Rijksmonumentenregister · Netherlands
KIT/Tropeninstituut/Tropenmuseum
Amsterdam, Noord-Holland, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Welzijn, kunst en cultuur
- Function
- Museum
- Category
- onroerend gebouwd
- Built
- 1913 - 1926
- Address
- Mauritskade 62, 1092 AD Amsterdam (and others)
- Place
- Amsterdam
- Province
- Noord-Holland
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 52.36258, 4.92050
- Monument number
- 526987
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
University Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit Amsterdam
3 historical maps cover this location, the earliest the 1910 map "Polderkaart van de landen tusschen Maas en ij / door W.H. Hoekwater" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Inleiding
In 1926 geopend WETENSCHAPPELIJK INSTITUUT met MUSEUM, genaamd Koninklijk Instituut voor de Tropen en Tropenmuseum, tot stand gekomen op een deel van het terrein van de oude Oosterbegraafplaats en gelegen tussen de Mauritskade, het Oosterpark en de Linnaeusstraat. Aanvankelijk gevestigd in Paviljoen Welgelegen te Haarlem. In 1910 namen dr. J.T. Cremer, oud-minister van koloniën en erevoorzitter van het bestuur van het museum, en het Tweede-Kamerlid dr. H.F.R. Hubrecht het initiatief tot verplaatsing naar Amsterdam van het 'Koloniaal Instituut' ter huisvesting van volkenkundige collecties en ter verzameling en verspreiding van kennis over de voormalige Nederlandse koloniën en de tropen. Met vele prominenten richtten zij hiertoe de 'Vereeniging Koloniaal Instituut' op. Het definitieve ontwerp van het gebouw met een vloeroppervlak van twaalfduizend vierkante meter, waarin behalve een museum (met afdeling volkenkunde en afdeling handelsmuseum) ook laboratoria, gehoorzalen en kantoorruimten moesten worden gehuisvest, werd in 1913 gemaakt door de architecten J.J. en M.A. van Nieukerken. Het ontwerp is traditioneel en historiserend, waarbij gebruik is gemaakt van een rijke neo-renaissance in Hollandse stijl. Begin 1915 gingen de bouwwerkzaamheden van start, maar de eerste wereldoorlog en financiële problemen veroorzaakten langdurige vertragingen. In 1926 werd het instituut geopend door koningin Wilhelmina. Opvallend aan en in het gebouw zijn de vele decoraties. Een speciale Commissie voor de Symboliek heeft zich hiermee bezig gehouden. Het meeste beeldhouwwerk is van de hand van J.L. Vreugde. Verder werkten de kunstenaars: J.A.H. Alexander, J. Bronner, A.S.N.L. Dupuis, J. Kaas, W.O.J. Nieuwenkamp, H. Paulides, N.J. van Ravensteijn, W.M. Retera en J.C. van der Ven aan de verfraaiing van het gebouw. Ondanks latere wijzigingen in verband met de veranderde opvattingen over presentatie en functie, is nog veel van de oorspronkelijke opzet bewaard gebleven, vooral in het rijk met beeldhouwwerk gedecoreerde exterieur (zoals ondermeer W.A. Retera, L.J. Vreugde en W.O.J. Niewenkamp). De compositie van alle onderdelen van de royaal gedecoreerde hal van het Instituutsgebouw werd verzorgd door E. Quagligno.
