TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Maria Roepaan

Ottersum, Limburg, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Klooster, kloosteronderdl
Category
onroerend gebouwd
Built (approximately)
1897 - 1899
Address
Kleefseweg 9, 6595 NK Ottersum (Gennep 31)
Place
Ottersum
Municipality
Gennep
Province
Limburg
Country
Netherlands
Coordinates
51.70671, 6.00118
Monument number
504497

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries

3 historical maps cover this location, the earliest the 1893 map "46 Vierlingsbeek" (University Library, Vrije Universiteit Amsterdam).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

INLEIDING

Voormalig kloostercomplex ('Kulturkampf-klooster') van de Zusters van de Goddelijke Voorzienigheid te Munster, bestaande uit een restant van de eerste voorbouw (zogenaamd SCHOOLHUIS uit 1897-1899, eclectisch ontwerp Th. Jaspers te Goch), een verbindingslid met trappenhuis, een tweede voorbouw ('Herrenhaus') met hoofdingang, kloostergangen, eenbeukige kapel in neogotische stijl (laatgotische Nederrijnse invloeden) met daaronder voormalig schoolgebouw en achterbouw (zogenaamd Zusterhuis) gebouwd in 1908-1909 naar ontwerp van C. Franssen (1860-1932). De kapel bezit een complete cyclus gebrand- schilderde ramen uit atelier W. Derix te Goch (1895 en 1909-1910).

Het markante, rijzige laat 19de- en vroeg 20ste-eeuwse kloostercomplex is gelegen ten oosten van het dorp Ottersum op een heuveltje in het stroomdal van de Niers op de rechteroever, langs de doorgaande weg naar Duitsland. De forse contouren van het complex bepalen het beeld in de wijde omgeving. De gevel van het complex aan de straatzijde is gericht naar het zuiden en kijkt uit over het stroomdal van de Niers. Het huidige kloostercomplex is gebouwd in twee fasen (1897-1899 en 1908- 1909), maar de geschiedenis van de plaats en een deel van haar naam ('Roepaan') gaan verder terug.

Blijkens oude kaarten en oude afbeeldingen was de herberg/hoeve Roepaan sinds de late 18de eeuw uitgegroeid tot een forse T-boerderij. In 1881 werd het goed door de familie Van de Loo aangeboden aan de Zusters van de Goddelijke Voorzienigheid (moederhuis te Munster).

In 1882 betrokken de eerste zusters het complex en werd de naam op toepasselijke wijze omgedoopt in 'Maria Roepaan'. Men begon met een bewaarschool, een handwerkschool en ziekenverpleging. Al snel werden in het complex ook weesmeisjes ondergebracht. Er werd een pensionaat opgericht, waarin meisjes werden opgeleid in de huishouding. Op het hoogtepunt van de geschiedenis van het klooster, in 1917, telde het complex ongeveer 300 inwoners. De meeste van hen kwamen uit Duitsland vanwege de Kulturkampf, waardoor Duits op het klooster de voertaal was.

In 1882 begon men met de sloop van het achterhuis van de boerderij. Hiervoor in de plaats kwam een gang met bijvertrekken, zoals een keuken, een refter en een eetzaal voor kinderen. Ook werd een kapel gesticht, aanvankelijk in 'de goede kamer'. Het oude voorhuis aan de straat werd in stijl aangepast. In 1887 werd de grote schuur ten oosten van de boerderij verbouwd tot twee klaslokalen, een handwerklokaal, een strijkkamer, wasserij en andere kamers. In 1890 werd de eerste steen gelegd voor de bouw van een Lourdesgrot in de tuin, waarvoor de slakken afkomstig waren uit de oven van Ibbenburen in Westfalen.

Een belangrijke fase in de bouw van het klooster ving aan in 1897, toen architect-aannemer ('Baumeister und Unternehmer') Theodoor Jaspers uit Goch begon met de bouw van een groot schoolhuis aan de Kleefseweg, ten oosten van de oude boerderij. In het voorjaar van 1899 was dit bouwdeel gereed. In 1898 werd het kerkhof aangelegd.

In 1904 had men weer plannen voor uitbreiding, waarvoor uiteindelijk in 1908 de Tegelse architect Caspar Franssen werd ingehuurd. Franssen breidde het toch al indrukwekkende front aan de Kleefseweg aan de westzijde verder uit door middel van een verbindingslid en vervolgens een hoger vierlaags hoekblok, het 'Herrenhaus'. Hierdoor ontstond een zeer monumentaal opgezet straatfront. Tegen de achtergevel van dit hoekblok liet hij een hoge kapel aansluiten (wijding 18 mei 1909 door directeur Wienken van Munster) met onder de kapelruimte nog twee verdiepingen (een lokalengedeelte en souterrain). Aan de oostzijde plaatste hij tegen de zijgevel van de kapel een overwelfde gang met daarboven nog een lagere, vlak gedekte gang. Deze gang gaf toegang tot de lokalen onder de kerk en de gang daarboven tot de nevenruimten van de kapel. Het hoekblok kreeg tevens tussen de voorbouw en de aansluiting van de kapel dwarsgeplaatste gangen, die aan de oostzijde samenkwamen bij een trappenhuis, opgenomen in de achterbouw van het verbindingslid tussen het hoekgebouw van Franssen en het oudere blok van Jaspers. Deze dwarsgangen met terrazzovloeren gaven toegang tot de kapel en de ruimten in de voorbouw.

