TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Rijnoord

Voorhout, Zuid-Holland, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Boerderij
Function
Boerderij(M1)
Category
onroerend gebouwd
Address
van den Berch van Heemstedeweg 3, 2215 RK Voorhout (Teylingen 28)
Place
Voorhout
Municipality
Teylingen
Province
Zuid-Holland
Country
Netherlands
Coordinates
52.22966, 4.50237
Part of complex
529150
Monument number
526548

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries

5 historical maps cover this location, the earliest the 1637 map "The countie of Holland. Hollandia" (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Omschrijving onderdeel 1.

Zeventiende-eeuwse BOERDERIJ, vermoedelijk vernoemd naar de familie Dammes van Rijn die de boerderij ooit bewoonde. Het één bouwlaag hoge voorhuis is gebouwd op vierkante grondslag. Het volume wordt bekroond door een omgaand schilddak dat met riet is bekleed. Op de vier hoeken bevinden zich gemetselde schoorstenen. De nok is voorzien van nokpannen. De gevels zijn gemetseld in kruisverband. Ze bezitten een zwartgeteerde plint, waarboven het metselwerk tot halverwege de gevels wit is gesaust. De voorgevel bezit links twee vensters ten behoeve van de opkamer. Daaronder zijn een kelderlicht en een gemetselde steunbeer aanwezig. Rechts bezit de voorgevel twee schuifvensters. Centraal boven een gevel bevindt zich een Vlaamse gevel met een rieten steekkap. Hierin is een modern venster gevat. De gevel kent een aantal muurankers op onregelmatige afstand. De rechter zijgevel is van links naar rechts voorzien van een ingang met een moderne entreedeur met bovenlicht, en twee schuifvensters. Verder toont deze gevel muurankers op regelmatige afstand van elkaar. In het dakschild boven deze gevel zijn twee dakkapellen aanwezig. De linker zijgevel wordt deels aan het zicht onttrokken door de gang die aansluit op het later aangebouwde zomerhuis. Ter rechterzijde van de gang bestaat de gevel uit blind metselwerk. Alleen onderaan bevinden zich twee kleine kelderlichten. Ter linkerzijde van de gang bevindt zich in de gevel een venster met een historisch kozijn en vernieuwde ramen. Opgemerkt dient te worden dat deze situatie representatief is voor alle vensters in het voorhuis. Afgezien van de twee schuifvensters in de rechter zijgevel en de kelderlichten tonen dan ook alle vensters historische kozijnen met vernieuwde ramen. De achtergevel wordt geheel aan het zicht onttrokken door de schuur.

Intern bestaat het casco uit de originele, houten scheidingswanden, die opkamer, kamer, keuken en voormalige spoelplaats van elkaar scheiden. De vertrekken zijn voorzien van de oorspronkelijke, enkelvoudige balklagen. De kapconstructie bestaat uit drie, evenwijdig aan de voorgevel geplaatste dekbalkgebinten die van gehakte telmerken zijn voorzien. Vanwege het verschil in hoogte van de borstwering onder de kap als gevolg van de opkamer zijn de stijlen links en rechts verschillend uitgevoerd. De stijlen aan de rechter kant zijn van eikenhout en hoger dan de grenenhouten stijlen links. Op de dekbalkgebinten staan grenenhouten, A-vormige spanten. De constructie draagt vierkante, grenen sporen.

Noemenswaardige interieurelementen zijn in linker achterkamer onder meer een zeventiende-eeuwse, eikenhouten spiltrap met gepende treden en een gemetselde trap naar de kelder. De kelder bezit onder meer kruisgewelven op een gemetselde kolom en kaarsnissen. Op de vliering bevindt zich een vernieuwde Keulse goot die rechtsachter afwatert.

Waardering

De BOERDERIJ is van algemeen belang:

- vanwege de architectonische bijzonderheden;

- vanwege de uniciteit;

- vanwege bouwhistorische bijzonderheden.