Omschrijving
Het Koninklijk Instituut voor de Tropen bestaat uit verschillende aaneengesloten en verbonden delen die als bouwvolumina toch een hoge mate van gescheidenheid behouden hebben. Met uitzondering van het zogenaamde kwadrant onder plat dak, dat de verbinding vormt tussen het instituutsgebouw en het museum, zijn de afzonderlijke eenheden op rechthoekige grondplannen tot stand gekomen. Grotendeels laten zich een souterrain en een bel-etage en twee verdere bouwlagen onderscheiden. Het geheel wordt gedekt door een samenstel aan zadeldaken, schilddaken, tentdaken, spitsen en 'toits en pavillon' met grijsblauwe leien in Maasdekking. De tentdaken hebben een zwenking aan de onderzijde van de schilden. Op de noklijn gemetselde schoorstenen met accenten in natuursteen en in verschillende uitvoering. Verschillende pirons en smeedijzeren bekroningen en koperen torenhelmen op spitsen, tentdaken en 'toits en pavillon'. Dakkapellen in verschillende uitvoering en afmeting en met kruisvenster of kleiner venster en onder kleine ingestoken kap met in- en uitzwenkende top met fronton of met halve spits onder piron. Met uitzondering van de geveltoppen worden de gevels recht afgesloten met een uitkragende geprofileerde gootlijst op deels gemetselde en gelede consoles. De gevels zijn opgebouwd uit bakstenen in staand verband en accenten en cordon- en gevellijsten in Franse kalksteen. De gevels hebben een symmetrische opbouw en ritmische verdeling van de vensters. Vensters hebben natuurstenen dorpels en kraag- en hoekstenen en kader met middenstijl met kolonnet en kalf en ramen met roedenverdeling. In het basement zijn de vensters enkelvoudig of paarsgewijs geplaatst en eenvoudiger en halfrond getoogd. Op de verdiepingen bevinden zich vensters in verschillende uitvoeringen als kruisvensters en smalle vensters met bovenlicht en brede vensterpartijen met meervoudige geleding en brede vensters met getoogd en geleed bovenlicht.
Het instituutsgebouw: Ten opzichte van het geheel bevindt het instituutsgebouw zich in het westen. Het instituutsgebouw bestaat uit een centrale en zeer monumentale hal met entree en waaraan in het oosten de vleugel met de oorspronkelijke burelen, studiekamers met entresol voor de handbibliotheken en cursuslokalen van het instituut. Ten noorden van de hal bevindt zich de bestuursvleugel waarboven de grote aula (oorspronkelijk voor 680 toehoorders) met koninklijke ingang. Ten westen van de hal bevindt zich de kleine aula (oorspronkelijk voor 120 toehoorders) met aangrenzend boekenhuis met bibliotheek en leeszaal. De voorgevel van het instituutsgebouw heeft de imposante hoofdtoegang rechts van het midden. Bordes en hoge trap met natuurstenen hoekposten met gedragen globes en natuurstenen leuning. Tripartite toegangspartij met zeer rijk geornamenteerde zandstenen kaders met pilasters, segmentvormige frontons met reliëfs en beeldhouwwerk in de timpanen. De centrale sluitsteen boven de hoofdingang draagt de beeldtenis van Jan Pieterszoon Coen, eerste gouverneur- generaal van het voormalig Nederlands-Indië. De vulling van het centrale timpaan symboliseert de doelstelling van het toenmalige Koloniaal Instituut. Smeedijzeren traliewerken voor het glas van de toegangsdeuren. Het hekwerk voor de hoofdingang dateert uit 1770 en was als Muiderhek geplaatst op de brug bij de Muiderpoort. Alle beeldhouwwerken aan deze voorgevel wijzen op de fundatie van de koloniën en op het wetenschappelijk contact tussen Nederland en het voormalig Nederlands -Indië. Boven de hoofdtoegang een geveldeel onder in- en uitzwenkende geveltop. Dit geveldeel wordt geflankeerd door twee hoge hoektorens op rechthoekig grondplan en met zes bouwlagen boven het maaiveld. Links van de hoofdtoegang een vleugel met zowel aan de voorzijde (Mauritskade) als achterzijde (Oosterpark) een gevel met acht traveeën. Deze vleugel van het instituutsgebouw wordt risalerend afgesloten met een dwarsvleugel of paviljoen van vier traveeën breed en onder in - en