TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Woonhuis, Voorstraat 26

Blije, Fryslân, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Woonhuis
Category
onroerend gebouwd
Built (approximately)
1900 - 1910
Address
Voorstraat 26, 9171 LV Blije (Noardeast-Fryslân 21)
Place
Blije
Municipality
Noardeast-Fryslân
Province
Fryslân
Country
Netherlands
Coordinates
53.35197, 5.85766
Monument number
507145

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

University Library, Vrije Universiteit Amsterdam

3 historical maps cover this location, the earliest the 1904 map "Bl. 3 Leeuwarden, 1904" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

Inleiding

Het vrijstaande WOONHUIS met aangebouwde bijkeuken ligt op een ruim terrein en is vermoedelijk gebouwd als rentenierswoning. De burgerwoning is op stilistische gronden te dateren in het eerste decennium van de 20ste eeuw: in de decoraties is de invloed van de vernieuwingstendenzen herkenbaar, mede op grond waarvan het woonhuis tot de Overgangsarchitectuur wordt gerekend. Het gietijzeren TOEGANGSHEK dateert uit de 2de helft van de 19de eeuw. De recentere aanbouw aan de bijkeuken is voor de bescherming van ondergeschikt belang.

Omschrijving

Het woonhuis heeft globaal een vierkant grondplan met een erker aan de voorzijde en een aangebouwde bijkeuken onder plat dak aan de achterzijde. De woning bestaat uit één bouwlaag, maar de rechter helft van het woonhuis is over twee bouwlagen opgetrokken en heeft een topgevel onder wolfdak. De gevels zijn opgetrokken in donkerbruine bakstenen op een natuurstenen plint. De gevelwanden zijn verlevendigd met gele verblendstenen banden langs onder-, wissel- en bovendorpel en rode strengpersbakstenen. De gevels worden afgesloten door een gevellijst, die door verticaal gemetselde kopse stenen onder de gootklossen in vakken is verdeeld en waarin rode bakstenen kops zijn ingemetseld. De samengestelde kap bestaat uit een afgeknot schilddak en een zadeldak met wolfeinden, bekroond met zinken pironnen. De dakschilden zijn belegd met leien in maasdekking. De voorgevel heeft in het midden een inpandig portiek met een drietreeds hardstenen stoep. De lambrizering van het portiek is betegeld met gefacetteerde tegels en heeft een terrazzo-vloer en een paneeldeur. Op het portiekkalf een tweelichtvenster met meerruits roedeverdeling, onder een keperboog met sluit- en aanzetstenen. Links van het portiek een drielichtvenster met meerruits bovenlichten van getint matglas, onder een gedrukte keperboog en een trommelveld met siermetselwerk. Rechts van de ingang een driezijdige erker met H-vensters onder een latei met daarboven een eenvoudig gevellijstje. Op de erker een balkon met houten balustrade. De balkondeur heeft een gebogen roedeverdeling. In het dakschild boven de muurdam tussen het portiek en het drielichtvenster een tweelicht dakkapel met T-vensters onder een geringere dakhelling.

In de rechter zijgevel is een H-venster en een drielichtvenster; beide hebben bovenlichten met geel getint matglas. Beide lichtopeningen zijn onder een keperboog. Op het dakschild een schoorsteen en een dakkapel onder een geringere dakhelling. De linker zijgevel heeft op beide hoeken een H-venster en in het midden boven elkaar een provisiekelderraam met valraam een een traplichtopening die de gevellijst gedeeltelijk doorsnijdt. In het dakschild staat een gemetselde schoorsteen met gele bakstenen kruisdecoraties en een band. De achtergevel wordt gedeeltelijk oversneden door een bijkeuken. De bijkeuken is opgetrokken in bruine bakstenen verlevendigd met gele bakstenen ter hoogte van de onderdorpel. De drie vensters in de aanbouw zijn onder een rollaag van gele verblendstenen; de achteringang heeft een bakstenen stoep. De daklijst van het platte dak is versierd met gietijzeren ornamenten. In de opgetrokken achtergevel boven het platte dak van de bijkeuken is een drielichtvenster met een deur naar het droogplat.

Het interieur is structureel geheel en in de detaillering gedeeltelijk oorspronkelijk. De middengang is bevloerd met gedecoreerde hardgebakken tegels en op het plafond stucadoorswerk. Het voor- en achtergedeelte van het huis wordt aangeduid door een gestucadoorde boog in de gang.

Tot de oorspronkelijke INTERIEUR-onderdelen behoren onder meer de schuifdeuren in de kamer-en-suite, de zwartmarmeren schoorsteenmantel, de vensterbanken en de deuromlijstingen van de paneeldeuren, waarop de voormalige geschilderde decoraties met enige moeite te herkennen zijn. Op de zolderverdieping is nog aanwezig een droogzolder en een kleine slaapkamer met bedstede. De toegang tot het perceel wordt gevormd door een gietijzeren hekwerk bestaande uit drie gecanneleerde stijlen bekroond met pijnappels, gesmede vleugels en draaihekken, een enkelvoudig voetgangershek en een dubbel voertuigenhek. De draaihekken zijn gesmeed en hebben gietijzeren punten.

