Rijksmonumentenregister · Netherlands
Sint Cornelius
Limmen, Noord-Holland, Netherlands
The record
- Designation
- National monument (rijksmonument)
- Class
- Kerk en kerkonderdeel
- Function
- Parochiekerk
- Category
- onroerend gebouwd
- Built
- 1902
- Address
- Dusseldorperweg 76, Locatie: Dusseldorp, 1906 AL Limmen (Castricum 27)
- Place
- Limmen
- Municipality
- Castricum
- Province
- Noord-Holland
- Country
- Netherlands
- Coordinates
- 52.57211, 4.70094
- Part of complex
- 516063
- Monument number
- 516065
Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.
University Library, Vrije Universiteit AmsterdamUniversity Library, Vrije Universiteit AmsterdamDavid Rumsey Map Collection, Stanford Libraries
3 historical maps cover this location, the earliest the 1867 map "No. VI. Deutschland, Niederlande, Belgien, Schweiz. (Germany, Netherlands, Belgium, Switzerland)." (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).
This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗
The register's description
Omschrijving
Inleiding
Aan Sint Cornelius gewijde rooms-katholieke KERK naar ontwerp van P. Snel, uit 1901-1902, hoofdonderdeel van het kerkcomplex 'Sint Cornelius'. Het exterieur van het in neoromaanse trant opgetrokken kerkgebouw is afgezien van de recente laat 20ste eeuwse portaaluitbouw tegen de linkerzijgevel en de aangebouwde cv-ruimte linksachter nog oorspronkelijk. In de jaren zeventig van de twintigste eeuw werd in de kerk het priesterkoor in westelijke richting verlengd ten koste van de communie- en voorste banken. Ook werden de banken in de transeptarmen naar het midden gedraaid. Het interieur verkeert verder nog grotendeels in de oorspronkelijke staat en delen van de kerkinventaris afkomstig van de in 1855-'56 gesloopte voorganger van kerk (o.a. de preekstoel, de kroonluchter, de tafel van het hoofdaltaar, en de deuren). De vijf gebrandschilderde koorramen zijn in 1903 vervaardigd door de gebroeders Van Rooyen in Roermond.
Omschrijving
Driebeukige kruisbasiliek met rechtsvoor een ingebouwde hoektoren, een schip van vijf traveeën, een uitstekend transept en een halfrond gesloten koor tussen lagere vierkante zijkapellen. Het middenschip, het transept en de zijbeuken hebben eveneens met leien in Maasdekking gedekte zadeldaken, de laatste met een door een zinken piron bekroond eindschild ter hoogte van het transept. De twee zijkapellen zijn voorzien van een (afgeplat) schilddak. Tegen de zuidmuur van de zuidelijke zijkapel is een vijfzijdige sacristie aangebouwd onder een zelfde leigedekt schilddak. Langs alle genoemde daken loopt een bakgoot op geprofileerde klossen. Het buitenmuurwerk is opgetrokken in rode machinale baksteen waalformaat in kruisverband met snijvoeg, en voorzien van een zelfde omgaande plint met een afgeschuinde bovenrand van rode verblendsteen. Het middenschip wordt aan de voorzijde (W) afgesloten door een topgevel geflankeerd door de ingebouwde hoektoren in het verlengde van de rechter zijbeuk en de Mariakapel links, waarvan het door een steunbeer met drie hardstenen versnijdingen gescheiden wordt. De Mariakapel heeft een halfrond eindigend leigedekt zadeldak waarop een ronde schoorsteen. Op de steunbeer ligt onderaan de met hardsteen afgedekte topgevel een hardstenen draak. De topgevel wordt bekroond door een eveneens hardstenen kruis en is voorzien van een groot rondboogvenster waaronder een rondboogportaal met getrapte dagkanten en archivolten van rode verblendsteen. Dit uitgebouwde ingangsportaal heeft een boven zandstenen kraagstenen opzij uitkragende topgevel afgedekt met hardsteen. De opgeklampte en met rijk beslag verstevigde dubbele kerkdeur heeft een halfrond zandstenen bovenlicht met drie rondboogramen waarvan de middelste hoger is en in de zwikken geflankeerd wordt door twee kleine rondvensters. Ter weerszijden van het portaal bevindt zich een hoog geplaatst rondboogvenster waarboven en -onder een cordonlijst van rode geprofileerde verblendsteen die zich voorzet langs de voor- en zijgevels. Links van