uitzwenkende geveltop aan voor- en achterzijde. Aan de achter- of parkzijde bevindt zich rechts van de gevel nog een traptoren. De gevels van de bestuursvleugel onder zadeldak zijn zeven traveeën breed en hebben hoge vensters op begane grond en verdieping. De gevel wordt geleed middels steunberen met verjonging en verbinding met gedrukte bogen. In het zuiden bevindt zich de koninklijke entree als grote portiek onder in- en uitzwenkende geveltop en met zes treden hoge trap naar bordes en centrale dubbele toegangsdeur met lichten, pilasters, kalf, bovenlicht en twee getoogde zijdeuren onder rond venster. In de geveltop een grote vensterpartij met tien ramen. De bestuursvleugel heeft vier octogonale traptorens. Verder vergaarbakken en sierankers. In het westen een grote maar lagere vleugel waaraan traptoren en driezijdig uitgebouwde abside van de kleine aula en waaraan een zich naar het noorden toe uitstrekkend boekenhuis van zes minder hoge bouwlagen boven het maaiveld. De regelmatig onderverdeelde gevels hebben kleinere vensters. Aan de oostzijde bevinden zich twee series kleine, rechthoekige en gestapelde balkons op alle bouwlagen; destijds bedoeld om het stof van de boeken te kloppen. Het interieur bevat de rijk uitgemonsterde hal met balcon en met koepel en met uitbundig gebruik van twaalf zeldzame soorten Italiaans marmer, waaronder vert polcevera. De grote marmeren vloerplaten zijn zo gezaagd dat ze een tapijtpatroon vormen. Verder messing lampen, wandschilderingen, herdenkingsplaquettes en beeldhouwwerken, waaronder de bustes van de initiatiefnemers J.F. Cremer en H.F.R. Hubrecht. De majolica-decoraties zijn vervaardigd door De Porceleyne Fles te Delft. Ook de overige gangen met gordelbogen met gedichte zwikken en trappenhuizen zijn rijk gedecoreerd met marmeren vloeren en natuurstenen aankleding en tegel- en snijwerk en sierlijk smeedijzeren hekken. Verbindende trappen leiden naar de grote aula ten noorden van de hal met zeer fraaie open dakstoel en grote collectie beeldhouwwerken op onder meer kraagstenen en balkkoppen en met met zeer uitgebreid iconografisch programma. De bestuurskamers onder de aula hebben lambrizeringen van Scandinavisch eikenhout, geschilderde cassetteplafonds en - als in de overige ruimten - messing hang- en sluitwerk in de vorm van dierfiguren. In de raadzaal bevindt zich de monumentale schouw met beeldhouwwerk. In de vestibule en toiletruimte van deze bestuursvleugel bevindt zich een decoratie met tegelwerk. In de vleugel met de burelen en lokalen bevinden zich ook grote verblijven met ranke houten wenteltrap en borstwering met houten snijwerk naar entresol met boekenkasten. In een van deze ruimtes nabij het linker trappenhuis bevindt zich een zeldzame'houtbibliotheek'. De kleine aula heeft een houten lambrizering en een driezijdig uitgebouwde toegang en absis en een beschilderd cassetteplafond. In de bibliotheek bevindt zich op de verdieping een rechthoekige leeszaal met open dakstoel en fraaie lambrizering met boekenkasten en beeldhouwwerk.
Het kwadrant: Voormalig kantoorgedeelte, in oorsprong gebruikt voor de handel in tropische producten. Dit kwartronde gebouw met dito binnenplaats bevindt zich als een verbindende gang in de oksel tussen het instituutsgebouw en het museum en bevat kantoren aan de zijde van de Mauritskade. Aan het exterieur bevindt zich in het midden een entree met trap met gemetselde posten waarop smeedijzeren sierlantaarns. Verder een gemetselde wering en een klein bordes waaraan de getoogde en dubbele eikenhouten toegangsdeur in rijk geornamenteerd en van beeldhouwwerken voorzien kader met onder meer tekstfries en dubbel bovenlicht. De entree met flankerende vensters risaleert ten opzichte van de aan beide zijden vier traveeën brede segmentvormige vleugels. Rechte gevelbeëindiging met lage balustrade met gemetselde tussenposten. In het interieur bevindt zich een eenvoudige hal met kantoorruimte aan weerszijden en met een gebogen gang met zicht op de binnenplaats.