Inleiding

Over de boerderij is in de literatuur weinig bekend. Ter Kuile noemt de boerderij in zijn Geïllustreerde Beschrijving van Leiden en westelijk Rijnland en schrijft: 'Rijnoord, gelegen in den Westhoek van den Mottigerpolder. Goed bewaarde 17de-eeuwsche boerderij van eenigszins ongewonen vorm, thans alleen als woonhuis in gebruik.' Volgens de Historische Kring Voorhout zou de familie Dammes van Rijn eigenaar zijn geweest en is hierdoor de naam 'Rijnoord' te verklaren. Dan is er een 17de eeuwse kaart van het gebied, gemaakt door Johannes Pietersz. Duo, waarop de boerderij vermoedelijk staat afgebeeld.

Tijdens het bezoek ter plekke zijn de volgende bouwdelen aangetroffen en bekeken:

- Een blokvormig voorhuis -woning- met rondgaand schilddak gedekt met riet. (Bouwdeel A).

- Tegen de achtergevel van het voorhuis bevindt zich het voormalige schuurgedeelte -nu woning- eveneens met riet gedekt. (Bouwdeel B).

- Links, halverwege de diepte van het voorhuis, staat een verbouwd zomerhuis met pannendak. (Bouwdeel C). Het zomerhuis - tegenwoordig een zelfstandige woning- is door middel van een tussenlid in de vorm van een gangetje met voordeur aan het voorhuis gekoppeld.

- Achter het zomerhuis een rond karnhuis (Bouwdeel D) gedekt met riet.

Bouwdeel A

Het voorhuis is het oudste en meest bijzondere bouwdeel van het complex. Dit bijna vierkante blok is opgedeeld in vier vertrekken en heeft zijn oorspronkelijke indeling geheel behouden. Links zijn de opkamer, spiltrap en daarachter de voormalige spoelplaats gesitueerd, rechts de woonkamer met daarachter de voormalige keuken. De opkamer en woonkamer aan de voorzijde zijn evenbeeld en vijf (enkelvoudige) balkvakken diep, de keuken en naastgelegen ruimte liggen in het verlengde van de voorkamers en zijn vier balkvakken diep. De muur tussen de woonkamer en de keuken is de stookmuur. Deze heeft nog altijd aan beide zijden een stookplaats. De oorspronkelijke eikenhouten spiltrap met gepende treden is in de ruimte linksachter gesitueerd. De trap is in de binnenhoek tegen middenmuur en de opkamermuur geplaatst en biedt toegang tot de opkamer (via een oud kozijn) en zolder (via een oorspronkelijk luik). Naast de trap is de toegang tot de overwelfde kelder gelegen. Via een gemetselde (uitgesleten) trap is de ruimte onder de opkamer bereikbaar. De kelder bestaat uit twee grote (voor) en twee kleine (achter) kruisgewelven die van elkaar gescheiden zijn door middel van gordelbogen en steunen op een centrale gemetselde pijler. In de linkerzijgevel zijn twee oorspronkelijke lichtopeningen aanwezig voorzien van kozijnen met diefijzers. Het voorste venster wordt geflankeerd door kaarsnissen. Het kozijn in de voorgevel is secundair, net als de steunbeer die buiten tegen de voorgevel is gemetseld om het gewelf tegendruk te geven. Alle vertrekken op de begane grond zijn overzolderd door een enkelvoudige grenenhouten balklaag voorzien van een kwartrond profiel. Doordat de balken van de opkamer niet op het zelfde niveau liggen als die van de woonkamer, keuken en voormalige spoelruimte heeft de zolder een merkwaardige opbouw. Het gedeelte linksvoor steekt uit boven de overige drie vertrekken. Op zolder heeft het deel boven de opkamer geen borstwering, dit in tegenstelling tot de omringende delen van de zolder. Opvallend op zolder is verder het grote rookkanaal boven de stookplaatsen in het linkerdeel van het pand. Dit oorspronkelijke kanaal is gemetseld op balken, gelegen op en over de enkelvoudige balklaag. De 'rookkamer' bevat een groot kozijn met luik om hierdoor het vlees in het kanaal te kunnen hangen. Het kanaal eindigt in de schoorsteen rechtsachter. De kap is dankzij de vierkante vorm van het voorhuis en het verhoogde deel ter plekke van de opkamer, zeer opmerkelijk. Er is namelijk sprake van een kap met aan vier zijden dakschilden. De dakvlakken aan de binnenzijde vormen hierdoor een soort trechter die uitmondt op een zinken platje. Het hemelwater van dit platje wordt afgevoerd door middel van een zogenaamde Keulse goot. De recent vervangen goot steekt rechtsachter, binnendoor het dak ter hoogte van de dekbalken. De kap is buitengewoon gaaf bewaard en zorgvuldig gemaakt van grenen- en eikenhout. De constructie bestaat uit drie dekbalkgebinten evenwijdig aan de voorgevel. In de voorste en achterste dekbalk zijn de beide halfgebinten van de voor- en achterzijde gepend. De gebinten zijn met gehakte telmerken genummerd, van achter naar voor, die bestaan uit halfronde gutsen rechts en rechte beitelsteken links. Vanwege het verschil in hoogte tussen de linker- en de rechterzijde van het pand zijn de gebintstijlen links en rechts anders uitgevoerd. De rechterstijlen zijn van eikenhout en hoger dan de grenen stijlen links. Op de dekbalken staat een tweede serie A-vormige spanten, allen van grenenhout. Het horizontale hout wordt geschoord door gespijkerde korbeels. Op de uiteinden van de doorstekende balken liggen de wormplaten. De nok wordt gevormd door een overhoeks gelegen nokgording. Deze spantconstructie draagt de vierkante grenen sporen met de rieten dakbedekking. Bijzonder zijn de loze schoorstenen op de hoeken van de dakschilden. Deze staan op een balkconstructie over de haanhouten van de A spanten. Tegen de achtergevel linksachter is, vermoedelijk rond 1850, een smalle uitbouw gerealiseerd. Deze wordt gekenmerkt door 17de eeuwse vloerplavuizen die tegen de oude buitenmuur zijn gemetseld. De geelbruine en groene plavuizen zijn overhoeks geplaatst boven het restant van een grote pekelbak. De ruimte zal dus een functie gehad hebben bij de kaasbereiding.

