Rijksmonumentenregister · Netherlands
Nederlandsche Heidemaatschappij
Arnhem, Gelderland, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Handel en kantoor
- Function
- Kantoorgebouw
- Category
- onroerend gebouwd
- Built
- 1912 - 1914
- Address
- Sickeszplein 1, Locatie: Sonsbeekkwartier, 6821 HV Arnhem
- Place
- Arnhem
- Province
- Gelderland
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 51.99153, 5.90940
- Monument number
- 516834
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
University Library, Vrije Universiteit AmsterdamDavid Rumsey Map Collection, Stanford Libraries
2 historical maps cover this location, the earliest the 1899 map "Composite: 327. Cleve." (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Inleiding
KANTOORGEBOUW van de Nederlandse Heidemaatschappij, in 1912-1914 gebouwd naar ontwerp van architect Karel Petrus Cornelus de Bazel (1869-1923). De axiaal-symmetrische opzet van het gebouw is zakelijk en functioneel, en komt voort uit de toepassing van een roostersysteem van vierkanten. De functies van de verschillende onderdelen zijn duidelijk aan het exterieur af te lezen: hoofdingang en directiekamers in de representatieve voorbouw, en één grote kantoorruimte voor het personeel in de achterbouw. Het voor-ontwerp uit 1912 had een vergelijkbare hoofdopzet, maar voorzag in een bredere en lagere voorbouw dan uiteindelijk is uitgevoerd en had bovendien een plat dak.
Op 11 november 1912 verrichtte Z.K.H. prins Hendrik de eerste steenlegging. Het gebouw werd op 22 september 1914 in gebruik genomen. De naoorlogse nieuwbouw achter dit hoofdkantoor (aan de Lovinklaan) komt niet voor bescherming in aanmerking.
Kenmerkend voor de rijpere persoonlijke stijl van De Bazel is de grote sculpturale kwaliteit die het gebouw ontleent aan de plastische werking van de kubische bouwmassa's en de hoge dakpartijen èn aan het decoratieve effect van de toegepaste ornamentiek in de vorm van meandervormig siermetselwerk.
Het vrijstaande kantoorgebouw is gelegen op de noordoostelijke hoek van de Apeldoornseweg en het Sickeszplein, dat als voorplein van het kantoor dient. Aan de overzijde van het plein (ten zuiden van het Heidemij-kantoor) staat aan de Apeldoornseweg de voormalige meisjes-H.B.S. uit 1916-1917 van G.C. Bremer en G. Versteeg. Ten westen van de Apeldoornseweg ligt het Sonsbeekpark. Ten oosten van de Heidemij bevindt zich aan het Goeman Borgesiusplein e.o. een fraaie middenstandswijk uit de jaren twintig met o.a. woningen van architect G. Versteeg.
Omschrijving
KANTOORGEBOUW op rechthoekig grondplan, bestaande uit een voorbouw van twee bouwlagen, souterrain en zolderverdieping en een achterbouw van drie bouwlagen, souterrain en zolder. De souterrainverdieping bevindt zich als gevolg van het geaccidenteerde terrein uitsluitend aan de westzijde van het gebouw. Tussen de voor- en de achterbouw bevindt zich aan beide zijden een tweelaags uitbouwtje met afgeschuinde hoeken en een schilddak. Aan de achterzijde bevinden zich twee identieke uitbouwen, ditmaal drielaags. De voorbouw heeft een schilddak met de nok evenwijdig aan de voorgevel. Het dakschild aan de voorzijde is voorzien van drie dakkapellen; links en rechts een houten dakkapel met twee negenruits draairamen onder aangekapt schilddak met geprofileerde houten gootlijst, en in het midden drie gekoppelde identieke dakkapellen. Aan de achterzijde van dit dak is haaks hierop in het midden een iets hoger opgetrokken schilddak aangekapt. Op de nok van dit dak is een achtzijdige lantaarn geplaatst. De lantaarn wordt bekroond door een torenhelm met overstek en bewerkte druiplijst. Op de lantaarn is een windvaan geplaatst met het monogram "NHM". De achterbouw heeft een schilddak in U-vorm met daartussen een plat dak, een grote glazen lichtkoepel en twee hoge bakstenen schoorstenen. Het U-vormige schilddak heeft aan de buitenzijden elk zes aangekapte schilddaken waarvan de nokrichtingen haaks staan op de zijgevels. Alle daken zijn belegd met schubvormige leien in Maasdekking.