Het museum: Ten opzichte van het geheel bevindt het museum zich in het oosten. Het museum vindt slechts op één hoek aansluiting met het kwadrant en is verder een zelfstandige eenheid. Gebouw met grote afmetingen op rechthoekig grondplan en met vier tot vijf bouwlagen en met aangebouwd deel voor de kantoren en directievertrekken en ateliers en werkplaatsen aan de zijde van het Oosterpark. Het museum, met de imposante voorgevel waarin de entree aan de Linnaeusstraat, is een zogenaamd daglichtmuseum, met grote en centrale en rechthoekige overdekte lichthof met dubbele glazen bekapping. De binnenste schil heeft een langgerekt en gedrukt tongewelf; de buitenste schil heeft een zadeldak. Vier en een halve intercolumnia met spanten van voorgetrokken beton waartussen ijzeren geleding. Op de lichthof komen van de drie bouwlagen de arcades met deels gekoppelde zuilen uit. Verder natuurstenen balustrade, bewerkte kapitelen, gemetselde bogen met natuurstenen hoek- en sluitstenen, majolica-decoratie bij het fries en een monumentaal en fraai geornamenteerd open trappenhuis aan de korte zijde in het westen. De depots bevinden zich als oorspronkelijk in het souterrain met oorspronkelijke betegeling op de vloeren van de gangen. Het souterrain wordt verlicht door een serie deels gekoppelde en halfrond getoogde vensters met traliewerk, en is toegankelijk middels groengeschilderde dubbele deuren met lichten en met sierlijke gehengen en schampstenen. De lange vleugels zijn negen traveeën breed en hebben getoogde negenruits vensters met verdere roedenverdeling. Aan de zuid- of parkzijde wordt de strenge ritmiek onderbroken door de aanbouw. Op de vier hoeken bevinden zich licht risalerende en hoger opgetrokken paviljoens onder tentdak. Paviljoens met vensters in verschillende uitvoering; smalle vensters met bovenlicht flankeren bredere partijen met drie gekoppelde vensters. Bij de vijfde bouwlaag getoogde en minder hoge vensters als bij sousterrain. De achtergevel is zes traveeën breed en heeft een breed en diep terras met trappen. Voorgevel met hogere en rijk gedetailleerde hoekpaviljoens met tentdaken met koperen helmen en gebeeldhouwde friezen onder de vensters voorstellende de vier voornaamste godsdiensten (christendom, islam, hindoeïsme en animisme) en landbouwcultures (rubber, tabak, suiker en rijst) van het voormalig Nederlands-Indië. Het tentdak van het rechter paviljoen heeft aan de straatzijden in een kapel een wijzerplaat en reliëfs. Aan de voorgevel een drie traveeën brede middenrisaliet met hoge en brede meervoudig gelede vensters en in- en uitzwenkende geveltop met bekronend fronton en met gebeeldhouwd fries en vrijstaande beelden op piëdestals. Tussen de risalieten een één travee breed tussendeel. Het aangebouwde deel aan de zuid- of parkzijde heeft een voorgevel aan de Linnaeusstraat. Aan weerszijden van de drie traveeën brede middenrisaliet bevinden zich vier traveeën brede vleugels met kruisvensters over de twee bouwlagen boven het maaiveld. In de middenrisaliet met in- en uitzwenkende topgevel bevindt zich de oorspronkelijke hoofdingang van de 'afdeling volkenkunde' met toegangspartij met trap, bordes en natuurstenen posten en kader en ovaal bovenlicht met flankerend beeldhouwwerk voorstellende een Balinese priester en een figuur die de geschiedenis van het oosten vertelt terwijl hij wijst naar een kala-kop, een monsterkop met uithandgende lotusbloemen. De linkervleugel eindigt eveneens met een in- en uitzwenkende topgevel. Aan de achterzijde bevindt zich evenwijdig aan het musemgebouw een vier traveeën brede vleugel met in- en uitzwenkende topgevel. In de oksel tussen voorbouw en achtervleugel bevindt zich een bouwdeel van drie bij één travee. Verder een laag bordes ter hoogte van het sousterrain.