de genoemde steunbeer bevindt zich een identiek derde rondboogvenster. In de Mariakapel komen drie rondboogvensters voor. Ter weerszijden van het driedelige lancetvenster heeft de voorgevel drie gekoppelde rondboognissen waaronder een rechthoekige omlijsting van rode profielsteen rond een op een rijkbewerkte kalkstenen console geplaatst kalkstenen heiligenbeeld met zandstenen baldakijn. Het linker beeld stelt St. Cornelius voor, het rechter St. Martinus. Bovenin de topgevel zit een rondnis waaronder een luik tussen twee rondboognissen. Onder de laatste twee en boven de eerdergenoemde rondboognissen zijn sierlagen gemetseld van gele verblendsteen waartussen een muizetand. Ook rond de kop van het grote venster bevindt zich gele verblendsteen. De op vierkant grondplan gebouwde hoektoren telt vier geledingen. De bovenste geleding heeft boven alle vier zijden een topgevel, waarboven een licht ingesnoerde vierzijdige spits. Deze hoge leigedekte spits wordt bekroond door een smeedijzeren kruis met haan. De bovenste drie geledingen hebben bovenaan een dubbele sierrand van gele en daarboven rode verblendsteen. De onderin de toren gesitueerde doopkapel wordt op monumentale wijze verlicht door een roosvenster in de west- en zuidzijde van de toren. De twee zandstenen roosvensters hebben onderaan een hardstenen blok met gootje en rondom koppen van contrasterende gele verblendsteen. Beide vensters zijn geplaatst in een rondboogvormig spaarveld. Onder het roosvenster in de voorgevel (W) is een herdenkingssteen ingemetseld waarop in het Latijn de wijding van de kerk vermeld staan, evenals de namen van de architect, de aannemer, en de bouwpastoor. De onderste torengeleding telt verder bovenin aan drie zijden twee rondboogvensters, in de voor- en rechterzijde geplaatst in een rondboogvormig spaarveld met een omranding van rode verblendsteen. De tweede en derde geleding zijn aan alle vier zijden gelijk. In het midden van de tweede bevindt zich een klein, door een rondboogfries afgesloten spaarveld waarboven, tussen twee kleine rondboogvensters, een terugliggende zandstenen wijzerplaat omgeven door rode geprofileerde verblendsteen. De wijzerplaten, waarvan de wijzers ontbreken, zijn voorzien van het jaartal 1902. De derde geleding heeft in elke zijde twee galmgaten in rondboogvorm, hoeklisenen en een rondboogfries. Tegen de vier topgevels erboven zijn later nieuwe wijzerplaten bevestigd. De torenspits heeft in elk van de vier zijden een dakkapel met luik en leigedekt zadeldakje. De zijbeuktraveeën worden van elkaar gescheiden door steunberen met twee hardstenen versnijdingen. Elke zijbeuktravee heeft een rond spaarveld voorzien van drie rondboogvensters waarvan het middelste hoger is. In de rand van het spaarveld zijn koppen gemetseld van contrasterende gele verblendsteen en zit onderin een hardstenen blok met gootje. Onder en boven de spaarvelden loopt een cordonlijst van rode geprofileerde verblendsteen waarvan de bovenste ter plaatse van elk spaarveld verhoogd is. De eveneens door steunberen gelede lichtbeuk wordt afgesloten door een rondboogfries op kraagsteentjes van rode geprofileerde verblendsteen. Deze zet zich voort langs de zijmuren van het transept en rond het koor. In elke lichtbeuktravee bevindt zich een rondboogvenster. De als topgevel uitgevoerde transeptgevels hebben steunberen op de hoeken en een groot rondboogvenster waaromheen een zeer groot rondboogvormig spaarveld met een rand van gele verblendsteen. De met hardsteen afgedekte transeptgevels kragen links- en rechtsboven naar opzij uit boven een zandstenen kraagsteen en worden evenals de voorgevel bekroond door een hardstenen kruis. De transeptgevels zijn bovenin op dezelfde wijze uitgewerkt als de topgevel voor. De halfronde koorsluiting wordt door rechte steunberen in vijf traveeën geleed, elk voorzien van een hoog rondboogvenster geplaatst op een afgeschuinde rand van rode verblendsteen. Bovenin de zijmuren van het koor bevindt zich één rondboogvenster. Rond de koppen van de koorvensters