De gang naast de kapel leidde tevens naar een fors gebouw dat op het achterterrein is gelegen en dat deels aansluit op de koorsluiting van de kapel. Dit fors drielaags, langwerpig rechthoekig gebouw kreeg de functie van keuken en zusterverblijf (Zusterhuis).

Het voorgebouw van Franssen aan de straatzijde, staat bekend als het 'Her- renhaus'. Dit huis staat op de plaats waar het oude voorhuis van de boerderij Roepaan heeft gestaan. Op een briefhoofd uit de tijd is het oude huis in verbouwde staat nog te zien, met daarachter de kloostergebouwen uit 1882 en de spits van de eerste kapel. In 1909 is tevens de rest van het in de jaren 1882-1883 gebouwde kloostergedeelte met kapel gesloopt. Tegen de achtergevel van het grote gebouw (schoolhuis) van Jaspers sloot een langwerpige tweelaags vleugel (15 vensterassen diep) aan met een uitbouw met ingang en balkon.

Het gebouw van Jaspers was wat betreft de hoofdvorm te vergelijken met Duitse 18de-eeuwse barokpaleizen met de in feite on-Nederlandse hoge gebroken kap. De uitvoering met segmentboogvensters, lisenen onderling verbonden door schijnboogfriezen en tuitvormige topgevels met spitsboognissen (bij de hoekrisalieten getrapte spitsboognissen) en overwelfde portiek met segmentboogopeningen op bakstenen pijlers is echter neogotisch.

Franssen sloot in detail en opzet aan bij het oudere gedeelte van Jaspers en herhaalde in het Herrenhaus het motief van de risaliet met topgevel, ook met getrapte spitsboognissen. Ook het overwelfde portiek bij de ingang herhaalde Franssen van het gebouw van Jaspers. In het interieur sloot Franssen tevens aan bij de door Jaspers gekozen vormgeving, met name bij de aansluiting van zijn gangenstelsels op de dwarsgangen, welke het - schoolhuis van Jaspers doorkruisten. De gangen van het schoolhuis zijn door brand in 1945 verwoest maar oude foto's geven nog een beeld van het uiterlijk ervan. Daaruit wordt tevens duidelijk dat Franssen de gangen met graatgewelven heeft gekopieerd van Jaspers om een samenhangend interieur te krijgen dat op harmonische wijze op elkaar aansloot. De vormgeving van deze gepleisterde gangen is ook niet gebruikelijk voor architecten van de Nederlandse neogotiek, en zeker ook niet voor Franssen (gebruikelijk waren in die tijd gangen met gotische kruisribgewelven in schoon werk uitgevoerd), en moeten eerder worden gezien als een relict van de door Duitse neogotiek beïnvloedde Theodoor Jaspers. Helaas ging bij het oorlogsgeweld ook een fraai glas- in-lood raam in de oostgevel van het schoolhuis, aan het einde van de dwarsgang van het gebouw verloren. Dit raam had blijkens een oude foto een voorstelling van Christus, omringd door kinderen ('laat de kinderen tot Mij komen').

Opmerkelijk is verder dat C. Franssen voor de kloosterkapel gebruik maakte van de Nederrijnse laatgotiek, terwijl hij bij zijn kerken bij voorkeur gebruik maakte van de vroege Franse gotiek als voorbeeld en inspiratiebron. Bij de kapel zien we echter flamboyante traceringen, een Nederrijns netgewelf en voor de late Nederrijnse gotiek kenmerkende weelderige bladkapitelen, met sterk omkrullende bladeren van een type dat we ondermeer kennen van de Stevenskerk te Nijmegen, de Dom van Xanten en de Petruskerk van Kranenburg. Mogelijk heeft hij op verzoek van de opdrachtgeefster, welke sterke banden had met Duitsland (ook tot uiting komend in het contact met Duitse kunstenaars als Jaspers en Derix), de Nederrijnse, en ook dus voor dit gebied van oudsher inheemse (laat)gotische stijl tot voorbeeld genomen; anders zijn deze voor het werk van Franssen eigenlijk vreemde stijlkenmerken niet te verklaren.

Na de bouwactiviteiten op Roepaan, geleid door C. Franssen was een groot, bijna carrevormig kloostercomplex ontstaan. Vanuit de bijna geheel door hoge bebouwing omsloten binnenhof was rechts achter een doorsteek naar de tuinen achter het complex met daarin ondermeer de Lourdesgrot (weer verdwenen) en het kerkhof.