De gevels van gele baksteen zijn in kruisverband gemetseld. De plint en de souterrainverdieping aan de westzijde zijn opgetrokken in rode baksteen en om en om voorzien van drie lagen geteerde baksteen. De gevels worden verticaal geleed door lisenen met eveneens om en om drie lagen geteerde baksteen. In de gevels is tussen de vensters van de verschillende bouwlagen en onder de dakgoot meandervormig siermetselwerk van geteerde baksteen verwerkt. De afsluitende lijst van de plint, de forse lekdorpels, de omlijsting van de ingang met trap en de dakgoot zijn uitgevoerd in basaltlava.
De symmetrisch ingedeelde VOORGEVEL is drie traveeën breed. Een natuurstenen trap leidt naar een monumentaal ingangsportiek in het midden van de eerste bouwlaag. Twee pijlers en twee hoekpilasters hebben een kapiteelachtig accent in de vorm van drie horizontale banden waarop reliëfvoorstellingen van vier figuren vervaardigd door G. Jacobs van den Hof (vlnr. een man met schop, een vrouw met lam, een vrouw met fruit en een man met vis). De openingen worden afgesloten door rechte strekken van natuursteen. In de drie velden daarboven (tussen de figuren) is de naam "Nederlandsche/Heide/Maatschappij" aangebracht. In het portiek zijn tegen de zijwanden twee wit marmeren gedenkstenen aangebracht met de namen van de commissie voor het stichtingsfonds, de gedeputeerden van de provincie Gelderland, het dagelijks bestuur van de gemeente Arnhem, de raad van commissarissen en de directie. De houten blankgelakte ingangspartij bestaat uit een dubbele paneeldeur tussen tweezijdige inspringen met rechthoekige enkelruits ramen. De bovenlichten zijn voorzien van transparant glas-in-lood. De stijlen en tussendorpels zijn versierd met rijen van gesneden vierkante vormen. Aan weerszijden van het ingangsportiek bevindt zich een reeks van zes gekoppelde smalle en hoge vensteropeningen waarin enkelruits schuiframen en zesruits bovenlichten. De vensters worden van elkaar gescheiden door muurdammen en afgesloten door rechte strekken. In de tweede bouwlaag bevinden zich drie van dergelijke vensterreeksen; hier met zesruits onderramen. In de linker travee zijn in de plint zes vierkante vierruits draairamen aangebracht. De RECHTER ZIJGEVEL heeft ter plaatse van de voorbouw een uitbouw met afgeschuinde hoeken. In de voor- en zijgevels van deze uitbouw zijn per bouwlaag respectievelijk twee en één twaalfruits schuifvensters geplaatst. In het tweelaags tussenlid met plat dak tussen de voor- en achterbouw bevinden zich in beide bouwlagen drie twaalfruits schuifvensters. Deze vensters zijn van hetzelfde type als in de voorgevel. De rechter zijgevel van de drielaags achterbouw is zes traveeën breed. Elke travee heeft drie vensterassen. De eerste en tweede bouwlaag bezitten per travee drie rechthoekige vensters met achtruits schuiframen en over beide bouwlagen doorgaande muurdammen. Tussen de tweede en derde bouwlaag is een hoge band met meandervormig siermetselwerk verwerkt. De derde bouwlaag bezit per travee twee zesruits ramen aan weerszijden van een lager doorgetrokken achtruits schuifraam.