wordt het metselwerk verrijkt met gele verblendsteen. De absiscalotte wordt bekroond door een smeedijzeren kruis. De zijkapellen ter weerszijden van het koor hebben in beide gevels een rondboogvormig spaarveld waarvan de twee in de oostgevel voorzien zijn van een roosvenster als in de voorgevel. Op de diverse dakvlakken staan in totaal twaalf dakkapellen: twee op beide zijbeuken, vier op het transeptdak, drie op het zuidelijke en twee op het noordelijke dakvlak van het middenschip, en één boven de koorsluiting. Alle van zadeldaken voorziene dakkapellen zijn met leien gedekt. In het interieur worden middenschip en zijbeuken van elkaar gescheiden door gemetselde rondpijlers van rode verblendsteen (in kruisverband met snijvoeg) die door rondbogen met elkaar verbonden worden. De zuilen zijn voorzien gepleisterde banden, een achthoekig basement van klinkers waarop een hardstenen torus, en een gestileerd bladwerkkapiteel van kalksteen met rode en goudkleurige accenten. Op de kapitelen rusten eveneens in rode verblendsteen met gepleisterde banden uitgevoerde verticale banden die de lichtbeuk geleden. Deze heeft boven de arcade een cordonlijst van rode geprofileerde verblendsteen en wordt afgesloten door een kroonlijst waarop het gestucte en door geprofileerde gordelbogen gelede tongewelf rust. De rondboogvensters van de lichtbeuk zijn voorzien van lichtgroene en witte ruitjes met langs de rand een bies van rood of van blauw glas (om en om). De zijbeuken hebben gemetselde kruisribgewelven van gele verblendsteen op ribben van rode profielsteen (kraalprofiel). De zijbeuktraveeën worden van elkaar gescheiden door rondbogen van rode verblendsteen die in de zijmuur rusten op samengestelde muurpijlers, eveneens van rode verblendsteen met gepleisterde banden en voorzien van een kalkstenen kapiteel met dubbel rondboogmotief. De zijmuren zijn, evenals de overige muren in de kerk, witgepleisterd boven een omgaande plint van machinale waalklinkers in kruisverband met snijvoeg, waarop een afgeschuinde bovenrand van rode verblendsteen. Onder de in een halfrond spaarveld geplaatste drie vensters van elke zijbeuktravee loopt een cordonlijst van geprofileerde rode verblendsteen. De vensters hebben glas-in-lood als in de lichtbeukvensters, maar met een dubbele bies van rood en blauw glas, en bovenin de buitenste vensters een gele cirkel en in het middenvenster een rood kruismotief. De in rode verblendsteen met gepleisterde banden uitgevoerde vieringpijlers hebben vergelijkbare kapitelen als in de zijbeuken en zetten zich daarboven als muurpijler voort. Hierop rusten de vier gordelbogen van rode verblendsteen rond de kruising. In het koor is vóór de absiscalotte eenzelfde gordelboog gemetseld, rustend op identieke verticale muurbanden. De vijf gebrandschilderde ramen in de halfronde koorsluiting tonen van links naar rechts St. Vincentius, St. Cornelius, de Kruisiging, St. Martinus en St. Petrus. Het op een zwartmarmeren plateau geplaatste hoofdaltaar heeft een uit de gesloopte voorganger afkomstige groenmarmeren tafel met een blad en een voet van zwart marmer en aan de voorzijde vier roodmarmeren zuiltjes (in de drie achthoekige nissen in de voorkant van de tafel is naderhand wit marmer aangebracht met Christussymbolen). In het midden van de bovenbouw van het altaar staat een witmarmeren tabernakel voorzien van een geelkoperen deur met in reliëf het Lam Gods. Links en rechts van het tabernakel zijn gestucte hoogreliëfs aangebracht met engelen. Het tabernakel draagt een baldakijn bestaande uit een koepelachtige bekroning van stucwerk rustend op vier groenmarmeren zuiltjes. De zijmuren van het koor en het transept hebben een vergelijkbare wandopbouw als in het middenschip en openen door middel van een rondboog van rode verblendsteen naar de twee ter weerszijden van het koor gelegen zijkapellen. Tegen de achterwand (O) van deze door een kruisribgewelf (als in de zijbeuken) overwelfde ruimten staat een altaar waarboven een roosvenster. Beide zijaltaren zijn uitgevoerd in kalksteen