Het klooster heeft in de Tweede Wereldoorlog zwaar geleden, waarbij het oudste gedeelte van Jaspers nagenoeg geheel door brand, aangestoken door de Duitse troepen op 2 februari 1945, werd verwoest. Ook de kap met dakruiter op het schip van de kapel ging door deze brand verloren en daarnaast de kappen van het 'Herrenhaus' en het verbindingslid. In 1949 werd als eerste het dak van de kapel herbouwd (echter zonder dakruiter) en werd tevens begonnen met het herstel van de gebouwen. De ingestorte gewelven van de gangen in het schoolhuis werden niet meer hersteld. Het verwoeste schoolhuis van Jaspers werd dan ook maar zeer ten dele behouden, waarbij de bewaard gebleven delen voorzien werden van platte daken en nieuwe zijgevels met binnen een geheel nieuwe indeling. De diepe tweelaags uitbouw achter het schoolhuis verdween ook in zijn geheel, waardoor in feite hoofdzakelijk de door C. Franssen gebouwde delen behouden bleven.

Het complex heeft vanaf 1951 tot 1974 dienst gedaan als onderdak voor geestelijk gehandi- capte kinderen. Tijdelijke leegstand en jarenlang gebruik door krakers hebben tot begin jaren negentig bijgedragen tot verder verval.

BESCHRIJVING

In grondvlak is het thans een U-vormig complex, met aan de zuidzijde aan de straat de voorvleugel (bestaande van west naar oost uit het vier verdiepingen hoge 'Herrenhaus', het drie verdiepingen hoge tussenlid en tenslotte de restanten van het schoolhuis), haaks hierop (op het 'Herrenhaus' aansluitend) de kapelvleugel aan de westzijde met aan de oostkant van de kapel een verbindingsgangengedeelte. Aan de achterzijde sluit op het koor van de kapel (dat in noordelijke richting wijst, de kapel is niet georiënteerd) weer een dwars geplaatste noordvleugel aan met drie verdiepingen, het Zusterhuis.

Het voormalige SCHOOLHUIS, een groot rechthoekig gebouw van baksteen, had twee bouwlagen en in de voorgevel een brede middenrisaliet en twee smallere hoekrisalieten, voorzien van topgevels. Het geheel sloot af met een hoge 'gebroken' kap, een mansardedak naar Duits model. In de brede middenrisaliet bevond zich de hoofdingang met een bordestrap en stenen portiek met overwelving op pijlers en gedrukte spitsbogen met een balkon op de verdieping.

De restanten zijn thans van een plat dak voorzien. Het linker gedeelte telt nog een souterrain en twee verdiepingen; bij het rechter deel ontbreekt de bovenste verdieping. De achtergevel van het restant heeft weer vensters als in de voorgevel (met bij de segmentbogen weer een segmentboogvormige bakstenen waterlijst met bloktandlijst). Het gedeelte dat nog twee hoofdverdiepingen bezit, heeft nog ter afsluiting een schijnboogfries. Van het bewaard gebleven deel van het voormalige schoolhuis vallen alleen de voor- en achtergevel onder de bescherming.

De voorbouw van Franssen ('Herrenhaus' en verbindingslid) werd tot in de details aangepast aan het gebouw van Jaspers, zodat het op het eerste gezicht niet opvalt dat er een verschil in bouwtijd is tussen deze delen. Franssen paste dan ook de lisenen met schijnboogfriezen toe en segmentboogvensters met dezelfde 4-ruits stolpramen met 2-ruits bovenlichten en bakstenen waterlijsten met bloktandlijsten boven de segmentbogen. De souterrains bezitten getoogde vensters met 4-ruits stolpramen. Daarnaast werden ook het materiaalgebruik en de horizontale geleding van de gevels door middel van hardstenen waterlijsten voortgezet.

De bouwdelen van Franssen ('Herrenhaus', verbindingslid en Zusterhuis) kregen een afgeplat schilddak. De kapel heeft een zadeldak op het schip en een lager dak met schilden boven de sluitingszijden op het koor. Het koordak en het dak van het Zusterhuis zijn thans gedekt met leien, de overige met pannen (tuile du Nord pannen met een platte wel, oorspronkelijk ook leien).

De achtergevel van het verbindingslid van de voorbouw heeft een geheel asymmetrische indeling. In de souterrainverdieping bevinden zich weer lage getoogde vensters met getoogde 4-ruits stolpramen. De gevel heeft links een hoekliseen en boven, onder de gootlijst weer een schijnboogfries met doorgetrokken stijlen. In deze gevel spitsboogvormige trappenhuisvensters met glas- in-lood in een zandstenen tracering met driepasboog in de top. Bovenin bevinden zich twee lagere spitsboogvormige trappenhuisvensters, welke op een merkwaardige wijze het schijnboogfries onder de daklijst door- breken. Deze vensters hebben in de top houten traceringen, bestaande uit een driepasboog, met gesloten uitgevoerde boogzwikken. Deze bovenlichten hebben glas-in-lood.

Het trappenhuis in het verbindingslid heeft hardstenen treden, terrazzo optreden en een fraaie, rijk uitgevoerde smeedijzeren balustrade. De eerste vlucht van het trappenhuis, verlicht door twee spitsboogvensters met gekleurd non-figuratief glas- in-lood, heeft een overwelving met ribgewelven rustend op forse kraagstenen, versierd met omkrullende eikenbladeren. Deze kraagstenen vertonen qua vormgeving sterke overeenkomsten met tijdens de late middeleeuwen in de Nederrijnstreek gehanteerde modellen.