Waardering

Het woonhuis in Overgangsarchitectuur uit het eerste decennium van deze eeuw en het 2de helft 19de-eeuwse toegangshek zijn van algemene architectuurhistorische waarde:

- als representant van de eenvoudige rentenierswoningen,

- vanwege de redelijke mate van esthetische kwaliteit van het ontwerp,

- vanwege de hoge mate van bijzonder materiaalgebruik en van ornamentiek,

- vanwege de hoge mate van gaafheid van van interieur en exterieur,

- vanwege de redelijke mate van gaafheid van de onderdelen van het object: woonhuis en hekwerk.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

Introduction

The detached DWELLING HOUSE with attached scullery is situated on an ample plot and is presumed to have been built as a rentier's residence. The bourgeois dwelling is on stylistic grounds to be dated to the first decade of the 20th century: the influence of renewal tendencies is recognisable in the decorations, on the basis of which the dwelling house is classified as Transitional Architecture. The cast-iron ENTRANCE GATE dates from the second half of the 19th century. The more recent extension to the scullery is of subordinate significance to the protection.

Description

The dwelling house has roughly a square ground plan with a bay window on the front elevation and an attached scullery under a flat roof on the rear elevation. The dwelling consists of one storey, but the right half of the dwelling house is built over two storeys and has a gabled roof under a half-hipped roof. The facades are built in dark brown brickwork on a natural stone plinth. The facade walls are enlivened with yellow facing brick bands along the lower, intermediate and upper string courses and red stock-moulded bricks. The facades are finished with a cornice, which is divided into panels by vertically laid header bricks beneath the gutter blocks and in which red bricks are laid as headers. The composite roof consists of a truncated hipped roof and a gabled roof with half-hipped ends, crowned with zinc ornamental finials. The roof tiles are covered with slates in Dutch bond. The front elevation has in the middle an inset porch with a three-stepped stone step. The panelling of the porch is tiled with faceted tiles and has a terrazzo floor and a panelled door. On the porch soffit a two-light window with multiple-pane glazing bars, beneath a bevelled arch with voussoirs and springer stones. To the left of the porch a three-light window with multiple-pane fanlights of tinted frosted glass, beneath a depressed bevelled arch and a drum panel with decorative brickwork. To the right of the entrance a three-sided bay window with cross windows beneath a lintel with above it a simple cornice. On the bay window a balcony with wooden balustrade. The balcony door has a curved glazing bar pattern. In the roof tile above the wall section between the porch and the three-light window a two-light dormer with cross windows beneath a shallower roof pitch.

In the right side elevation is a cross window and a three-light window; both have fanlights with yellow tinted frosted glass. Both window openings are beneath a bevelled arch. On the roof tile a chimney and a dormer beneath a shallower roof pitch. The left side elevation has on both corners a cross window and in the middle above each other a provision cellar window with a drop window and a stairlight opening which partially intersects the cornice. In the roof tile stands a brick chimney with yellow brick cross decorations and a band. The rear elevation is partially obscured by a scullery. The scullery is built in brown brick enlivened with yellow bricks at the height of the lower string course. The three windows in the extension are beneath a roll course of yellow facing bricks; the rear entrance has a brick step. The eaves line of the flat roof is decorated with cast-iron ornaments. In the built-up rear elevation above the flat roof of the scullery is a three-light window with a door to the drying platform.

The interior is structurally entirely and in the detailing partially original. The central passage is floored with decorated fired hard tiles and on the ceiling stuccowork. The front and rear sections of the house are indicated by a stuccoed arch in the passage.

Among the original INTERIOR components are included the sliding doors in the bedroom suite, the black marble mantelpiece, the window sills and the door surrounds of the panelled doors, on which the former painted decorations can with some difficulty be recognised. On the attic storey there is still present a drying loft and a small bedroom with alcove bed. The access to the plot is formed by cast-iron railwork consisting of three fluted stiles crowned with pineapples, forged wings and swing gates, a single pedestrian gate and a double vehicle gate. The swing gates are forged and have cast-iron points.

Assessment

The dwelling house in Transitional Architecture from the first decade of this century and the second half 19th-century entrance gate are of general architectural-historical value:

- as a representative of the modest rentier residences,

- because of the reasonable degree of aesthetic quality of the design,

- because of the high degree of particular material use and ornamentation,

- because of the high degree of integrity of interior and exterior,

- because of the reasonable degree of integrity of the components of the object: dwelling house and railwork.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map