De LINKER ZIJGEVEL is met uitzondering van de souterrainverdieping identiek aan de rechter zijgevel. In de souterrainverdieping bevinden zich ter plaatse van de voorbouw vier vierruits draairamen en een paneeldeur met zes ruitjes. De souterrainverdieping van de achterbouw heeft per travee twee achtruits schuiframen aan weerszijden van een achtruits venster. De tweede en derde travee van links zijn voorzien van een dubbele paneeldeur met twaalf ruitjes. De symmetrisch ingedeelde ACHTERGEVEL heeft in de eerste en tweede bouwlaag achtruits schuifvensters met over beide bouwlagen doorgaande muurdammen; aan de buitenzijden van de uitbouwen één vensteras, in de zijgevels van de uitbouwen één vensteras en tussen de uitbouwen zes vensterassen. Tussen de tweede en derde bouwlaag is een hoge band met meandervormig siermetselwerk verwerkt. De derde bouwlaag bezit in de zijgevels van de uitbouwen en in het geveldeel tussen de uitbouwen zesruits vensters. Het INTERIEUR. De ingangspartij in de representatieve voorbouw bestaat uit een vestibule met nevenruimten. De wanden van de vestibule zijn tot ca. 2 m. hoogte bedekt met geelbruin gemêleerde tegels. Het betegelde gedeelte wordt afgesloten met een brede band van roodbruin hout, waarboven zich schilderingen bevinden, bestaande uit drie drieluiken, die de drie wanden van de vestibule boven het betegelde gedeelte vrijwel geheel bedekken. De triptieken zijn vervaardigd door R.N. Roland Holst. Het middelste triptiek maakte hij ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Nederlandse Heidemaatschappij en is uitgevoerd in caseïne-verf op eternietplaten, een duurzame techniek die hij ook had toegepast bij de schilderingen in het kantoor van de ANDB. De afgebeelde voorstelling is die van een span van zes ploegende ossen en een ploeger. Aan de onder- en bovenzijde van de voorstellingen bevinden zich teksten van links naar rechts: "INDIEN ER VEEL ALS ICK/ TOT DESEN HANDEL GINGEN/ EN MAECKTE VRUCHTBAER LANDT/ VAN ONGEBAENDE KLINGEN", vervolgens: "HULDEBLIJK AANGEBODEN AAN DE/ NEDERLANDSCHE HEIDEMAATSCHAPPIJ/ BIJ GELEGENHEID VAN HAAR VIJF-EN-TWINTIG JARIG BESTAAN/ DOOR HAAR PERSONEEL" en tenslotte: "HET ZOU NIET DIENSTIG ZIJN/ SLECHTS VOOR EEN MENSCH ALLEEN/ MAAR 'T ZOU AEN 'T VADERLANDT/ OOCK BATEN IN 'T GEMEEN". Het drieluik tegen de linker zijwand bestaat uit een middenpaneel met een voorstelling van oogstende boeren met paard en wagen. De zijpanelen bevatten beiden een veld met twee vissen en een veld met tekst: "BIJ HET/ 40 JARIG/ BESTAAN/ DER/ NEDERLANDSCHE/ HEIDE/ MIJ" en "ZIJN DE/ SCHILDERINGEN/ OP DE/ ZIJWANDEN/ AANGEBODEN/ DOOR HAAR/ PERSONEEL". Het bijbehorende drieluik op de rechter zijwand bevat van links naar rechts de volgende voorstellingen: een moeder met kind, twee koeien melkende boerinnen in een weidelandschap en twee mannen in een boomgaard bezig met de fruitpluk. Onder dit drieluik is tegen de tegelwand een bronzen plaquette bevestigd met een bronzen sculptuur van een zaaier en de volgende tekst erboven: "HET ZAAD ZAL KRACHTIG GROEIEN IN/ GOEDEN BODEM EN GOED KLIMAAT EN/ BLOEMEN EN VRUCHTEN