwateringssluis. Het complex omvat behalve dit gemaal met sluis en enkele groepsschuilplaatsen type P.

De bescherming van het complex Tussenstelling Omgeving Werk op de Spoorweg betreft de volgende complexonderdelen:

- GROEPSSCHUILPLAATSEN TYPE P - GEMAAL DE OUDE HORN MET INUNDATIE-, KEER- EN UITWATERINGSSLUIS

Waardering complex

Het complex TUSSENSTELLING OMGEVING WERK OP DE SPOORWEG is van algemeen belang vanwege:

* Cultuurhistorische waarden als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zoals deze is ontworpen door C.R.T. Kraijenhoff en in eerste aanleg vanaf 1815 door hem, Jan Blanken en majoor-ingenieur Willem Offerhaus is aangelegd en daarna door anderen gedurende ongeveer 125 jaar is versterkt en verbeterd.

* Architectuurhistorische waarden in het bijzonder als uiting van de militair-strategische bouwkunde, die gebaseerd is op: a. het systeem van inundatie en accesverdediging (19de eeuw), b. de wedloop met de zich versterkende offensieve middelen (19de en 20ste eeuw), c. het systeem van 'levende' veldversterking in de diepte (20ste eeuw).

Het betreft hier een complex dat een voorbeeld is van een complex waarvan delen dateren uit het derde en vierde kwart van de 19de eeuw en dat in de jaren 1939-1940 verder is versterkt met afzonderlijke, kleine betonnen werken.

* Krijgshistorische en systeemwaarden als onderdeel van een aaneengesloten militaire verdedigingslinie tussen de voormalige Zuiderzee en de Biesbosch. Deze bestond hoofdzakelijk uit een samenhangend systeem van inundatievelden en bijbehorende inundatiemiddelen en van schootsvelden. Dit systeem werd aangevuld met diverse, uit verschillende perioden daterende typen gebouwde of aangelegde (verdedigings)werken die dienden tot of bijdroegen aan afsluiting en verdediging van niet te inunderen terreinen of andere accessen.

* Ensemblewaarde en situationele waarden vanwege zijn ligging binnen het systeem van de Nieuwe Hollandse Waterlinie in het algemeen, in het bijzonder in de directe relatie tot het complex Werk op de Spoorweg bij de Diefdijk en vanwege de combinatie van militaire en civiele waterstaatkundige betekenis. Tevens vanwege de functionele en fysieke samenhang van de onderdelen van het complex en vanwege een grotendeels gave relatie met het schootsveld en/of inundatieveld.

* Het complex is representatief (karakteristiek) omdat het nog steeds de eigen fysieke kenmerken en belangrijke omgevingskenmerken vertoont die destijds tot bouw en modernisering aanleiding waren.

* Het complex is tamelijk gaaf bewaard omdat qua structuur en fysiek voorkomen de hoofdzaken van de toestand in de jaren '80 van de 19de eeuw en van de late jaren '30 van de 20ste eeuw zijn bewaard.

Inleiding

GROEPSSCHUILPLAATSEN TYPE P van het complex Tussenstelling Omgeving Werk op de Spoorweg, als 20ste-eeuwse, in serie gebouwde, toevoegingen aan de bestaande verdediging. De groepsschuilplaatsen Type P zijn volgens min of meer uniform of standaardontwerp in de jaren 1939-1940 op meerdere plaatsen in Nederland gebouwd. Het totaal aantal gebouwde exemplaren bedraagt circa 700, waarvan in de Nieuwe Hollandse Waterlinie ongeveer 570; het merendeel (ca. 400) hiervan bestaat nog. Het bouwprogramma van de groepsschuilplaatsen Type P was bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog niet afgerond en van een aantal exemplaren is bekend dat ze nooit zijn voltooid. Type P (vanwege de markante vorm ook wel 'de piramide' genoemd) is vermoedelijk het meest bekende type betonnen verdedigingswerk in Nederland. Het type kwam voort uit het zogenoemde VIS 77 (Voorschrift Inrichten Stellingen no. 77) uit 1928 en had onder meer als bestemming deel uit te maken van de verdediging van een aantal bestaande en nieuwe accessen, waaronder vooral (autosnel)wegen. De groepsschuilplaats Type P kwam gewoonlijk tot stand in de directe nabijheid van reeds bestaande of in dezelfde tijd gerealiseerde kazematten, geschutsopstellingen, versterkingen of loopgraven. Doordat de loopgraven en andere (aard)werken later vrijwel overal zijn geëffend of gesloopt, liggen de betonnen schuilplaatsen tegenwoordig soms voor een deel beneden het maaiveld. De van oudsher geheel gesloten voorzijde of frontzijde van de groepsschuilplaatsen Type P was in veel gevallen gedekt door aardwerken die deel konden uitmaken van een glacis ter bescherming van de loopgraaf of een gedekte weg. Deze aardwerken zijn thans meestal niet meer aanwezig of nog slechts met moeite herkenbaar, maar met name op forten of in anderszins geaccidenteerd terrein zijn ze soms nog wel aanwezig. Er zijn talrijke exemplaren van het Type P gebouwd in inundeerbare gebieden, waarbij in een aantal gevallen een zichtbaar geworden paalfundering is toegepast; bij andere is een rondom uitstekende funderingsplaat of ook wel een trog tegen inundatiewater zichtbaar.