Het 'Herrenhaus' is door Franssen duidelijk uitgevoerd als een belangrijk hoekaccent en is dan ook - uitgezonderd de kapel -een verdieping hoger dan de andere hiervoor beschreven bouwdelen. De voorgevel heeft een symmetrische indeling en is monumentaal van opzet met een middenrisaliet met topgevel. Een forse bordestrap leidt naar een bordes voor de hoofdingang in de middenrisaliet op de eerste verdieping. De vloer van het bordes is uitgevoerd in terrazzo. Het bordes is overhuifd door een overwelfd bakstenen portiek, met muurpijlers en vrijstaande hoekpijlers met lijstkapitelen, onderling verbonden door segmentbogen. Het gewelf is een bakstenen vierdelig kruisribgewelf met natuurstenen geprofileerde ribben. De deurpartij is gevat in een segmentboognis. Het balkon hierboven heeft een bakstenen balustrade, met hoekpijlers welke weer een gewelf van een tweede portiek ondersteunen, uitgevoerd als het portiek eronder.

De topgevel, welke tot in detail is te vergelijken met de verdwenen topgevels van de hoekrisalieten van het schoolhuis is ook na de oorlog in licht versoberde vorm opnieuw opgetrokken bij de herbouw van de kap. De beide hoekdelen ter weerszijden van de risaliet hebben in alle verdiepingen twee segmentboogvensters van het hierboven beschreven type. De lisenen op de hoeken zijn boven verbonden door een schijnboogfries.

De linker zijgevel van het 'Herrenhaus' heeft een asymmetrische indeling. De detaillering van de voorgevel is hier doorgezet. Een opmerkelijk element vormen de twee spitsboogvensters op de eerste en tweede verdieping geheel links. Deze vensters bevatten glas-in-lood ramen, welke afkomstig zijn van de voor de nieuwbouw van Franssen gesloopte linker zijgevel van het schoolhuis van Jaspers: op de begane grond met voorstelling van de Heilige Geest, voorgesteld als een duif, omgeven door florale motieven en op de verdieping een voorstelling van een gevleugelde Engel omgeven door bloemmotieven met op een banderol onder in het raam de tekst: 'LAUDATE DOMINUM OMNES GENTES LAUDATE EUM OMNES POPULI'.

De KAPEL heeft een eenbeukig schip van vijf traveeën en een smaller en lager koor met 5/8 sluiting. Het koor wordt geflankeerd door nevenruimten met verdieping en plat dak. De kapel bezit steunberen met op de versnijdingen hardstenen afzaten en spitsboogvensters met driedelig traceerwerk met in de toppen - alternerend - traceringen in flamboyante vormen: klimmende en dalende visblazen. De eerste travee van het schip diende als orgeltravee met tribune, aan de buitenzijde afleesbaar in de architectuur door de aanwezigheid van twee vensters boven elkaar. Onder bevindt zich een segmentboogvenster met traceringen en boven een spitsboogvenster met dezelfde traceringen als de hoge schipvensters van de daaropvolgende traveeën. De kapel is verder uitgevoerd in baksteen in kruisverband, waarbij voor de vensterdagkanten van de spitsboogvensters gebruik is gemaakt van rode verblendsteen en verder hardstenen waterlijsten en bakstenen sierlijsten onder de dakvoet (muizetanden en schijnboogfriezen). Onder de kapelruimte bevinden zich nog twee bouwlagen (een souterrain met getoogde vensters met 4-ruits stolpramen en een lokalenverdieping met grote, brede segmentboogvensters (thans met moderne ramen), waardoor de kapel een zeer rijzige indruk maakt. Aan de oostzijde van de kapel bevindt zich het gangengedeelte met souterrain (weer met dezelfde getoogde vensters). Dit deel heeft een bakstenen gevel geleed door lisenen en sierlijsten onder de daklijst met in de bouwlaag boven het souterrain lancetvensters met driepasboog in de spitse venstertoppen en in de gang daarboven natuurstenen bolkozijnen met natuurstenen lateien en ontlastingsbogen; de lancetvensters hebben glas-in-lood.

De uitbouw tegen de westzijde van het koor (met de oorspronkelijke sacristie) springt ten opzichte van de steunberen van het schip naar voren. De uitbouw heeft hoeklisenen, welke bovenin door rondboogfriezen verbonden zijn. De zijgevels zijn blind. De voorgevel heeft zowel in de souter- rainverdieping als in de twee verdiepingen daarboven twee segmentboogvensters (in souterrain 4-ruits stolpramen, in eerste verdieping 6-ruits stolpramen met 2-ruits bovenlichten met gemetselde boogtrommels en in de tweede verdieping getoogde 6-ruits stolpramen). De vensters bovenin hebben weer dagkanten in rode verblendsteen.