VOORTBREN/ GEN NAAR ZIJNEN AARD TE ZIJNER TIJD" en onder de figuur: "VAN HET PERSONEEL 1888-1838" met aan weerszijden de namen van: G.E.H. TUTEIN, NOLTHENIUS, F.B. LÖHNIS, A.J. BLIJDENSTEIN en M.C.J. SICKESZ. Aan weerszijden van de ingangspartij bevonden zich de directiekamers, waarvan de rechter nog een visgraat-parketvloer bezit. Daarboven bevonden zich enige leslokalen. In de hal met T-vormig grondplan geven twee rondboogvormig afgesloten openingen toegang tot de dwarsgangen, die aan weerszijden kamers hebben. Aan het eind van de gangen bevinden zich in de vijfzijdige uitbouwen toiletruimten, deels betegeld met geelbruin gemêleerde tegels. De hal bezit een monumentaal trappenhuis met een marmeren pronktrap van het type keizertrap. Vanuit de begane grond leidt één trap naar een bordes op halve verdiepingshoogte, van waaruit links en rechts vier treden naar een volgend bordes leiden, van waaruit vervolgens twee trappen in tegengestelde richting naar de eerste verdieping voeren. Deze opzet wordt nog een keer herhaald naar de tweede verdieping. De enkele middentrappen worden aan het begin geflankeerd door twee op de balustrade staande pijlers met een kapiteel-achtige beëindiging in de vorm van twee omlopende banden. De balustrades van de trappen lopen deels trapsgewijs omhoog. De balustrades zijn evenals de wanden van hal en trappenhuis gedeeltelijk bedekt met grijsgroen gemêleerde tegels. Boven de betegelde delen zijn de wanden witgepleisterd evenals de plafonds, die binnen de door de constructie bepaalde vlakken fijne geprofileerde randen bezitten. Traptreden, afdekplaten en plinten zijn van witgeaderd, zwart marmer. De vloeren zijn bedekt met grijs gemêleerde en donkerbruine tegels in een geometrisch, diagonaal gelegd patroon. De trapleuningen bestaan uit houten cilinders met koperen afsluiting en koperen bevestigingsringen. In de achterwanden van de trapbordessen op halve verdiepingshoogte bevinden zich meerdelige vensters met gekleurd glas-in-lood.
De achterbouw bestond oorspronkelijk uit één grote kantoorhal met omlopende galerijen en in het midden een glazen kap. De kantoorhal is opgetrokken met een gewapend betonconstructie, die van de buitenkant overigens niet zichtbaar is. De betonnen pijlers hebben deels afgeschuinde hoeken en een kapiteel-achtig accent in de vorm van drie horizontale banden (zie ook de pijlers van het ingangsportiek en trappenhuis). De constructie dient om de grote ruimte te overspannen waarin het kantoorpersoneel onder toezicht van een chef moest werken. Dit concept lijkt geïnspireerd door het Larkin Building van Frank Lloyd Wright. In later jaren zijn echter de open galerijen opgedeeld in afzonderlijke kantoren en afgeschermd van het atrium, waarin bovendien tussenvloeren zijn aangebracht, zodat het open karakter van de kantoorhal geheel verloren is gegaan. In de achterbouw bevinden zich twee driezijdige diensttrappen in de vijfzijdig gesloten uitbouwen van de achtergevel en een herentoilet dat nog deels in oorspronkelijke staat verkeert.
Waardering
KANTOORGEBOUW van de Nederlandse Heidemaatschappij uit 1912-1914.