met een plint en tafelblad van zwart marmer. De linker heeft hoekzuiltjes van rood marmer, in de voorzijde drie panelen van crèmekleurig marmer, en wordt bekroond door een Mariabeeld; de rechter is voorzien van drie groenmarmeren vierpasnissen en een tabernakel waarop een Jozefbeeld. Tegen de noordoostelijke vieringpijler is de uit de vorige kerk afkomstige preekstoel geplaatst. Deze heeft een voet bestaande uit een witmarmeren zuil omgeven door vier roodmarmeren zuiltjes. Hierop rust de (geschilderde) zandstenen onderzijde van de kuip. Deze is voorzien van de symbolen van de vier evangelisten en draagt een eikenhouten borstwering met op de afgeschuinde hoeken de vier evangelisten geflankeerd door halfzuiltjes en daartussen panelen waarin bronzen reliëfs met voorstellingen uit het Nieuwe Testament. De preekstoel is bereikbaar via een eikenhouten trap en voorzien van een dito klankbord met afgeschuinde hoeken en een rijkgesneden bovenrand van opengewerkte bladmotieven. In de viering hangt een koperen kroonluchter eveneens afkomstig uit de vorige kerk. De twee grote transeptvensters zijn samengesteld uit vier rondboogramen met lichtgroene en witte ruitjes en rode biezen, en middenboven een rondvenster met rood kruismotief. Onder de transeptvensters is de muur uitgevoerd in rode verblendsteen (kruisverband met snijvoeg) en voorzien van drie gepleisterde spaarvelden, de middelste in de vorm van een korfboog, de buitenste twee met een rondboogvorm. In de laatstgenoemde en de muren van de zijbeuken zijn 14 vermoedelijk uit de bouwtijd daterende en recent overgeschilderde kruiswegstaties ingemetseld (pleisterwerk in hoogreliëf). De tegelvloer in de kerk is samengesteld uit zwarte, bruine en lichtgele tegels. De vermoedelijk eveneens uit de bouwtijd daterende kerkbanken zijn uitgevoerd in eikenhout. De achtermuur van het middenschip en de zijbeuken is boven de omgaande plint opgetrokken in rode verblendsteen met gepleisterde banden, en in het middenschip bovenaan witgepleisterd en voorzien van een eikenhouten balustrade met gedraaide balusters tussen muurpijlers van rode verblendsteen (met gepleisterde banden). Deze dragen een zelfde gordelboog waarachter het gestucte tongewelf boven de orgelgalerij. In de gepleisterde westmuur bevindt zich een groot rondboogvenster met glas-in-lood als in de transeptvensters. In beide zijmuren van de orgelgalerij bevindt zich een vermoedelijk uit de vorige kerk afkomstige rondboogdeur, een eikenhouten paneeldeur voorzien van vertikale en ronde sierlijsten. Die in de zuidmuur geeft toegang tot de toren, de deur in de noordmuur leidt naar de kap boven de zuidelijke zijbeuk. In het midden van de achtermuur van het middenschip bevindt zich de dubbele deur naar het hoofdportaal en ter weerszijden hiervan een enkele deur. Deze drie eikenhouten deuren hebben een vergelijkbare vormgeving als de deuren van de orgelgalerij, maar zijn rechthoekig en voorzien van een halfrond bovenlicht waarin lichtgroen glas-in-lood met een rode bies. De rechter (N) geeft toegang tot het zijportaal, achter de linker (Z) ligt de houten steektrap naar de orgelgalerij. Het lage (in de Mariakapel ingebouwde) zijportaal heeft een nieuwe tegelvloer, witgepleisterde wanden boven een gemetselde plint als in de kerk, en een balkenplafond. In de noordmuur zit een eikenhouten deur met glaspaneel naar de Mariakapel, in de zuidmuur een bruingeschilderde paneeldeur die toegang geeft tot het hoofdportaal. De laatste wordt in tweeëen gedeeld door een dwarsmuur waarin een dubbele paneeldeur met daarboven vier gekoppelde rondboogvensters voorzien van glas-in-lood. Het hoofdportaal wordt overwelfd door een tongewelf van gele verblendsteen. De muren zijn boven een plint als in het zijportaal uitgevoerd in rode verblendsteen en voorzien van gepleisterde rondboognissen. Op de vloer liggen hardstenen tegels. De halfrond uitgebouwde Mariakapel ten noorden van het zijportaal is ook toegankelijk via een door rode profielsteen omlijste korfboogvormige doorgang in de