Samenvattend. Het éénlaagse en gedeeltelijk onderkelderde voorhuis is in kern nog volledig 17de eeuws (XVIIb-m). De ruimtelijke indeling is bewaard, inclusief de eikenhouten spiltrap, en ook de constructie is nog grotendeels oorspronkelijk. Bijzonder is het gave schilddak met ongelijke spanten, platje en Keulse goot. Boerderijen met een dergelijk dak zijn zeer zeldzaam. De dakkapellen op het rechter dakschild zijn toegevoegd, de vensters zijn in het verleden vernieuwd en verkleind, en er zijn een aantal deuropeningen ingebroken. Minpuntje vormt het gebrek aan oorspronkelijke interieuronderdelen als schouwen en betimmeringen in de kamers. Wel is in de rechtervoorkamer een plavuizenvloer bewaard, net als een bewerkte gietijzeren haardplaat in de kamer rechtsachter.

Bouwdeel B

De voormalige schuur is aangekapt aan het voorhuis en eveneens met riet gedekt. Dit bouwdeel functioneert net als het voorhuis als een zelfstandige woning en bezit nog maar weinig oorspronkelijke onderdelen. De hoge zijmuren zijn op diverse plaatsen doorbroken en voorzien van vensters met historiserende roederamen. Slechts de achtergevel met de vlechtingen, en klezoren op de hoeken, is nog redelijk intact. Het gebintwerk is grotendeels verdwenen, danwel vernieuwd. Gezien het metselwerk zal dit bouwdeel in de tweede helft van de 19de eeuw (ondanks de klezoren), ter vervanging van een ouder exemplaar, als schuur zijn gebouwd. (Bouw)historische waarde heeft het slechts als vorm.