Het eenbeukige schip is overwelfd met een in beton uitgevoerd netgewelf van een laatgotisch Nederrijns type (de gordelbogen lopen ononderbroken door, waardoor de traveescheiding zichtbaar blijft): in feite een mengvorm van een stergewelf en een netgewelf. Per travee vormen de ribben van het gewelf in grondvorm dan ook een zespuntige ster. De gewelfribben worden bij de wanden opgevangen door fraai vormgegeven bladkapitelen. (Oorspronkelijk bevonden zich onder deze kapitelen nog een schalk die eindigde in een gotisch baldakijn, waaronder zich een beeld bevond op een bladconsole.) De kapitelen zijn geplaatst tegen vlakke muurpilasters met biljoenen. De vloer bestaat uit mozaïektegels; de plint is uitgevoerd in gepolijste hardstenen zwarte tegels. Van de orgelgalerij is alleen nog de zware moerbalk op forse sleutelstukachtige consoles met ojiefprofielen bewaard gebleven (de balklaag met vloerdelen van het balkon en de balustrade zijn recent geheel verwijderd en verdwenen).

Het koor is aanmerkelijk smaller dan het schip en staat door middel van een spitsboogvormige triomfboog over de volle hoogte van het koor in verbinding met het schip (ter weerszijden van de triomfboog stonden in het schip tegen de wand de zijaltaren). Het koor is overwelfd met een straalgewelf (gemetseld in drijfsteen), waaraan twee extra diagonaalribben zijn toegevoegd, die vanuit de hoeken van de sluiting doorlopen tot aan de top van de triomfboog. De ribben doorkruisen de vanuit de hoeken met de triomfboog komende diagonaalribben (mengvorm van een normaal straalgewelf en netgewelf). De ribben rusten op tegen pilasters geplaatste schalken met hardstenen polygonale basementen en rijk uitgevoerde bladkapitelen. Op de gewelfvelden zijn sporen zichtbaar van polychromie. In een van de sluitingsvakken bevindt zich een spitsboogvormige liturgische nis. De thans gepleisterde wanden in het koor vertonen nog vaag restanten van schilderingen (tapijtschilderingen en verder Engelenfiguren met bladwerk in het sluitingsvak, ook zichtbaar op een oude ansichtkaart). Evenals in het schip een mozaiektegelvloer met tegels in verschillende kleuren, gelegd in ruitpatronen met daarin weer verschillende motieven. In de beide rechte zijwanden van het koor is een segmentboogdoorgang opgenomen naar de nevenruimten (sacristie aan westzijde en schatkameraan oostzijde). De openingen bezitten rijk geprofileerde blank houten kozijnen met kraal- en ojiefprofielen en een profiel in de vorm van een gotische waterlijst met waterkering. De blankhouten deuren zijn versierd met neogotische briefpanelen. Ook de biechtstoeldeuren en de dubbele deuren in de zuidgevel van het schip hebben briefpanelen en dezelfde kozijnen.

In schip en koor bevindt zich een cyclus gebrandschilderde glas-in-lood ramen, afkomstig uit het atelier van W. Derix te Kevelaer; gesigneerd op het Stephanusraam in de westgevel van het schip: 'Papstliche Hofglasmalerei W. Derix Goch u. Kevelaer'. De stijl van de ramen is deels neogotisch (met name in het schip) en deels neorenaissancistisch. De schipvensters bezitten per raam een groot weergegeven voorstelling van een mannelijke of een vrouwelijke heilige, met daaronder tekstbanden. Het traceerwerk verdeelt de ramen in drie lancetstroken. In deze ramen, daterend uit 1909-1910 (gerestaureerd in 1949-1952 door de firma Flos uit Steyl), bevindt de voorstelling van de heilige zich in het middelste lancet, de buitenste lancetten zijn gevuld met grotendeels blank glas met ornamentale gekleurde randen, soms met een paneel met een engel. De koorpartij heeft in de beide rechte koorgevels een raam met voorstellingen verspreid over zes panelen (heiligenleven). Van beide ramen zijn de zes voorstellingen ouder dan de overige ramen. Het raam in de noordgevel is op het paneel links onder gesigneerd: 'W. Derix, 1895'. Waarschijnlijk zijn deze panelen afkomstig van de eerste kapel en hier hergebruikt in een nieuwe setting. De andere panelen van deze twee vensters zijn louter van ornament voorzien. De drie rijkst uitgevoerde vensters in de koorsluiting bezitten figuratieve voorstellingen over het gehele raamoppervlak, die de speciale verering van Maria in dit klooster uitdrukken (scene met Aanbidding van het Kind door de Herders, in de centrale travee de Kroning van Maria, koningin van de Hemel en rechts daarvan een weergave van de Heilige Familie).

De kloostergang naast de lokalenverdieping onder de kapel bezit met gepleisterde graatgewelven overkluisde traveeën. De gewelven zijn van elkaar gescheiden door spitsboogvormige brede gepleisterde gordelbogen, die rusten op gepleisterde muurpijlers met vellingkantprofielen en gestucte lijstkapitelen. Het fries van deze lijstkapitelen is aan de dagzijde gedecoreerd met in stuc uitgevoerd bladwerk in vrij vlak reliëf.

Het ZUSTERHUIS met voormalige keukens sluit haaks aan op de koorsluiting van de kapel. Dit langwerpige rechthoekige bouwblok heeft een opbouw bestaande uit een souterrainverdieping en twee hoge verdiepingen met een omlopend afgeplat schilddak. De hoofdvormen van de voorbouw keren hier terug, maar het Zusterhuis is soberder vormgegeven.