De Groepsschuilplaatsen type P behorend tot het complex Tussenstelling Omgeving Werk op de Spoorweg liggen zowel aan de west- als aan de oostzijde van de Diefdijk, nl. de exemplaren in nabij het gemaal De Oude Horn met sluis, vooral aan de oostzijde, en de schuilplaatsen nabij de spoorweg en ten noorden daarvan, vooral aan de westzijde. Een eerder niet opgemerkt exemplaar bevindt zich ten zuidwesten van het gemaal, in het buitendijkse gebied bezuiden de slinger in de Horndijk-Meerdijk.

Omschrijving

GROEPSSCHUILPLAATSEN TYPE P zijn éénlaagse, gewoonlijk in gewapend, circa 100 tot 180 cm dik gietbeton uitgevoerde, granaatvrije, militaire onderkomens, die beschutting konden bieden aan 10-12 manschappen infanterie / artillerie, bij dekkingsklasse W 12-15 of W 21-28. De groepsschuilplaatsen Type P zijn gebouwd op een rechthoekig grondplan, bij maten die uiteenlopen van ongeveer 5.50 x 7.20 x 4.70 m tot 6.50 x 8.20 x 4.90 (b x d x h). De zichtbare hoogte boven het maaiveld varieert echter. De beide blinde zijgevels en de keelzijde zijn tot op ongeveer 3.00 m hoogte verticaal uitgevoerd. Daarboven gaan deze gevels met een knik van ongeveer 45 0 naar binnen, om vervolgens over te gaan in een vlakke dekking. Rechts in de keelzijde is op plaatselijk verschillende hoogte boven maaiveld een (later al dan niet dichtgezette), meestal vierkante toegangsopening. De in zijn geheel verticale, gesloten frontzijde weerspiegelt de hoeken van 45 0 en eindigt dus als een 'afgeknotte puntgevel'. In een aantal gevallen zijn in de gevel(s) ijzeren haken of beugels meegegoten die konden dienen ter bevestiging van camouflagemateriaal. Een kenmerkend onderdeel bovenop de schuilplaats type P is de conische, betonnen 'uitlaat', die bestemd was voor toepassing van een periscoop. Deze periscopen zijn in de praktijk echter zelden of nooit aangebracht. Het interieur van de groepsschuilplaatsen Type P bestaat uit een korte gang (meestal met een betonnen keermuur of balustrade en gewoonlijk enkele neergaande treden) en een van daaruit naar links gerichte 'sluis' die afgrendelbaar was door een (uit meerdere delen bestaande) zware, stalen deur. Via een tweede, vergelijkbare deur kon rechtsom een achterliggende, vrijwel vierkante ruimte worden bereikt, de echte schuilplaats. De toegang kon vanuit deze ruimte worden gedekt door een schietgat voor een geweer. De stalen deuren zijn echter zelden of nooit geplaatst en de ingangen zijn later vaak dichtgezet met baksteen en gepleisterd. De op ruim twee meter boven vloerniveau gelegen plafonds zijn vlak en rechthoekig. In een aantal gevallen zijn nog interieuronderdelen aanwezig, zoals (resten van) houten banken of een steun voor het handvuurwapen voor de bestrijking van de ingang. Alle tot het complex Tussenstelling Omgeving Werk op de Spoorweg behorende exemplaren zijn redelijk tot goed in het veld waarneembaar.