achtermuur van de noordelijke zijbeuk, waarboven drie rondboogvensters als in de zijbeuken (doorgang en venster zijn geplaatst in een rondboogvormig, witgepleisterd en door rode profielsteen omlijst spaarveld). De rechthoekige en halfrond uitgebouwde Mariakapel wordt door twee korfbogen van rode verblendsteen in drieën geleed en heeft een vloer, wanden en plafond als in het zijportaal. De vijf rondboogvensters van de kapel hebben een dubbele bies van rood en blauw glas. In de achtermuur van de zuidelijke zijbeuk bevindt zich een door rode profielsteen omlijste rondboog voorzien van een dubbel smeedijzeren hek waarachter de in de toren gesitueerde doopkapel. Deze heeft een hangkoepel van gele verblendsteen, witgepleisterde wanden, en evenals de zijkapellen ter weerszijden van het koor een vloer van tegels als in de kerk met een omgaande dubbele tegelrand met bladranken in rood en geel. Ook de twee roosvensters in de doopkapel zijn voorzien van glas-in-lood met bloemmotieven (het glas in het zuidelijke is modern). In de doopkapel staat een achthoekige zwartmarmeren doopvont rustend op vier zuiltjes die geplaatst zijn op een kruisvormige voet. De eveneens achthoekige geelkoperen deksel heeft een torenachtige bekroning en hangt aan een rijkgesmede (florale motieven) geelkoperen kraan die draaibaar aan de westmuur bevestigd is. Bij de ingang van de doopkapel staat een verrijdbare eikenhouten biechtstoel met paneeldeuren voorzien van florale glas-in-loodramen. Vanuit de zuidelijke zijkapel leidt een eikenhouten paneeldeur (met ronde en vertikale profielen) waarboven een halfrond bovenlicht met lichtgroen ruitjes en een rode bies, via een korte gang naar de (inwendig) rechthoekige sacristie. Deze heeft een houten vloer (waarop linoleum), witgepleisterde muren en een balkenplafond. Tegen de zuidmuur staat een monumentale houten credens in art nouveau-stijl. Voor de geknikte oostmuur is een rechte kastenwand aangebracht voorzien van drie spaarvelden in rondboogvorm: een brede waarin twee paneeldeuren tussen twee kleinere met één paneeldeur. Een paneeldeur in de westmuur leidt via een lange gang langs het transept en de zuidelijke zijbeuk naar de pastorie. De gang heeft een vloer van zwarte, bruine, lichtgele en witte tegels, een balkenplafond, en gepleisterde muren waarin zowel ter hoogte van de tweede zijbeuktravee als in de westelijke zijmuur van de zuidelijke transeptarm een paneeldeur naar de kerk. Aan het einde van de gang geeft een deur voorzien van geëtst glas toegang tot de pastorie.
In de toren hangen drie klokken uit 1949 waarvan de grootste gewijd is aan de patroonheilige St. Cornelius en de andere twee aan Maria en St. Martinus.
Waardering
Het kerkgebouw is van algemeen belang als historisch-functioneel hoofdonderdeel van het rooms-katholiek kerkcomplex 'Sint Cornelius' en als gaaf bewaard voorbeeld van neoromaanse kerkelijke bouwkunst uit het begin van de twintigste eeuw. Van architectuurhistorische waarde als onderdeel van het oeuvre van architect P. Snel.
English translation
The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com
Description
Introduction
Roman Catholic CHURCH dedicated to Sint Cornelius, designed by P. Snel, from 1901-1902, principal component of the church complex 'Sint Cornelius'. The exterior of the church building, executed in neo-Romanesque style, is still largely original except for the recent late 20th century portal extension against the left side wall and the attached heating installation to the rear left. In the 1970s, the priest's choir was extended westward into the church at the expense of the communion and front benches. Also, the benches in the transept arms were turned towards the centre. The interior is otherwise still largely in its original state and parts of the church fittings come from the predecessor church demolished in 1855-'56 (including the pulpit, the chandelier, the high altar table, and the doors). The five stained glass choir windows were made in 1903 by the brothers Van Rooyen in Roermond.