Bouwdeel C

Het zomerhuis links van de boerderij is een klein rechthoekig gebouw dat eveneens functioneert als woning. De zomerwoning staat middels een gang met voordeur en plat dak in verbinding met het hoofdgebouw. Het bouwwerk is voorzien van een zadeldak, evenwijdig aan de straat, gedekt met vernieuwde rode golfpannen De kopgevel aan de zijde van de boerderij is voorzien van vlechtingen en een deurtje met driedelig bovenlicht in de geveltop. De tegenoverliggende kopgevel is met een nieuw opgetrokken gevel beklampt. Ter hoogte van de oude gevel is een schoorsteen aanwezig. In de zijgevel aan de voorzijde is een groot achtruits venster aangebracht. Net als bij de schuur is ook hier veel vernieuwd. De hoofdvorm, die waarschijnlijk uit omstreeks 1851 dateert, is nog aanwezig maar de latere wijzigingen hebben de historische waarden geen goed gedaan.

Bouwdeel D

Pal achter het zomerhuis staat een rond gebouw met een kegelvormig rieten puntdak. Dit karnhuis is gemetseld van rode bakstenen in een koppenverband. In de muren zijn een aantal dichtgezette spleetvensters waar te nemen. Boven de ingang aan de achterzijde bevindt zich een eikenhouten latei die met witte tegeltjes in het muurwerk is opgelegd. Op deze plek is het karnhuis gedateerd door middel van een steen met het opschrift: IVP 2/26 1851. Dat het bouwwerk ook uit deze periode zal dateren blijkt uit de kadastrale minuut uit omstreeks 1830, waarop zowel het zomerhuis als het karnhuis nog niet zijn afgebeeld. Het interieur van het karnhuis bevat nog twee oude grenenhouten balken met bouwsporen die iets vertellen over de constructie van de karnmolen. De kap is recent vernieuwd. Het karnhuis uit 1851 heeft zeker enige historische waarde. Het ronde bouwwerk is voor wat betreft het metselwerk gaaf bewaard gebleven en karakteristiek voor de boerenerven in bepaalde delen van Zuid-Holland.

Conclusie

Vanwege het bijzondere en gave karakter van het 17de-eeuwse voorhuis, en de toegevoegde waarde van het ronde karnhuis, is een plaatsing op de Rijkslijst te rechtvaardigen. De schuur en zomerwoning zijn weliswaar aangetast maar in hoofdvorm nog herkenbaar als onderdeel van het boerderijcomplex. Interessant zijn de uitbreidingen van rond 1850 die erop duiden dat de kaas- en zuivelbereiding een grote of grotere rol ging spelen.

Albert Reinstra mei '04

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Description of component 1.

Seventeenth-century FARMHOUSE, presumably named after the Dammes van Rijn family who once inhabited the farmhouse. The single storey front house is built on a square groundplan. The volume is crowned by an encircling hipped roof which is thatched with reed. On the four corners there are mortared chimneys. The ridge is provided with ridge tiles. The facades are laid in alternating brick-and-header bond. They possess a black-tarred plinth, above which the brickwork is whitewashed up to halfway up the facades. The front facade has on the left two windows for the chamber room. Below are a cellar light and a mortared buttress. On the right the front facade has two sash windows. Centrally above a facade is a Flemish gable with a thatched steeking roof. In this is set a modern window. The facade has a number of wall anchors at irregular intervals. The right side facade is provided from left to right with an entrance with a modern entrance door with fanlight, and two sash windows. Furthermore this facade shows wall anchors at regular distances from each other. In the roof panel above this facade are two roof dormers. The left side facade is partly obscured from view by the passage which adjoins the later-added summer house. On the right side of the passage the facade consists of blind brickwork. Only at the bottom are two small cellar lights. On the left side of the passage is in the facade a window with a historic frame and renewed sashes. It should be noted that this situation is representative of all windows in the front house. Apart from the two sash windows in the right side facade and the cellar lights, all windows thus show historic frames with renewed sashes. The rear facade is entirely obscured from view by the barn.