De westelijke zijgevel heeft een symmetrische indeling met een smalle middenrisaliet, verhoogd met een dakhuis met een tuitvormige topgevel. De beide vlakken ter weerszijden van de middenrisaliet hebben op de hoeken bakstenen lisenen, onder de daklijst onderling verbonden door een dubbele muizetandlijst en een schijnboogfries (zonder ver naar beneden doorgetrokken stijlen). Alle vensters (met uitzondering van het venster in het dakhuis) sluiten af met een segmentboog. De lage souterrainvensters bezitten getoogde, verdiept geplaatste 4-ruits stolpramen. De hoge vensters van de twee verdiepingen daarboven bezit- ten 6-ruits stolpramen met 2-ruits bovenlichten. In tegenstelling tot de ramen in de vensters van de voorbouwen zijn de bovenlichten niet getoogd uitgevoerd, maar bevindt zich boven de bovendorpel van het raam nog een boogtrommel met siermetselwerk. Het venster in het dakhuis heeft een afsluiting in de vorm van een rondboog met siermetselwerk in de boogtrommel. Het raam bestaat uit een 4-ruits stolpraam met 2-ruits bovenlicht. Onder de ramen van de middenrisaliet bevindt zich telkens een vlak balkon op ijzeren beugels met sobere hekwerken. Deze ramen werden gebruikt voor het naar binnen takelen van materialen via een hijsbalk opgehangen in het dakhuis. Hardstenen waterlijsten (niet doorgetrokken over de lisenen) geven de scheidingen tussen de verdiepingen aan.

De brede noordgevel lijkt op het eerste oog ook symmetrisch van indeling maar is dit niet. Ongeveer in het midden bevindt zich weer een smalle licht risalerende partij met dakhuis met topgevel. Het gevelgedeelte links daarvan telt vier traveeen terwijl het gevelgedeelte rechts van de risaliet slechts drie traveeen breed is. De traveeen zijn van elkaar gescheiden door lisenen. De uitvoering van de gevel is verder gelijk aan die van de zijgevels met dezelfde lijsten, vensters en ramen. Achter de middenrisaliet bevindt zich het trappenhuis, aan de buitenzijde afleesbaar doordat de vensters zich hier halverwege de verdiepingen bevinden. In het souterrain van deze risaliet leidt een trap naar beneden naar een paneeldeur met 4-ruits bovenlicht. In de topgevel bevindt zich een klein spitsboogvenster met gemetselde boogtrommel en 4-ruits stolpraam.

De oostelijke zijgevel heeft dezelfde indeling als de rechter zijgevel met middenrisaliet met hijsbalk. De beide delen ter weerszijden van de risaliet zijn echter met uitzondering van het souterrain blind uitgevoerd. De deuropening met trap links in de eerste verdieping is een latere toevoeging.

Van de zuidgevel zijn vier traveeën zichtbaar; tegen de overige traveeën sluiten de gang en de koorsluiting van de kapel aan. De vier traveeën zijn weer geleed door lisenen en hebben dezelfde vensters als in de andere gevels.

De met leien gedekte kap van het Zusterhuis is boven elke gevel voorzien van een reeks dakkapellen met schilddakjes en 4-ruits stolpramen. Het aantal dakkapellen correspondeert met het aantal traveen van de gevels.

Het Zusterhuis heeft in het verlengde van de kloostergang een centraal trappenhuis met een op dezelfde wijze als in het verbindingslid uitgevoerde trap. De smeedijzeren trapbalustrade is echter qua vormgeving minder gotisch en al meer gestileerde Jugendstil. Dwarsgangen sluiten aan weerszijden aan op dit trappenhuis, dat geheel onderin nog een tegelvloer bezit.

WAARDERING

Het klooster neemt binnen het oeuvre van C. Franssen een bijzondere plaats in vanwege de gekozen voorbeelden (veelal elementen uit de Nederrijnse laat gotiek) en de aanpassing op het sterk onder invloed van de Duitse architectuur tot stand gekomen, thans helaas zeer incomplete gedeelte van Th. Jaspers. Franssen is hoofdzakelijk bekend geworden als architect van een veertigtal goed vormgegeven en veelal kwalitatief hoogwaardige neogotische dorpskerken in Brabant, Limburg en zuid-oost Gelderland.

Het complex is van cultuurhistorische waarde vanwege de grote betekenis van het klooster voor de sociaaleconomische en geestelijke geschiedenis van de regio. Als een zogeheten 'Kulturkampf- klooster' is het kloostercomplex Maria Roepaan een exponent van een internationale politiek-historische ontwikkeling in het laatste kwart van de negentiende eeuw.