Description
Three-aisled cruciform basilica with a built-in corner tower at the front right, a nave of five bays, a projecting transept and a semi-circular closed choir between lower square side chapels. The central aisle, the transept and the side aisles also have gabled roofs covered with Maas slate, the latter with an end gable crowned by a zinc finial at the height of the transept. The two side chapels are provided with a (flattened) hipped roof. Against the south wall of the southern side chapel is a pentagonal sacristy annexed under an equally slate-covered hipped roof. Along all the aforementioned roofs runs a roof gutter on profiled corbels. The external wall is built of red machine-made brick in wall bond with struck joint, and provided with a matching continuous plinth with a bevelled top edge of red facing brick. The central aisle is closed at the front (W) by a stepped gable flanked by the built-in corner tower in line with the right side aisle and the Mary Chapel to the left, from which it is separated by a buttress with three stone dressings. The Mary Chapel has a semi-circular ending slate-covered gabled roof with a round chimney. On the buttress, at the bottom of the stone-covered stepped gable, lies a stone dragon. The stepped gable is crowned by an equally stone cross and is provided with a large round arch window below which is a round arch portal with stepped jambs and archivolts of red facing brick. This built-out entrance portal has a stepped gable projecting above stone corbels on the sides covered with stone. The reinforced and richly fitted double church door has a semi-circular stone fanlight with three round arch windows, the middle one being taller and flanked in the spandrels by two small round windows. On either side of the portal is a high-placed round arch window above and below which runs a cordon of red profiled facing brick that continues along the front and side walls. To the left of the aforementioned buttress is an identical third round arch window. In the Mary Chapel there are three round arch windows. On either side of the three-part lancet window, the front gable has three coupled round arch recesses below which is a rectangular frame of red profiled stone around a limestone statue of a saint placed on an elaborately worked limestone console with a stone baldachin. The left statue represents St. Cornelius, the right one St. Martinus. In the upper part of the stepped gable is a round recess below which is a shutter between two round arch windows. Below the last two and above the aforementioned round arch windows are decorative courses laid of yellow facing brick between which a dog-tooth pattern. Also around the head of the large window is yellow facing brick. The corner tower built on a square ground plan has four storeys. The uppermost storey has a stepped gable above all four sides, above which is a slightly constricted four-sided spire. This high slate-covered spire is crowned by a wrought iron cross with a weathercock. The uppermost three storeys have at the top a double ornamental band of yellow and above it red facing brick. The baptismal chapel located at the bottom of the tower is illuminated in a monumental way by a rose window in the west and south sides of the tower. The two stone rose windows have at the bottom a stone block with gutter and around them heads of contrasting yellow facing brick. Both windows are placed in a round arch spandrel. Below the rose window in the front wall (W) is an inscribed stone set in the wall on which the consecration of the church is noted in Latin, as well as the names of the architect, the contractor, and the building pastor. The lowest tower storey further has at the top on three sides two round arch windows, placed in the front and right side in a round arch spandrel with a border of red facing brick. The second and third storeys are identical on all four sides. In the middle of the second is a small spandrel closed by a round arch frieze above which, between two small round arch windows, is a recessed stone clock face surrounded by red profiled facing brick. The clock faces, whose hands are missing, are provided with the year 1902. The third storey has in each side two sound holes in round arch form, corner pilasters and a round arch frieze. Against the four stepped gables above are later new clock faces attached. The tower spire has in each of the four sides a roof dormer with shutter and slate-covered gabled roof.
The side aisle bays are separated from each other by buttresses with two stone dressings. Each side aisle bay has a round spandrel provided with three round arch windows, the middle one being taller. In the border of the spandrel are heads laid of contrasting yellow facing brick and at the bottom is a stone block with gutter. Below and above the spandrels runs a cordon of red profiled facing brick, the upper one raised at the location of each spandrel. The likewise buttress-divided clerestory is closed by a round arch frieze on corbels of red profiled facing brick. This continues along the side walls of the transept and around the choir. In each clerestory bay is a round arch window. The transept walls, executed as stepped gables, have buttresses at the corners and a large round arch window surrounded by a very large round arch spandrel with a border of yellow facing brick. The stone-covered transept walls project left and right above a stone corbel and, like the front gable, are crowned by a stone cross. The transept walls are worked in the upper part in the same way as the front stepped gable. The semi-circular choir closure is divided into five bays by straight buttresses, each provided with a tall round arch window placed on a bevelled border of red facing brick. In the upper side walls of the choir is one round arch window. Around the heads of the choir windows the masonry is enriched with yellow facing brick. The apse vault is crowned by a wrought iron cross. The side chapels on either side of the choir have in both walls a round arch spandrel, the two in the east wall provided with a rose window as in the front wall.