Waardering

De GROEPSSCHUILPLAATSEN TYPE P van het complex Tussenstelling Omgeving Werk op de Spoorweg zijn van algemeen belang vanwege:

* Cultuurhistorische waarden als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zoals deze is ontworpen door C.R.T. Kraijenhoff en in eerste aanleg vanaf 1815 door hem, Jan Blanken en majoor-ingenieur Willem Offerhaus is gerealiseerd en daarna door anderen gedurende ongeveer 125 jaar is versterkt en verbeterd.

* Architectuurhistorische waarden in het bijzonder als uiting van de militair-strategische bouwkunde, die gebaseerd is op: a. het systeem van inundatie en accesverdediging (19de eeuw), b. de wedloop met de zich versterkende offensieve middelen (20ste eeuw), c. het systeem van 'levende' veldversterking (20ste eeuw).

Het betreft hier onderdelen uit de periode 1939 -1940, namelijk voorbeelden van gewapend betonnen manschappenschuilplaatsen, thans zonder aarden dekking.

* Ensemblewaarde en situationele waarden als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Tevens vanwege de functionele en fysieke samenhang met de overige onderdelen van het complex en in het bijzonder met het gemaal en de sluiswerken De Oude Horn en het complex Werk op de Spoorweg bij de Diefdijk.

* De onderdelen zijn representatief (karakteristiek) omdat ze als onderdeel van een gedeconcentreerde verdediging(slijn) herkenbaar zijn toegevoegd aan het bestaande fortificatiestelsel.

* De onderdelen zijn tamelijk gaaf bewaard en laten zich als gebouwde onderdelen overwegend goed in het veld herkennen.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Cluster 66. Group shelters type P. See also complex number 531857, monument number 531858.

NEW HOLLAND LINE

Introduction

The New Holland Line formed the main defence line of the Kingdom of the Netherlands from 1815 to February 1940. The 85-kilometre-long defence line, which was based on an extensive water barrier supported by military fortifications, stretched from the Zuiderzee at Muiden to the Biesbosch at Werkendam. The width varied from only a few hundred metres east of Utrecht to 7.5 km and even more than 10 km in the Vijfheerenlanden. The typically Dutch defence system of inundations was the improved continuation of the once highly successful (Old) Holland Line from 1672. The concept for a water line dates back to 1589, when Prince Maurits was tasked by the States of Utrecht and Holland to investigate how the young Republic of the Seven United Netherlands could be defended as efficiently as possible. By making optimal use of the geographical circumstances, a special defence line could be created. Where high Netherlands transitions into the low-lying polder area, it is fairly easy to inundate land using sluices or by breaching dikes. The tangible components of this mainly 'paper tiger' were tinkered with for centuries. After World War II, the New Holland Line no longer played a significant role in main defence. And in 1951, many components of the Line were declassified, making the dissolution of the Line as such a fact.

An Improved Water Line

The foundation and water plan for an improved new Holland Line was laid during the French period in 1796/97 by C.R.T. Kraijenhoff, director of Dutch Fortifications. In his Memoir concerning the first or capital Water Line, Kraijenhoff describes in detail how the (Old) Holland Line stood at that time and indicates how this Line should be improved. He also advocates an eastward relocation of the Line to bring the city of Utrecht within the Line, protected by a chain of outposts. Not only because Utrecht was an important garrison city, but especially to prevent the enemy from draining the water obstacle. The recommendations he made formed the concept for what would later become the New Holland Line. In 1811, the plans were even approved by Emperor Napoleon: La ligne de Naarden à Gorcum doit donc être considérée comme la vraie ligne de l'Empire. Due to military and political developments, however, the plan was not further developed. After the French departure, in the run-up to the new Kingdom of the Netherlands in autumn 1814, Kraijenhoff submitted a new memorandum, in which his proposals from 1796 and 1811 were updated. Consequently, King William I decided in spring 1815 to establish a new Water Line, then still called the 'Utrecht Line'. The military and water management works for the New Holland Line would become the largest and most expensive infrastructure project ever executed in the Netherlands.