De nog gaaf bewaard gebleven delen van met name het exterieur gebouwd door architect Franssen en ondermeer het interieur van de kapel, de kloostergang en de trappenhuizen zijn van architectuurhistorisch belang. De kunsthistorische waarde van de cyclus gebrandschilderde glas-in-lood ramen in de kapel is groot. Voor de geschiedenis van de bouwtechniek is het betonnen gewelf van de kapel van belang.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

INTRODUCTION

Former convent complex ('Kulturkampf convent') of the Sisters of Divine Providence at Munster, consisting of a remnant of the first front building (so-called SCHOOLHOUSE from 1897-1899, eclectic design by Th. Jaspers of Goch), a connecting section with stairwell, a second front building ('Herrenhaus') with main entrance, cloister walks, single-aisle chapel in Neogothic style (late Gothic Lower Rhine influences) with beneath it a former schoolbuilding and rear building (so-called Sisters' House) built in 1908-1909 according to design by C. Franssen (1860-1932). The chapel possesses a complete cycle of stained glass windows from the studio of W. Derix of Goch (1895 and 1909-1910).

The striking, towering late 19th- and early 20th-century convent complex is situated east of the village of Ottersum on a hillside in the flood plain of the Niers on the right bank, along the through road to Germany. The massive contours of the complex determine the appearance in the wide surroundings. The facade of the complex facing the street is oriented to the south and overlooks the flood plain of the Niers. The current convent complex was built in two phases (1897-1899 and 1908-1909), but the history of the place and part of its name ('Roepaan') go back further.

According to old maps and old images, the inn/farmstead Roepaan had developed since the late 18th century into a substantial T-shaped farm. In 1881 the property was offered by the Van de Loo family to the Sisters of Divine Providence (motherhouse at Munster).

In 1882 the first sisters moved into the complex and the name was appropriately changed to 'Maria Roepaan'. They began with a school for young children, a handicraft school and nursing care. Soon orphan girls were also housed in the complex. A boarding school was established, in which girls were trained in housekeeping. At the height of the convent's history, in 1917, the complex housed approximately 300 inhabitants. Most of them came from Germany due to the Kulturkampf, as a result of which German was the language used in the convent.

In 1882 they began demolishing the rear building of the farmstead. In its place came a passage with adjoining rooms, such as a kitchen, a refectory and a dining hall for children. A chapel was also established, initially in 'the good room'. The old front building facing the street was adapted in style. In 1887 the large barn east of the farmstead was converted into two classrooms, a handicraft workshop, an ironing room, laundry and other rooms. In 1890 the first stone was laid for the construction of a Lourdes grotto in the garden, for which the shells came from the kiln of Ibbenburen in Westphalia.

An important phase in the construction of the convent began in 1897, when master builder and contractor ('Baumeister und Unternehmer') Theodoor Jaspers of Goch began construction of a large schoolhouse on the Kleefseweg, east of the old farmstead. In the spring of 1899 this building section was completed. In 1898 the cemetery was laid out.

In 1904 there were expansion plans again, for which ultimately in 1908 the Tegels architect Caspar Franssen was hired. Franssen expanded the already impressive front on the Kleefseweg on the west side by means of a connecting section and subsequently a higher four-storey corner block, the 'Herrenhaus'. This created a very monumentally arranged street facade. Against the rear facade of this corner block he had a tall chapel built (consecrated 18 May 1909 by Director Wienken of Munster) with beneath the chapel space still two storeys (a classroom section and basement). On the east side he placed against the side facade of the chapel a barrel-vaulted passage with above it still a lower, flat-roofed passage. This passage provided access to the rooms under the church and the passage above to the adjacent spaces of the chapel. The corner block also received between the front building and the connection of the chapel transverse passages, which converged on the east side at a stairwell, incorporated in the rear building of the connecting section between Franssen's corner building and the older block by Jaspers. These transverse passages with terrazzo floors provided access to the chapel and the spaces in the front building.

The passage next to the chapel also led to a substantial building located on the rear grounds and which partly adjoins the choir closure of the chapel. This substantial three-storey, oblong rectangular building was given the function of kitchen and sisters' accommodation (Sisters' House).

Franssen's front building facing the street is known as the 'Herrenhaus'. This building stands on the site where the old front building of the Roepaan farmstead stood. On a letterhead from the period the old building can still be seen in its renovated state, with the convent buildings from 1882 and the spire of the first chapel behind it. In 1909 the remainder of the convent section with chapel built in 1882-1883 was also demolished. Against the rear facade of the large building (schoolhouse) by Jaspers was attached an oblong two-storey wing (15 window bays deep) with an extension containing entrance and balcony.

Jaspers' building was in its main form comparable to German 18th-century baroque palaces with the in fact un-Dutch high broken roof. The execution with segmental-arch windows, pilasters interconnected by false arch friezes and spout-shaped gables with pointed-arch niches (at the corner risalits stepped pointed-arch niches) and barrel-vaulted porch with segmental-arch openings on brick piers is however Neogothic.