On the various roof surfaces stand in total twelve roof dormers: two on both side aisles, four on the transept roof, three on the south and two on the north roof surface of the central aisle, and one above the choir closure. All dormers provided with gabled roofs are covered with slate. In the interior, the central aisle and side aisles are separated from each other by masoned round pillars of red facing brick (in wall bond with struck joint) which are connected to each other by round arches. The columns are provided with plastered bands, an octagonal basement of bricks with a stone torus on top, and a stylised acanthus capital of limestone with red and gold-coloured accents. On the capitals rest equally in red facing brick with plastered bands executed vertical bands that divide the clerestory. This has above the arcade a cordon of red profiled facing brick and is closed by a cornice on which the stuccoed and by profiled belt arches divided barrel vault rests. The round arch windows of the clerestory are provided with light green and white panes with along the edge a stripe of red or blue glass (alternating). The side aisles have masoned cross-ribbed vaults of yellow facing brick on ribs of red profiled stone (bead profile). The side aisle bays are separated from each other by round arches of red facing brick which rest in the side wall on composite wall pillars, likewise of red facing brick with plastered bands and provided with a limestone capital with double round arch motif. The side walls are, like the other walls in the church, whitewashed above a continuous plinth of machine-made wall bricks in wall bond with struck joint, with a bevelled top edge of red facing brick. Below the three windows placed in a semi-circular spandrel of each side aisle bay runs a cordon of profiled red facing brick. The windows have stained glass as in the clerestory windows, but with a double stripe of red and blue glass, and in the top of the outer windows a yellow circle and in the middle window a red cross motif. The crossing pillars executed in red facing brick with plastered bands have comparable capitals as in the side aisles and continue above as a wall pillar. On these rest the four belt arches of red facing brick around the crossing. In the choir, in front of the apse vault, an identical belt arch is laid, resting on identical vertical wall bands. The five stained glass windows in the semi-circular choir closure show from left to right St. Vincentius, St. Cornelius, the Crucifixion, St. Martinus and St. Petrus. The high altar placed on a black marble platform has a green marble table from the demolished predecessor with a top and foot of black marble and on the front four red marble columns (in the three octagonal niches in the front of the table white marble has subsequently been inserted with Christ symbols). In the middle of the superstructure of the altar stands a white marble tabernacle provided with a brass door with the Lamb of God in relief. To the left and right of the tabernacle are stuccoed high reliefs with angels. The tabernacle bears a baldachin consisting of a dome-like stucco crown resting on four green marble columns. The side walls of the choir and the transept have a comparable wall structure as in the central aisle and open by means of a round arch of red facing brick towards the two side chapels located on either side of the choir. Against the back wall (E) of these spaces covered by a cross-ribbed vault (as in the side aisles) stands an altar above which is a rose window. Both side altars are executed in limestone with a plinth and table top of black marble. The left one has small corner columns of red marble, three panels of cream-coloured marble on the front, and is crowned by a Mary statue; the right one is provided with three green marble quatrefoils and a tabernacle topped with a Joseph statue. Against the northeast crossing pillar is placed the pulpit from the previous church. This has a base consisting of a white marble column surrounded by four red marble columns. On this rests the (painted) stone underside of the tub. This is provided with the symbols of the four evangelists and bears an oak balustrade with on the bevelled corners the four evangelists flanked by half-columns and between them panels with bronze reliefs depicting scenes from the New Testament. The pulpit is accessible via an oak staircase and provided with a likewise sounding board with bevelled corners and a richly carved top edge of open-worked leaf motifs. In the crossing hangs a copper chandelier likewise from the previous church. The two large transept windows are composed of four round arch windows with light green and white panes and red stripes, and in the middle above a round window with red cross motif. Below the transept windows the wall is executed in red facing brick (wall bond with struck joint) and provided with three plastered spandrels, the middle one in the form of a basket arch, the outer two with a round arch form. In the latter and the walls of the side aisles are 14 presumably dating from the building period and recently repainted stations of the cross set in (plasterwork in high relief). The tile floor in the church is composed of black, brown and light yellow tiles. The benches, presumably also dating from the building period, are executed in oak. The rear wall of the