Internally the shell consists of the original wooden partition walls, which separate the chamber room, room, kitchen and former scullery from each other. The rooms are provided with the original simple beam layers. The roof truss structure consists of three collar tie beams placed parallel to the front facade, which are provided with hewn carpenters' marks. Because of the difference in height of the breastwork under the roof as a result of the chamber room the posts on the left and right are executed differently. The posts on the right side are of oak timber and higher than the pine posts on the left. On the collar tie beams stand pine, A-shaped roof trusses. The construction carries square, pine purloins.

Notable interior elements are in the left rear room among other things a seventeenth-century oak spiral stair with open treads and a mortared stair to the cellar. The cellar possesses among other things cross vaults on a mortared column and candle niches. On the attic is a renewed Cologne gutter which drains towards the rear on the right.

Valuation

The FARMHOUSE is of general importance:

- because of the architectural peculiarities;

- because of the uniqueness;

- because of building historical peculiarities.

Introduction

Little is known about the farmhouse in the literature. Ter Kuile mentions the farmhouse in his Illustrated Description of Leiden and Western Rhineland and writes: 'Rijnoord, situated in the Western corner of the Mottigerpolder. Well-preserved 17th century farmhouse of somewhat unusual form, now used solely as a dwelling.' According to the Historical Circle Voorhout, the Dammes van Rijn family would have been the owner and through this the name 'Rijnoord' is to be explained. Then there is a 17th century map of the area, made by Johannes Pietersz. Duo, on which the farmhouse is presumably depicted.

During the visit on site, the following building components were encountered and examined:

- A block-shaped front house - dwelling - with surrounding hipped roof thatched with reed. (Building component A).

- Against the rear facade of the front house is the former barn section - now a dwelling - also thatched with reed. (Building component B).

- To the left, halfway along the depth of the front house, stands a renovated summer house with a tiled roof. (Building component C). The summer house - nowadays a separate dwelling - is connected to the front house by means of an intermediate element in the form of a passageway with a front door.

- Behind the summer house a round churn house (Building component D) thatched with reed.

Building component A

The front house is the oldest and most distinctive building component of the complex. This almost square block is divided into four rooms and has retained its original layout completely. On the left are the parlour, newel staircase and behind it the former rinsing place, on the right the living room with behind it the former kitchen. The parlour and living room at the front are identical and five (simple) bay spans deep, the kitchen and adjacent room lie in line with the front rooms and are four bay spans deep. The wall between the living room and the kitchen is the chimney wall. This still has a fireplace on both sides. The original oak newel staircase with open treads is situated in the room at the rear left. The staircase is placed in the inner corner against the central wall and the parlour wall and provides access to the parlour (via an old window frame) and loft (via an original hatch). Next to the staircase is the access to the barrel-vaulted cellar. Via a masoned (worn) staircase the space beneath the parlour is accessible. The cellar consists of two large (front) and two small (rear) cross vaults separated from each other by means of belt arches and supported on a central masoned pillar. In the left side wall are two original light openings provided with window frames with thief irons. The front window is flanked by candle niches. The window frame in the front facade is secondary, as is the buttress that is masoned on the outside against the front facade to give the vault lateral thrust. All rooms on the ground floor are ceilinged over by a simple deal timber beam layer provided with a quarter-round profile. Because the beams of the parlour do not lie at the same level as those of the living room, kitchen and former rinsing space, the loft has a remarkable structure. The part above the parlour projects out above the remaining three rooms. Notable on the loft is further the large flue channel above the fireplaces in the left part of the building. This original channel is masoned on beams, situated on and over the simple beam layer. The 'smoke chamber' contains a large window frame with shutter to allow meat to be hung in the channel through it. The channel ends in the chimney at the rear right. The roof truss is, thanks to the square shape of the front house and the raised part at the location of the parlour, extremely remarkable. Namely, there is a roof truss with hipped roof on all four sides. The roof surfaces on the inside thus form a kind of funnel which opens onto a zinc plate. The rainwater from this plate is discharged by means of a so-called Cologne gutter. The recently replaced gutter projects at the rear right, through the roof at the height of the collar beams. The roof truss is extraordinarily well preserved and carefully made of deal and oak wood. The structure consists of three collar beam trusses parallel to the front facade. In the front and rear collar beam both half trusses of the front and rear sides are jointed. The trusses are numbered with hewn carpenters' marks, from rear to front, which consist of semicircular gouges on the right and straight chisel cuts on the left. Because of the difference in height between the left and right sides of the building the truss posts are executed differently on the left and right. The right posts are of oak and higher than the deal posts on the left.