Waardering
Koninklijk Instituut voor de Tropen is met instituutsgebouw, kwadrant en museum met aangrenzende bebouwing van algemeen belang vanwege de architectuurhistorische, cultuurhistorische en typologische waarde. Verder van belang vanwege de bijzondere positie in het stadsbeeld en vanwege de kunsthistorische waarde in verband met het aanwezige werk aan interieur en exterieur van vele bekende Nederlandse kunstenaars. In de architectuur is bewust aansluiting gezocht met de 'Hollandse bouwkunst'- traditie, terwijl in de decoratie tevens verwijzingen naar de koloniën zijn opgenomen. Zowel in het architectonisch als ornamenteel concept, als wat betreft de oorspronkelijke functionele opzet, is het gebouw kenmerkend voor de toenmalige opvattingen over Nederland en de koloniën. Tevens van belang als hoofdwerk van het bureau Van Nieukerken.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Introduction
Opened in 1926 SCIENTIFIC INSTITUTE with MUSEUM, named Royal Institute for the Tropics and Tropical Museum, established on part of the site of the old Oosterbegraafplaats and located between the Mauritskade, the Oosterpark and the Linnaeusstraat. Originally housed in Pavilion Welgelegen in Haarlem. In 1910, Dr. J.T. Cremer, former minister of colonies and honorary chairman of the museum board, and Second Chamber member Dr. H.F.R. Hubrecht took the initiative to relocate the 'Colonial Institute' to Amsterdam to house ethnographic collections and to gather and disseminate knowledge about the former Dutch colonies and the tropics. With many prominent figures, they established the 'Association Colonial Institute' for this purpose. The definitive design of the building with a floor area of twelve thousand square metres, which besides a museum (with ethnography section and commerce museum section) was also to house laboratories, lecture halls and office spaces, was made in 1913 by the architects J.J. and M.A. van Nieukerken. The design is traditional and historicising, employing a rich neo-Renaissance in Dutch style. In early 1915, construction work began, but the First World War and financial problems caused lengthy delays. In 1926, the institute was opened by Queen Wilhelmina. Striking about and within the building are the many decorations. A special Commission for Symbolism concerned itself with this. Most of the sculptural work is by the hand of J.L. Vreugde. Furthermore, the artists worked: J.A.H. Alexander, J. Bronner, A.S.N.L. Dupuis, J. Kaas, W.O.J. Nieuwenkamp, H. Paulides, N.J. van Ravensteijn, W.M. Retera and J.C. van der Ven on the embellishment of the building. Despite later alterations in connection with changed views on presentation and function, much of the original design has been preserved, especially in the richly sculptural-decorated exterior (such as among others W.A. Retera, L.J. Vreugde and W.O.J. Niewenkamp). The composition of all components of the lavishly decorated hall of the Institute Building was arranged by E. Quagligno.
Description
The Royal Institute for the Tropics consists of various adjoining and connected parts which as building volumes nonetheless maintain a high degree of separation. With the exception of the so-called quadrant under flat roof, which forms the connection between the institute building and the museum, the individual units are created on rectangular floor plans. For the most part, a basement and a piano nobile and two further storeys can be distinguished. The whole is covered by a combination of gabled roofs, hipped roofs, tent roofs, spires and 'roofs en pavillon' with greyish-blue slates in Dutch bond. The tent roofs have a sweep at the underside of the hips. Chimneys laid on the ridge line with accents in natural stone and in different execution. Various pirons and wrought-iron cresting and copper tower helmets on spires, tent roofs and 'roofs en pavillon'. Roof dormers in different execution and size and with cross window or smaller window and under small recessed roof with sweeping and outswept top with pediment or with half-spire under piron. With the exception of the gable tops, the facades are straight-finished with a projecting profiled gutter line on partly masoned and ledged consoles. The facades are built up from bricks in stretcher bond and accents and cordon- and facade lines in French limestone. The facades have a symmetrical structure and rhythmic distribution of windows. Windows have natural stone sills and corner and angle stones and frame with central stile with colonette and calf and sashes with glazing bars. In the basement, the windows are single or in pairs and simpler and semicircularly arched. On the storeys there are windows in different executions as cross windows and narrow windows with fanlight and broad window groups with multiple glazing and wide windows with arched and glazed fanlight.