central aisle and the side aisles is above the continuous plinth built up of red facing brick with plastered bands, and in the central aisle at the top whitewashed and provided with an oak balustrade with turned balusters between wall pillars of red facing brick (with plastered bands). These carry an identical belt arch behind which the stuccoed barrel vault above the organ gallery. In the plastered west wall is a large round arch window with stained glass as in the transept windows. In both side walls of the organ gallery is a presumably from the previous church coming round arch door, an oak panelled door provided with vertical and round ornamental mouldings. The one in the south wall gives access to the tower, the door in the north wall leads to the roof above the southern side aisle. In the middle of the rear wall of the central aisle is the double door to the main portal and on either side of this a single door. These three oak doors have a similar design to the doors of the organ gallery, but are rectangular and provided with a semi-circular fanlight in which light green stained glass with a red stripe. The right (N) gives access to the side portal, behind the left (S) is the wooden stairs to the organ gallery. The low (built into the Mary Chapel) side portal has a new tile floor, whitewashed walls above a masoned plinth as in the church, and a beam ceiling. In the north wall is an oak door with glass panel to the Mary Chapel, in the south wall a brown-painted panelled door giving access to the main portal. The latter is divided in two by a cross wall in which is a double panelled door with above four coupled round arch windows provided with stained glass. The main portal is vaulted by a barrel vault of yellow facing brick. The walls are above a plinth as in the side portal executed in red facing brick and provided with plastered round arch recesses. The floor is laid with stone tiles. The semi-circular Mary Chapel to the north of the side portal is also accessible via a basket arch-shaped passage in the rear wall of the northern side aisle, outlined with red profiled stone, above which are three round arch windows as in the side aisles (passage and window are placed in a round arch spandrel, whitewashed and outlined with red profiled stone). The rectangular and semi-circular Mary Chapel is divided into three by two basket arches of red facing brick and has a floor, walls and ceiling as in the side portal. The five round arch windows of the chapel have a double stripe of red and blue glass. In the rear wall of the southern side aisle is a round arch outlined with red profiled stone provided with a double wrought iron gate behind which is the baptismal chapel located in the tower. This has a hanging dome of yellow facing brick, whitewashed walls, and like the side chapels on either side of the choir a floor of tiles as in the church with a surrounding double tile border with foliage in red and yellow. Also the two rose windows in the baptismal chapel are provided with stained glass with flower motifs (the glass in the southern one is modern). In the baptismal chapel stands an octagonal black marble font resting on four columns which are placed on a cross-shaped base. The likewise octagonal brass cover has a tower-like crown and hangs on a richly forged (floral motifs) brass crane which is rotatably fixed to the west wall. At the entrance of the baptismal chapel stands a mobile oak confessional with panelled doors provided with floral stained glass windows. From the southern side chapel an oak panelled door (with round and vertical profiles) above which a semi-circular fanlight with light green panes and a red stripe leads via a short corridor to the (internally) rectangular sacristy. This has a wooden floor (with linoleum on top), whitewashed walls and a beam ceiling. Against the south wall stands a monumental wooden credence in Art Nouveau style. For the bent east wall a straight cabinet wall has been added provided with three round arch spandrels: a wide one with two panelled doors between two smaller ones with one panelled door each. A panelled door in the west wall leads via a long corridor along the transept and the southern side aisle to the presbytery. The corridor has a floor of black, brown, light yellow and white tiles, a beam ceiling, and plastered walls in which both at the height of the second side aisle bay and in the western side wall of the southern transept arm is a panelled door to the church. At the end of the corridor a door with etched glass gives access to the presbytery.
In the tower hang three bells from 1949 of which the largest is dedicated to the patron saint St. Cornelius and the other two to Mary and St. Martinus.
Valuation
The church building is of general importance as a historically-functional principal component of the Roman Catholic church complex 'Sint Cornelius' and as a well-preserved example of neo-Romanesque church architecture from the beginning of the twentieth century. Of architectural-historical value as part of the oeuvre of architect P. Snel.
Nearby in the register
- Pastorie(F), Dusseldorperweg 74Kerkelijke dienstwoningunder 1 mi
- VredeburgBoerderijunder 1 mi
- Kerk, Zuidkerkenlaan 25Kerk en kerkonderdeelunder 1 mi
- Calvarieberg, Kapellaan bij 6Kerk en kerkonderdeelunder 1 mi
Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.