Building a Perfect System

Like the 'Old' Holland Line, the 'New' was based on extensive—but now better manageable—inundations, with forts and batteries protecting the inundation points (sluices) and closing off areas not to be inundated and other accesses. Together with water engineer Jan Blanken, inspector-general of Water Management, Kraijenhoff, as inspector-general of Fortifications (1814-1826), developed the 'wet' plans for the New Water Line, and Major-engineer Willem Offerhaus was tasked with building a ring of forts around Utrecht. As far as Nieuwersluis, the trace of the (Old) Holland Line along the Vecht was maintained. From Nieuwersluis onwards, the new line followed the Vecht until several kilometres north of Utrecht. There the line had to bend eastward around the city, then continuing along the Vaartse Rijn until the sluices of Vreeswijk on the Lek. Furthermore, the new Water Line connected to the southern trace that had been relocated in 1787 to the Diefdijk and the Linge. Five so-called 'inundation basins' were to be created with permanent defence works on the accesses. At six crucial locations, Blanken designed fan-shaped sluices. These sluices, which could even be opened against high water, were ideal for military inundations. The establishment of an optimal inundation system and the construction of the essential permanent defence works lasted, with interruptions, from 1815 to 1886. That the realisation of the new Water Line took so much time had everything to do with (international) political and military-technical developments and the drastic infrastructure and water management changes during the nineteenth century. We can distinguish four building periods in that century. In the first phase from 1815-1826, the fortifications around Utrecht were realised. Subsequently, the Service of Fortifications built tower forts at the river accesses from 1841 to 1864, and between 1867-1872 improvements took place throughout the Line. Finally, between 1871 and 1886, the last forts of the Line were built. In the twentieth century, military tactics changed drastically and field fortifications were laid out between the forts with various reinforced concrete structures.

Building Phases in the Nineteenth Century

During the first building phase, between 1816 and 1826, five forts were built on the vulnerable accesses around Utrecht. The simple works consisted of earthen ramparts, which lay precisely in the heart of the road or quay to be protected. The forts were surrounded by a ditch and the gun emplacement was on the main wall. The shape and size of the forts were determined by the width of the access and the location of the inundation means. On the high-lying—and therefore not to be inundated—Houtense Plain, four lunettes were built. These V-shaped fortifications were provided with heavy brick facing walls. South of Utrecht, forts were built near Jutphaas, Vreeswijk and Culemborg to protect the inundation sluices. The next building phase began after the Netherlands recognised Belgium as an independent state in 1839. Reorganisation and renewal of the defence system were necessary. King William II decided on concentrated defence, with the New Holland Line as the main defence line. The fortresses and lines on the borders of the realm were intended to slow any enemy advance, so that the inundations of the Water Line could be realised in time. The second active building period of the water line lasted from 1841 to 1864 and took place despite drastic defence savings (the size of the army was halved). Under the direction of engineer officer Merkes van Gendt, tower forts were built on the dike accesses along the rivers. At the river accesses of the Vecht, Lek, Linge and Waal, round brick tower forts were erected. In the same period, many smaller works of the line received 'shellproof' buildings, including square guardhouses within the redoutes. The Napoleonic term 'shellproof' (à l'épreuve de bombe) meant that they could withstand contemporary artillery. They were usually guardhouses with heavy, masoned walls. Some fortifications on the dike accesses in the Vechtplassen area, which still dated from the French period, were replaced by simple forts or redoutes. In 1853, the Kringenwet (Ring Act) was introduced, which stipulated that within a circle of 1000 metres from the forts, limited building and planting restrictions applied for the sake of a clear field of fire. Within these circles we sometimes find wooden buildings. In 1951, the Kringenwet was suspended, and in 1963 it was repealed. Around 1864, the New Holland Line seemed more or less complete. But developments before and during the Franco-German War of 1870 revealed countless shortcomings, both in construction and weaponry, and in tactical matters. Colonel Kromhout was tasked with better structuring the organisation of the Water Line. There were far too few shellproof quarters for troops and shellproof magazines for ammunition. Moreover, the heavy walls of the high tower forts proved far from as 'shellproof' as they were supposed to be. But the new and improved 'shellproof' forts also proved outdated shortly after completion. In the following years, the vulnerable towers were therefore reinforced. To protect the towers against direct hits, a so-called 'contrescarp' was created—a semi-circular earthing of a thick layer of clay or a masoned and earthed gallery that stood apart from the tower and lay around it in a broad semi-circle. Many other shellproof guardhouses also received solid earth covering. The third building period (1867–c. 1872) followed, among other things, after the invention of rifled artillery (c. 1860). This long-range and more accurate artillery made it clear that the works in the Water Line were very vulnerable. The forts lacked cover for troops and materiel. There was a need for shellproof remises for guns and shellproof barracks for the troops. Moreover, the walls had to be strengthened. Due to the increased range of projectiles, the cities of Naarden and Utrecht, which came to be on the front line, had to be defended at greater distance. Therefore, advanced posts were established. The centrally located Utrecht was already a crossroads, but from the 1860s onwards also became a hub of a new form of infrastructure: railways. The ring of six older forts protecting Utrecht lay too close to the city in relation to possible enemy artillery positions. Therefore, a second, more advanced ring of forts was laid out further east of the city. Further along the Lek, improvements were made for possible underwater inundations around Utrecht: a new inlet sluice was built at Wijk bij Duurstede and improvements were made at Honswijk. In the early 1870s, the government realised that the Dutch defence apparatus had suffered greatly from savings over the past thirty years. Therefore, the Minister of War introduced the Vestingwet (Fort Act) of 1874. This gave priority, among other things, to the improvement and renewal of the New Holland Line as the cornerstone of Dutch defence. Within eight years, new work for the main defence line had to be completed (over 10 million guilders). This marked the beginning of the fourth building period (c. 1871-1886), which was in fact a continuation of the third, but on different grounds. The Water Line was scarcely fitted according to the latest requirements of a major defensive force when, in 1885, the high-explosive grenade was introduced. No fort could withstand this explosive projectile. L'histoire se repète: suddenly the forts of the modernised Water Line were obsolete and thus unusable. The history of fortification building teaches that the development of defence methods continually lag behind those of attack weapons. The forts proved no longer suitable as emplacement positions for fortress artillery. To avoid hits, troops and guns had to be dispersed throughout the linear landscape. The forts still played a role as storm-proof infantry support points. From then on, 'masking' (camouflage) through vegetation on and around the forts became important. During this period, in addition to fort keeper's houses, wooden engineer and artillery stores were built on many forts to keep materiel dry during peacetime. Meanwhile, new construction on a large scale took place in the Water Line. From north to south, new forts and batteries were erected to create a continuous 'string' of support points at certain distances from each other. After that, fort building ceased. The utility and strength of the costly and rapidly outdating forts of the Water Line became a matter of discussion at the end of the nineteenth century. The emphasis shifted from so-called 'dead defence means' to living, mobile forces that would have to operate dispersed in field fortifications throughout the Line to withstand a storm attack with the latest weapons.