On the collar beams stands a second series of A-shaped roof trusses, all made of pine wood. The horizontal timber is braced by nailed corbels. On the ends of the projecting beams lie the worm plates. The ridge is formed by a diagonally positioned ridge board. This truss structure supports the square pine rafters with the thatched roof covering. Particularly notable are the dummy chimneys on the corners of the roof slopes. These stand on a beam structure above the tie beams of the A trusses. Against the rear gable on the left is, presumably around 1850, a narrow extension. This is characterized by 17th century floor tiles that are laid against the old outer wall. The yellowish-brown and green tiles are placed diagonally above the remnant of a large brine tub. The space must therefore have had a function in cheese-making.

In summary. The single-storey and partly cellared front house is in its core still entirely 17th century (second half to middle). The spatial layout is preserved, including the oak wooden spiral staircase, and the construction is still largely original. Particularly notable is the well-preserved hipped roof with unequal trusses, saddle board and Cologne gutter. Farmhouses with such a roof are very rare. The roof dormer windows on the right roof slope were added, the windows have been renewed and reduced in the past, and a number of door openings have been broken through. A drawback is the lack of original interior components such as chimneys and wall panelling in the rooms. However, a tiled floor has been preserved in the right front room, as well as a worked cast-iron fireplace plate in the room on the right rear.

Building Component B

The former barn is attached to the front house and also thatched. This building component functions, like the front house, as an independent dwelling and retains very few original components. The high side walls are broken through in various places and provided with windows with historicizing glazing bars. Only the rear gable with the wattling and corner posts on the corners is still reasonably intact. The timber framing is largely lost or renewed. Given the masonry, this building component was built in the second half of the 19th century (despite the corner posts), as a replacement for an older one, as a barn. It has (architectural) historical value only as a form.

Building Component C

The summer house to the left of the farmhouse is a small rectangular building that also functions as a dwelling. The summer house is connected to the main building by means of a passage with front door and flat roof. The building is provided with a gabled roof parallel to the street, covered with renewed red corrugated tiles. The gable end on the side of the farmhouse is provided with wattling and a small door with three-part fanlight in the gable top. The opposite gable end is cladded with a newly constructed gable. At the level of the old gable is a chimney. In the side gable at the front is a large multi-paned window. Like the barn, much here has also been renewed. The main form, which probably dates from around 1851, is still present but the later alterations have not done the historical values any good.

Building Component D

Behind the summer house stands a round building with a conical thatched roof. This butter house is built of red bricks in a header bond. A number of blocked-up slit windows are visible in the walls. Above the entrance on the rear side is an oak lintel which is set into the masonry with white tiles. At this location the butter house is dated by means of a stone inscribed: IVP 2/26 1851. The fact that the structure will also date from this period is evident from the cadastral plan from around 1830, on which neither the summer house nor the butter house are yet depicted. The interior of the butter house still contains two old pine wooden beams with carpenters' marks that tell something about the construction of the butter churn. The roof truss structure was recently renewed. The butter house from 1851 has definite historical value. The round structure has been well preserved as regards its brickwork and is characteristic of the farmsteads in certain parts of South Holland.

Conclusion

On account of the distinctive and well-preserved character of the 17th-century front house, and the added value of the round butter house, a listing on the National Monument Register is justified. The barn and summer dwelling are certainly affected by deterioration but in their main form still recognizable as part of the farmhouse complex. Of interest are the extensions from around 1850, which indicate that cheese and dairy production came to play a large or greater role.

Albert Reinstra May '04

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map