- Van architectuurhistorisch belang voor de geschiedenis van de Nederlandse architectuur: Het is het belangrijkste werk uit de midden-periode van de bekende Nederlandse architect K.P.C. de Bazel (1869-1923), die in zijn tijd na Berlage als de tweede bouwmeester van Nederland werd beschouwd. Het kantoor voor de Nederlandsche Heidemaatschappij behoort samen met de hofstede Oud-Bussum (1906), het prijsvraagontwerp voor het Rotterdamse stadhuis (1913) en het hoofdkantoorgebouw van de Nederlandsche Handel-Maatschappij in Amsterdam (1923) tot het meest bekende werk van De Bazel.
Het kantoor van de Heidemij vertoont kenmerken van De Bazels rijpere persoonlijke stijl, die tot uiting komt in de grote sculpturale kwaliteit (de plastische werking van de kubische bouwmassa's en de hoge dakpartijen) en de toegepaste ornamentiek in de vorm van meandervormig siermetselwerk, het contrasterende materiaalgebruik en de rijen van gesneden vierkante vormen op houten onderdelen. De meanderpatronen die in de buitengevels zijn verwerkt, geven door de ritmering en de afmetingen uitdrukking aan het beginsel waaruit het ontwerp is ontstaan, namelijk een modulair roostersysteem op basis van vierkanten. Het gebouw bezit een vroege gewapend betonconstructie in de achterbouw en een aantal waardevolle elementen op het gebied van de toegepaste kunsten zoals de sculpturen van Gijs Jacobs van den Hof en de schilderingen van R.N. Roland Holst in de vestibule.
Het kantoor van de Nederlandsche Heidemaatschappij heeft in Arnhem invloed uitgeoefend op de ontwerpen van ondermeer het Van Lingencollege (1925) van E.J. Rothuizen en het Vesta-gebouw (1930) van W. Diehl. In Nijmegen heeft het model gestaan voor het voormalige kantoorgebouw van de Splendor gloeilampenfabriek (1927) van de Amersfoortse architect C. van Pothoven, die bij de Bazel had gewerkt.
- Van stedebouwkundige waarde vanwege de voorname situering aan een voorplein, tussen het Sonsbeekpark aan de westzijde, de iets later gebouwde meisjes H.B.S. van Versteeg en Bremer (1916) aan de zuidzijde, en een fraaie middenstandswijk uit de jaren twintig aan de oostzijde. Het pand is beeldbepalend vanwege de hoge ligging met de voorgevel haaks op de Apeldoornseweg en vormt een oriëntatiepunt voor de gehele wijk.
- Van cultuurhistorische waarde (pionierskarakter) vanwege de verschijningsvorm, welke in opzet deels traditioneel is (representatieve voorbouw) en deels vernieuwend (één grote, alle verdiepingen bestrijkende, kantoorruimte met omlopende galerijen, opgetrokken met een betonskelet). Vernieuwend is ook de geveldecoratie van meanderpatronen op basis van een ontwerprooster.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Introduction
OFFICE BUILDING of the Nederlandse Heidemaatschappij, built in 1912-1914 according to designs by architect Karel Petrus Cornelus de Bazel (1869-1923). The axially symmetrical layout of the building is businesslike and functional, and results from the application of a grid system of squares. The functions of the different components are clearly legible on the exterior: main entrance and director's offices in the representative front section, and one large office space for staff in the rear section. The preliminary design from 1912 had a comparable main layout, but provided for a wider and lower front section than was ultimately executed and also had a flat roof.
On 11 November 1912, H.R.H. Prince Hendrik performed the first stone-laying ceremony. The building was taken into use on 22 September 1914. The post-war new construction behind this head office (on the Lovinklaan) is not considered for protection.
Characteristic of De Bazel's more mature personal style is the great sculptural quality which the building derives from the plastic effect of the cubic building masses and the high roof sections as well as from the decorative effect of the applied ornamentation in the form of meander-patterned decorative brickwork.