World War I and World War II

During the mobilisations of World War I and World War II, a large number of field fortifications for artillery, infantry and ammunition storage were laid out. Trench systems, squad nests, barbed wire barriers, anti-tank obstacles and tank ditches characterised the youngest Water Line. Hundreds of concrete group shelters and many machine-gun emplacements were also built between the forts in the linear landscape. Modern corrugated Nissen huts and Romney stores for various purposes appeared on and around the forts.

INTERMEDIATE POSITION SURROUNDING WORK ON THE RAILWAY

Introduction to Complex

The INTERMEDIATE POSITION SURROUNDING WORK ON THE RAILWAY complex forms a supplement to and extension of the existing (defence) works along the Diefdijk. These works also included a pumping station and sluice structures. The defence works along the Diefdijk, which consist mainly of small concrete structures, owe their origin to changed military engineering from the end of the 19th century onwards. The Diefdijk was the western boundary of the broad inundatable area in front between the Lek and the Linge. The accesses from the Linge and Lek banks, the railway from Dordrecht to Elst and the Diefdijk itself were further defended by means of a number of forts and other works. The artillery of these forts and works covered the accesses, but it was decided to partially replace the concentrated defence with and supplement it with dispersed combat positions.

Deconcentration of defence was, among other things, a response to the arrival of rifled artillery (with rotating pointed projectiles), high-explosive grenades (with high-explosive charges) and the appearance of mobile and powerful artillery. In the last decades of the 19th century, forts became easily hit and vulnerable targets that posed great risks through the concentrated functions within them. From the end of the 19th century, a deconcentration of functions was therefore carried out, partly in the form of laying out intermediate batteries, with or without concrete battery shelters. Such works are no longer recognisably present in this complex. Furthermore, between the forts (in linear relation), (semi)permanent and temporary works were laid out, such as kilometres of 'covered ways' and often dozens of earthen and concrete works. These included long earthen ramparts, trenches (concrete, wooden and earthen) to be constructed during mobilisation, troop positions, troop shelters, gun emplacements (casemates) and obstacles, etc. The emergence of much faster attack and transport means—both on land and through the air—which made surprise attacks possible, also played a role here, especially in the run-up to World War II. Deconcentration of defence was a phenomenon that occurred in many places, but especially in the flat and 'easily visible' Netherlands.