The institute building: Relative to the whole, the institute building is situated in the west. The institute building consists of a central and very monumental hall with entrance and to which in the east the wing with the original offices, studies with mezzanine for the hand libraries and courses of the institute is adjoined. To the north of the hall is the administrative wing above which the large auditorium (originally for 680 listeners) with royal entrance. To the west of the hall is the small auditorium (originally for 120 listeners) with adjacent book house with library and reading room. The front facade of the institute building has the imposing main entrance to the right of centre. Steps and high stair with natural stone corner posts with supporting globes and natural stone railing. Tripartite entrance section with very richly ornamented sandstone frames with pilasters, segmental pediments with reliefs and sculptural work in the tympana. The central keystone above the main entrance bears the likeness of Jan Pieterszoon Coen, first governor-general of the former Dutch East Indies. The filling of the central tympanum symbolises the objective of the then Colonial Institute. Wrought-iron lattice-work for the glass of the entrance doors. The fence for the main entrance dates from 1770 and was originally placed as the Muiderhek on the bridge at the Muiderpoort. All sculptural works on this front facade point to the founding of the colonies and to scientific contact between the Netherlands and the former Dutch East Indies. Above the main entrance a facade section under sweeping in- and outswept gable top. This facade section is flanked by two high corner towers on rectangular floor plan and with six storeys above ground level. To the left of the main entrance a wing with both on the front (Mauritskade) and back side (Oosterpark) a facade with eight bays. This wing of the institute building is finished with a projecting cross-wing or pavilion of four bays wide and under sweeping in- and outswept gable top front and back. On the rear or park side there is still a stair tower to the right of the facade. The facades of the administrative wing under gabled roof are seven bays wide and have high windows on ground floor and storey. The facade is articulated by means of buttresses with tapering and connection with arched bays. In the south is the royal entrance as a large portico under sweeping in- and outswept gable top and with six steps high stairs to landing and central double entrance door with lights, pilasters, calf, fanlight and two arched side doors under round window. In the gable top a large window group with ten panes. The administrative wing has four octagonal stair towers. Further water cisterns and ornamental wall anchors. In the west a large but lower wing to which stair tower and three-sided built-out apse of the small auditorium and to which an extending northward book house of six lower storeys above ground level. The regularly subdivided facades have smaller windows. On the east side there are two series of small, rectangular and stacked balconies on all storeys; formerly intended to dust the books. The interior contains the richly furnished hall with balcony and with cupola and with lavish use of twelve rare types of Italian marble, including vert polcevera. The large marble floor plates are so sawn that they form a carpet pattern. Further brass lamps, wall paintings, commemorative plaques and sculptural works, including busts of the initiators J.F. Cremer and H.F.R. Hubrecht. The majolica decorations were made by De Porceleyne Fles in Delft. Also the other corridors with girdle arches with closed spandrels and staircases are richly decorated with marble floors and natural stone finish and tilework and carved work and ornamental wrought-iron railings. Connecting stairs lead to the large auditorium north of the hall with very fine open roof truss structure and large collection of sculptural works on among others corbels and beam ends and with very extensive iconographic programme. The administrative rooms below the auditorium have wainscoting of Scandinavian oak, painted coffered ceilings and - as in the other spaces - brass hanging and closing hardware in the form of animal figures. In the council chamber there is the monumental fireplace with sculptural work. In the vestibule and toilet room of this administrative wing there is a decoration with tilework. In the wing with offices and classrooms there are also large living spaces with slender wooden spiral stair and balustrade with wooden carved work towards mezzanine with bookcases. In one of these rooms near the left staircase there is a rare 'wood library'. The small auditorium has wooden wainscoting and a three-sided built-out entrance and apse and a painted coffered ceiling. In the library there is on the storey a rectangular reading room with open roof truss structure and fine wainscoting with bookcases and sculptural work.