The freestanding office building is located on the north-eastern corner of the Apeldoornseweg and the Sickeszplein, which serves as the forecourt of the office. On the opposite side of the square (south of the Heidemij office) stands the former girls' H.B.S. from 1916-1917 by G.C. Bremer and G. Versteeg on the Apeldoornseweg. West of the Apeldoornseweg lies the Sonsbeekpark. To the east of the Heidemij, at the Goeman Borgesiusplein etc., there is a fine middle-class residential district from the nineteen-twenties with, among other things, houses by architect G. Versteeg.
Description
OFFICE BUILDING on rectangular ground plan, consisting of a front section of two storeys, basement and attic storey and a rear section of three storeys, basement and attic. The basement storey is located, as a result of the sloping terrain, exclusively on the west side of the building. Between the front and rear sections there is on both sides a two-storey extension with chamfered corners and a hipped roof. On the rear side there are two identical extensions, this time three-storey. The front section has a hipped roof with the ridge parallel to the front facade. The roof pitch on the front is provided with three roof dormers; on the left and right a wooden roof dormer with two nine-pane sash windows under a lean-to hipped roof with profiled wooden drip moulding, and in the middle three coupled identical roof dormers. On the rear side of this roof there is at right angles to it in the centre a slightly higher constructed hipped roof. On the ridge of this roof there is an octagonal lantern. The lantern is crowned by a roof turret with overhang and worked drip moulding. A weathervane with the monogram "NHM" is placed on the lantern. The rear section has a U-shaped hipped roof with between them a flat roof, a large glass light dome and two tall brick chimneys. The U-shaped hipped roof has on the outer sides each six lean-to hipped roofs of which the ridge directions are at right angles to the side gables. All roofs are covered with scale-shaped slates in Maas style.
The gables of yellow brick are laid in English bond. The plinth and the basement storey on the west side are constructed in red brick and alternately provided with three layers of tarred brick. The gables are vertically articulated by pilasters with likewise alternating three layers of tarred brick. In the gables, meander-patterned decorative brickwork of tarred brick is incorporated between the windows of the different storeys and below the cornice. The terminating band of the plinth, the substantial drip edges, the framing of the entrance with stairs and the cornice are executed in basalt lava.
The symmetrically arranged FRONT FACADE is three bays wide. A natural stone staircase leads to a monumental entrance portico in the middle of the first storey. Two pillars and two corner pilasters have a capital-like accent in the form of three horizontal bands on which relief representations of four figures are executed by G. Jacobs van den Hof (from left to right: a man with spade, a woman with lamb, a woman with fruit and a man with fish). The openings are closed by straight stone surrounds. In the three fields above (between the figures) the name "Nederlandsche/Heide/Maatschappij" is placed. In the portico there are against the side walls two white marble memorial stones with the names of the committee for the foundation fund, the deputies of the province of Gelderland, the daily management of the municipality of Arnhem, the board of commissioners and the management. The wooden blank-varnished entrance section consists of a double panelled door between two-sided recesses with rectangular single-pane windows. The fanlights are provided with transparent leaded glass. The stiles and mullions are decorated with rows of carved square forms. On both sides of the entrance portico there is a series of six coupled narrow and tall window openings with single-pane sash windows and six-pane fanlights. The windows are separated from each other by wall piers and closed by straight stone surrounds. In the second storey there are three such window series; here with six-pane lower windows. In the left bay there are in the plinth six square four-pane sash windows. The RIGHT SIDE GABLE at the front section location has an extension with chamfered corners. In the front and side gables of this extension there are per storey respectively two and one twelve-pane sash windows. In the two-storey intermediate section with flat roof between the front and rear sections there are in both storeys three twelve-pane sash windows. These windows are of the same type as in the front facade. The right side gable of the three-storey rear section is six bays wide. Each bay has three window axes. The first and second storey have per bay three rectangular windows with eight-pane sash windows and wall piers running across both storeys. Between the second and third storey a tall band with meander-patterned decorative brickwork is incorporated. The third storey has per bay two six-pane windows on both sides of a lower continuing eight-pane sash window.