The railway from Elst via Geldermalsen, Leerdam and Gorinchem to Dordrecht, from 1885, was an access that had to be closed off and defended as both a railway and a dike structure. Initially by means of the Work on the railway at the Diefdijk and earthen gun emplacements, but from 1939-1940 especially by means of small concrete structures. Furthermore, the pumping station with inundation and drainage sluice De Oude Horn, near Leerdam, was defended from 1939-1940 onwards by means of machine-gun emplacements and concrete structures. Most concrete works were built according to standard designs. Within the INTERMEDIATE POSITION SURROUNDING WORK ON THE RAILWAY complex, there were several group shelters type P. These concrete structures dating from the period 1939-1940 lie within this complex both west and east of the Diefdijk-Meerdijk.

Location and Relation to Other Complexes

Together with Forts Everdingen and Asperen, the Work at the Spoel and the Work on the Railway at the Diefdijk, the concrete and other structures along the Diefdijk formed an important support for the main defence line behind the inundatable zone in front, which was determined by the Diefdijk.

Description of Complex

The INTERMEDIATE POSITION SURROUNDING WORK ON THE RAILWAY complex was mainly created as a supplement to the existing access defence of the railway line from Elst via Geldermalsen, Leerdam and Gorinchem to Dordrecht and as defence of the pumping station De Oude Horn, with inundation and drainage sluice. The complex comprises, apart from this pumping station with sluice, some group shelters type P.

The protection of the INTERMEDIATE POSITION SURROUNDING WORK ON THE RAILWAY complex concerns the following complex components:

- GROUP SHELTERS TYPE P - PUMPING STATION DE OUDE HORN WITH INUNDATION, CHECK AND DRAINAGE SLUICE

Valuation of Complex

The INTERMEDIATE POSITION SURROUNDING WORK ON THE RAILWAY complex is of general importance because of:

* Cultural-historical values as part of the New Holland Line as designed by C.R.T. Kraijenhoff and initially established from 1815 by him, Jan Blanken and Major-engineer Willem Offerhaus, and subsequently strengthened and improved by others over approximately 125 years.

* Architectural-historical values, in particular as an expression of military-strategic building design, based on: a. the system of inundation and access defence (19th century), b. the competition with increasingly powerful offensive means (19th and 20th centuries), c. the system of 'living' field fortification in depth (20th century).

This is a complex of which parts date from the third and fourth quarters of the 19th century and which was further strengthened in 1939-1940 with individual, small concrete structures.

* Military-historical and system values as part of a continuous military defence line between the former Zuiderzee and the Biesbosch. This consisted mainly of a coherent system of inundation fields and associated inundation means and field of fire. This system was supplemented with various types of built or constructed (defence) works dating from different periods, which served to or contributed to the closure and defence of non-inundatable areas or other accesses.

* Ensemble value and situational values because of its location within the system of the New Holland Line in general, in particular in direct relation to the Work on the Railway at the Diefdijk complex, and because of the combination of military and civil water management significance. Also because of the functional and physical coherence of the complex components and because of a largely intact relationship with the field of fire and/or inundation field.

* The complex is representative (characteristic) because it still displays the distinctive physical characteristics and important environmental characteristics that originally prompted its construction and modernisation.

* The complex is fairly well preserved because its structure and physical appearance preserve the essentials of the situation in the 1880s and the late 1930s.