The quadrant: Former office section, originally used for trading in tropical products. This quarter-circle building with correspondingly shaped courtyard is situated as a connecting passage in the armpit between the institute building and the museum and contains offices on the side of the Mauritskade. On the exterior there is in the middle an entrance with stairs with masoned posts on which wrought-iron ornamental lanterns. Further a masoned wall and a small landing to which the arched and double oak entrance door in richly ornamented frame with sculptural works including among others text frieze and double fanlight. The entrance with flanking windows projects with respect to the on both sides four bays wide segmental wings. Straight facade termination with low balustrade with masoned intermediate posts. In the interior there is a simple hall with office space on either side and with a curved corridor with view onto the courtyard.
The museum: Relative to the whole, the museum is situated in the east. The museum connects at only one corner with the quadrant and is otherwise an independent unit. Building with large dimensions on rectangular floor plan and with four to five storeys and with built-on part for offices and director's quarters and studios and workshops on the side of the Oosterpark. The museum, with the imposing front facade in which the entrance on the Linnaeusstraat, is a so-called daylight museum, with large and central and rectangular covered light-court with double glazed roof covering. The inner shell has an elongated and flattened barrel vault; the outer shell has a gabled roof. Four and a half intercolumnias with spans of exposed concrete between which iron glazing. On the light-court the arcades with partly coupled columns emerge from the three storeys. Further natural stone balustrade, carved capitals, masoned arches with natural stone corner and closing stones, majolica decoration at the frieze and a monumental and finely ornamented open staircase on the short side in the west. The depots are located as originally in the basement with original tiling on the floors of the corridors. The basement is lit by a series of partly coupled and semicircularly arched windows with lattice-work, and is accessible by means of green-painted double doors with lights and with ornamental hinges and corner stones. The long wings are nine bays wide and have arched nine-light windows with further glazing bars. On the south or park side the strict rhythm is interrupted by the built-on section. On the four corners there are slightly projecting and higher-raised pavilions under tent roof. Pavilions with windows in different execution; narrow windows with fanlight flank broader groups with three coupled windows. At the fifth storey arched and lower windows as in the basement. The rear facade is six bays wide and has a broad and deep terrace with stairs. Front facade with higher and richly detailed corner pavilions with tent roofs with copper helmets and sculptured friezes below the windows representing the four principal religions (Christianity, Islam, Hinduism and Animism) and agricultural crops (rubber, tobacco, sugar and rice) of the former Dutch East Indies. The tent roof of the right pavilion has on the street sides in a chapel a clock face and reliefs. On the front facade a three bays wide central projection with high and broad multiply glazed windows and sweeping in- and outswept gable top with crowning pediment and with sculptured frieze and free-standing figures on pedestals. Between the projections a one bay wide intermediate section. The built-on part on the south or park side has a front facade on the Linnaeusstraat. On either side of the three bays wide central projection there are four bays wide wings with cross windows over the two storeys above ground level. In the central projection with sweeping in- and outswept gable top there is the original main entrance of the 'ethnography section' with entrance section with stairs, landing and natural stone posts and frame and oval fanlight with flanking sculptural work representing a Balinese priest and a figure telling the history of the east while pointing to a kala-head, a monster head with hanging lotus flowers. The left wing ends likewise with a sweeping in- and outswept gable top. On the rear side there is parallel to the museum building a four bays wide wing with sweeping in- and outswept gable top. In the armpit between front section and rear wing there is a building part of three by one bay. Furthermore a low landing at the level of the basement.
Valuation
Royal Institute for the Tropics is with institute building, quadrant and museum with adjacent buildings of general importance because of the architectural-historical, cultural-historical and typological value. Furthermore of importance because of the particular position in the urban landscape and because of the art-historical value in connection with the work present on interior and exterior by many well-known Dutch artists. In the architecture, conscious connection was sought with the 'Dutch building art' tradition, while in the decoration references to the colonies are also included. Both in the architectural as ornamental concept, as far as the original functional design is concerned, the building is characteristic of the then views on the Netherlands and the colonies. Also of importance as masterwork of the Van Nieukerken office.
Nearby in the register
- MuiderpoortFort, vesting en -onderdelenunder 1 mi
- Amsterdamse CavaleriekazerneMilitair verblijfsgebouwunder 1 mi
- Werkplaats, Plantage Muidergracht 32Industrieunder 1 mi
- Oranje-Nassau KazerneMilitair verblijfsgebouwunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.