The LEFT SIDE GABLE is, with the exception of the basement storey, identical to the right side gable. In the basement storey there are at the location of the front section four four-pane sash windows and a panelled door with six panes. The basement storey of the rear section has per bay two eight-pane sash windows on both sides of an eight-pane window. The second and third bay from the left are provided with a double panelled door with twelve panes. The symmetrically arranged REAR GABLE has in the first and second storey eight-pane sash windows with wall piers running across both storeys; on the outer sides of the extensions one window axis, in the side gables of the extensions one window axis and between the extensions six window axes. Between the second and third storey a tall band with meander-patterned decorative brickwork is incorporated. The third storey has in the side gables of the extensions and in the gable section between the extensions six-pane windows. The INTERIOR. The entrance section in the representative front section consists of a vestibule with adjoining rooms. The walls of the vestibule are covered to a height of approximately 2 metres with yellowish-brown speckled tiles. The tiled section is closed off with a wide band of reddish-brown wood, above which there are paintings, consisting of three triptychs, which cover the three walls of the vestibule above the tiled section almost entirely. The triptychs are executed by R.N. Roland Holst. The central triptych was made by him on the occasion of the 25th anniversary of the Nederlandse Heidemaatschappij and is executed in casein paint on eternit boards, a durable technique which he had also applied in the paintings in the office of the ANDB. The depicted representation is that of a team of six ploughing oxen and a ploughman. At the lower and upper sides of the representations there are texts from left to right: "IF MANY LIKE ME/ WENT TO THIS WORK/ AND MADE FERTILE LAND/ FROM UNBROKEN WILDERNESS", subsequently: "A TRIBUTE OFFERED TO THE/ NEDERLANDSE HEIDEMAATSCHAPPIJ/ ON THE OCCASION OF ITS/ TWENTY-FIVE YEAR EXISTENCE/ BY ITS STAFF" and finally: "IT WOULD NOT BE FITTING/ TO WORK FOR ONE PERSON ALONE/ BUT IT WOULD BENEFIT THE/ FATHERLAND/ ALSO FOR THE COMMON GOOD". The triptych against the left side wall consists of a central panel with a representation of harvesting farmers with horse and wagon. The side panels each contain a field with two fish and a field with text: "AT THE/ 40 YEAR/ EXISTENCE/ OF THE/ NEDERLANDSE/ HEIDE/ MAA" and "THE/ PAINTINGS/ ON THE/ SIDE WALLS/ WERE OFFERED/ BY ITS/ STAFF". The accompanying triptych on the right side wall contains from left to right the following representations: a mother with child, two milking cows and farming women in a meadow landscape and two men in an orchard engaged in fruit picking. Below this triptych is against the tile wall a bronze plaque affixed with a bronze sculpture of a sower and the following text above: "THE SEED WILL GROW STRONG IN/ GOOD SOIL AND GOOD CLIMATE AND/ BEAR FLOWERS AND FRUITS/ ACCORDING TO ITS NATURE IN ITS TIME" and below the figure: "FROM THE STAFF 1888-1838" with on both sides the names of: G.E.H. TUTEIN, NOLTHENIUS, F.B. LÖHNIS, A.J. BLIJDENSTEIN and M.C.J. SICKESZ. On both sides of the entrance section were the director's offices, of which the right one still has a herringbone parquet floor. Above were some classrooms. In the hall with T-shaped ground plan two round-arched openings provide access to the transverse corridors, which have rooms on both sides. At the end of the corridors there are in the five-sided extensions toilet facilities, partly tiled with yellowish-brown speckled tiles. The hall has a monumental staircase with a marble grand staircase of the imperial staircase type. From the ground floor one staircase leads to a landing at half storey height, from which left and right four steps lead to a next landing, from which subsequently two staircases in opposite directions lead to the first storey. This arrangement is repeated once more to the second storey. The single central staircases are flanked at the beginning by two pillars standing on the balustrade with a capital-like termination in the form of two running bands. The balustrades of the staircases run partly stepwise upwards. The balustrades as well as the walls of hall and staircase are partially covered with grey-green speckled tiles. Above the tiled sections the walls are white plastered as are the ceilings, which within the planes determined by the construction have fine profiled edges. Stair treads, cover plates and plinths are of white-veined black marble. The floors are covered with grey speckled and dark brown tiles in a geometric, diagonally laid pattern. The stair railings consist of wooden cylinders with brass capping and brass fixing rings. In the rear walls of the stair landings at half storey height there are multi-part windows with coloured leaded glass.