Introduction

GROUP SHELTERS TYPE P of the INTERMEDIATE POSITION SURROUNDING WORK ON THE RAILWAY complex, as 20th-century, serially built additions to the existing defence. The Group Shelters Type P were built in 1939-1940 according to more or less uniform or standard design in multiple locations in the Netherlands. The total number of built examples is approximately 700, of which approximately 570 in the New Holland Line; the majority (c. 400) of these still exist. The building programme of the Group Shelters Type P was not completed at the outbreak of World War II, and a number of examples are known never to have been finished. Type P (also called 'the pyramid' because of its striking shape) is presumably the best-known type of concrete fortification in the Netherlands. The type originated from the so-called VIS 77 (Regulation for Setting up Positions no. 77) from 1928 and had among other purposes the role of forming part of the defence of a number of existing and newly created accesses, especially (high-speed) roads. The Group Shelter Type P usually came into being in the immediate vicinity of already existing or contemporaneously realised casemates, gun emplacements, fortifications or trenches. Because trenches and other (earthen) structures have since been levelled or demolished almost everywhere, the concrete shelters today sometimes lie partly below ground level. The completely closed front or facing side of the Group Shelters Type P was in many cases covered by earthworks that could form part of a glacis to protect the trench or covered way. These earthworks are nowadays mostly no longer present or only recognisable with difficulty, but in particular on forts or in otherwise broken terrain they are sometimes still present. Many examples of Type P were built in inundatable areas, in which cases visible pile foundations were sometimes used; in others, a surrounding projecting foundation slab or also a trough against inundation water is visible.

The Group Shelters Type P belonging to the INTERMEDIATE POSITION SURROUNDING WORK ON THE RAILWAY complex are located both on the west and east sides of the Diefdijk, namely the examples near the pumping station De Oude Horn with sluice, especially on the east side, and the shelters near the railway and to the north of it, especially on the west side. A previously unnoticed example is located southwest of the pumping station, in the area outside the dike south of the bend in the Horndijk-Meerdijk.

Description

GROUP SHELTERS TYPE P are single-storey, usually in reinforced, approximately 100 to 180 cm thick cast concrete, shellproof, military quarters, which could provide shelter for 10-12 infantrymen/artillerymen, with protection class W 12-15 or W 21-28. The Group Shelters Type P were built on a rectangular ground plan, with dimensions ranging from approximately 5.50 x 7.20 x 4.70 m to 6.50 x 8.20 x 4.90 (w x d x h). The visible height above ground level, however, varies. Both blind side walls and the rear wall are executed vertically to a height of approximately 3.00 m. Above this, these walls bend inward at approximately 45° and then transition into a flat roof. On the right in the rear wall is an entrance opening, usually square, at locally varying height above ground level, which may or may not have been filled in later. The completely vertical, closed front wall mirrors the 45° angles and thus ends as a 'truncated pointed gable'. In several cases, iron hooks or brackets are cast into the wall(s) which could serve to attach camouflage material. A characteristic component on top of the shelter type P is the conical concrete 'outlet', which was intended for use of a periscope. In practice, however, these periscopes were rarely or never installed. The interior of the Group Shelters Type P consists of a short corridor (usually with a concrete retaining wall or balustrade and normally a few descending steps) and a 'lock' directed to the left from there, which could be sealed by a heavy steel door (consisting of multiple parts). Via a second, comparable door, a rear, almost square space could be reached—the actual shelter. Access from this space could be covered by a gun slit for a rifle. However, the steel doors are rarely or never in place, and entrances have often been subsequently sealed with brickwork and plastered. The ceilings, located just over two metres above floor level, are flat and rectangular. In some cases, interior components are still present, such as (remains of) wooden benches or a support for the handheld weapon for covering the entrance. All examples belonging to the INTERMEDIATE POSITION SURROUNDING WORK ON THE RAILWAY complex are reasonably to well observable in the field.

Valuation

The GROUP SHELTERS TYPE P of the INTERMEDIATE POSITION SURROUNDING WORK ON THE RAILWAY complex are of general importance because of:

* Cultural-historical values as part of the New Holland Line as designed by C.R.T. Kraijenhoff and initially realised from 1815 by him, Jan Blanken and Major-engineer Willem Offerhaus, and subsequently strengthened and improved by others over approximately 125 years.

* Architectural-historical values, in particular as an expression of military-strategic building design, based on: a. the system of inundation and access defence (19th century), b. the competition with increasingly powerful offensive means (20th century), c. the system of 'living' field fortification (20th century).

These are components from the period 1939-1940, namely examples of reinforced concrete troop shelters, now without earth covering.

* Ensemble value and situational values as part of the New Holland Line. Also because of the functional and physical coherence with the other components of the complex and in particular with the pumping station and sluice structures De Oude Horn and the Work on the Railway at the Diefdijk complex.

* The components are representative (characteristic) because, as part of a deconcentrated defence line, they are recognisably added to the existing fortification system.

* The components are fairly well preserved and can be predominantly well recognised as built components in the field.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map