The rear section originally consisted of one large office hall with circumferential galleries and in the centre a glass roof. The office hall is constructed with a reinforced concrete structure, which is not visible from the outside. The concrete pillars have partly chamfered corners and a capital-like accent in the form of three horizontal bands (see also the pillars of the entrance portico and staircase). The structure serves to span the large space in which the office staff had to work under the supervision of a chief. This concept seems inspired by Frank Lloyd Wright's Larkin Building. In later years, however, the open galleries have been subdivided into separate offices and screened off from the atrium, in which moreover intermediate floors have been added, so that the open character of the office hall has been completely lost. In the rear section there are two three-sided service staircases in the five-sided closed extensions of the rear gable and a men's toilet that is still partly in original condition.
Valuation
OFFICE BUILDING of the Nederlandse Heidemaatschappij from 1912-1914.
- Of architectural historical importance for the history of Dutch architecture: It is the most important work from the middle period of the renowned Dutch architect K.P.C. de Bazel (1869-1923), who in his time after Berlage was regarded as the second master builder of the Netherlands. The office for the Nederlandsche Heidemaatschappij belongs together with the farmstead Oud-Bussum (1906), the competition design for the Rotterdam town hall (1913) and the head office building of the Nederlandsche Handel-Maatschappij in Amsterdam (1923) to De Bazel's most well-known work.
The Heidemij office shows characteristics of De Bazel's more mature personal style, which is expressed in the great sculptural quality (the plastic effect of the cubic building masses and the high roof sections) and the applied ornamentation in the form of meander-patterned decorative brickwork, the contrasting use of materials and the rows of carved square forms on wooden components. The meander patterns incorporated in the outer gables give through their rhythm and dimensions expression to the principle from which the design originated, namely a modular grid system based on squares. The building possesses an early reinforced concrete structure in the rear section and a number of valuable elements in the field of applied arts such as the sculptures by Gijs Jacobs van den Hof and the paintings by R.N. Roland Holst in the vestibule.
The office of the Nederlandsche Heidemaatschappij has exercised influence in Arnhem on the designs of, among others, the Van Lingencollege (1925) by E.J. Rothuizen and the Vesta building (1930) by W. Diehl. In Nijmegen it served as a model for the former office building of the Splendor incandescent lamp factory (1927) by the Amersfoort architect C. van Pothoven, who had worked with De Bazel.
- Of urban planning value because of the prominent situation on a forecourt, between the Sonsbeekpark on the west side, the slightly later built girls' H.B.S. by Versteeg and Bremer (1916) on the south side, and a fine middle-class residential district from the nineteen-twenties on the east side. The property is image-defining because of the high location with the front facade perpendicular to the Apeldoornseweg and forms an orientation point for the entire district.
- Of cultural historical value (pioneering character) because of its appearance, which in layout is partly traditional (representative front section) and partly innovative (one large office space covering all storeys with circumferential galleries, constructed with a concrete skeleton). Also innovative is the facade decoration of meander patterns based on a design grid.
Nearby in the register
- Woonhuis, Sickeszlaan 1Woonhuisunder 1 mi
- Woonhuis, Sickeszlaan 5Woonhuisunder 1 mi
- Woonhuis, Sickeszlaan 17Woonhuisunder 1 mi
- Woonhuis, Pontanuslaan 15Woonhuisunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.