Franssen followed in detail and design the older section by Jaspers and repeated in the Herrenhaus the motif of the risalit with gable, also with stepped pointed-arch niches. Franssen also repeated the barrel-vaulted porch at the entrance from Jaspers' building. In the interior Franssen also followed the design chosen by Jaspers, particularly in the connection of his passage systems to the transverse passages, which crossed the schoolhouse by Jaspers. The passages of the schoolhouse were destroyed by fire in 1945, but old photographs still give an image of its appearance. From this it also becomes clear that Franssen copied the passages with herringbone vaults from Jaspers to create a coherent interior that harmoniously connected with each other. The design of these plastered passages is also not typical for architects of Dutch Neogothic, and certainly not for Franssen (typical were passages with Gothic cross-rib vaults executed in fine work at that time), and should rather be seen as a relic of the German Neogothic-influenced Theodoor Jaspers. Unfortunately, a fine stained glass window in the east facade of the schoolhouse, at the end of the transverse passage of the building, was also lost in the violence of war. This window had, according to an old photograph, a representation of Christ, surrounded by children ('suffer the little children to come unto Me').

Remarkable further is that C. Franssen used Lower Rhine late Gothic for the convent chapel, whereas for his churches he preferentially used early French Gothic as example and source of inspiration. In the chapel we see however flamboyant tracery, a Lower Rhine net vault and, characteristic of late Lower Rhine Gothic, luxuriant leaf capitals, with strongly curling leaves of a type which we know among others from the Stevenskerk in Nijmegen, the Dom of Xanten and the Petruskerk of Kranenburg. Possibly at the request of the patron, who had strong ties with Germany (also evident in contact with German artists such as Jaspers and Derix), he took the Lower Rhine, and thus for this region from time immemorial indigenous (late) Gothic style as example; otherwise these stylistic features, which are actually foreign to Franssen's work, cannot be explained.

After the building activities at Roepaan, directed by C. Franssen, a large, almost square convent complex had arisen. From the inner courtyard, almost entirely surrounded by high buildings, there was on the right a passage to the gardens behind the complex with among other things the Lourdes grotto (now gone) and the cemetery.

The convent suffered severely in the Second World War, with the oldest section by Jaspers being almost entirely destroyed by fire, set by German troops on 2 February 1945. The roof with roof turret on the nave of the chapel also went up in this fire, and besides the roofs of the 'Herrenhaus' and the connecting section. In 1949 the roof of the chapel was first rebuilt (however without roof turret) and restoration of the buildings was also begun. The collapsed vaults of the passages in the schoolhouse were not restored. The destroyed schoolhouse by Jaspers was therefore only very partially retained, with the preserved parts provided with flat roofs and new side facades with entirely new layout inside. The deep two-storey extension behind the schoolhouse also disappeared entirely, as a result of which in fact mainly the parts built by C. Franssen were retained.

The complex served from 1951 to 1974 as accommodation for mentally handicapped children. Temporary vacancy and years of use by squatters contributed to further decay up until the early 1990s.

DESCRIPTION

In floor plan it is now a U-shaped complex, with at the south side on the street the front wing (consisting from west to east of the four-storey high 'Herrenhaus', the three-storey high connecting section and finally the remains of the schoolhouse), perpendicular to this (adjoining the 'Herrenhaus') the chapel wing on the west side with on the east side of the chapel a connecting passage section. At the rear, a transversely placed north wing adjoins the choir of the chapel (which points in the northern direction, the chapel is not oriented) with three storeys, the Sisters' House.

The former SCHOOLHOUSE, a large rectangular brick building, had two storeys and in its front facade a broad central risalit and two narrower corner risalits, furnished with gables. The whole was completed with a high 'broken' roof, a mansard roof in the German manner. In the broad central risalit was the main entrance with a front stair and stone porch with barrel vaulting on piers and depressed pointed arches with a balcony on the upper floor.

The remains are now provided with a flat roof. The left section still has a basement and two storeys; on the right part the upper storey is missing. The rear facade of the remains has windows as in the front facade (with at the segmental arches a segmental-arch shaped brick drip moulding with dentil course). The section that still possesses two main storeys has at the top a false arch frieze. Of the preserved part of the former schoolhouse only the front and rear facades are protected.

Franssen's front building ('Herrenhaus' and connecting section) was adapted down to the smallest details to Jaspers' building, so that at first glance it is not noticeable that there is a difference in construction date between these parts. Franssen indeed used the pilasters with false arch friezes and segmental-arch windows with the same 4-pane sash windows with 2-pane fanlights and brick drip mouldings with dentil courses above the segmental arches. The basements have arched windows with 4-pane sash windows. Furthermore, the use of materials and the horizontal division of the facades by means of ashlar drip mouldings were continued.

The building sections by Franssen ('Herrenhaus', connecting section and Sisters' House) were given a clipped hipped roof. The chapel has a gabled roof on the nave and a lower roof with hips above the closure sides on the choir. The choir roof and the roof of the Sisters' House are now covered with slates, the others with tiles (Tuile du Nord tiles with a flat ridge, originally also slates).

The rear facade of the connecting section of the front building has a completely asymmetrical design. In the basement storey there are again low arched windows with arched 4-pane sash windows. The facade has on the left a corner pilaster and above, beneath the gutter line, a false arch frieze with extended stiles. In this facade pointed-arch shaped stairwell windows with stained glass in a sandstone tracery with trifoil arch at the top. Above are two lower pointed-arch shaped stairwell windows, which in a remarkable way break through the false arch frieze beneath the roof line. These windows have at the top wooden traceings, consisting of a trifoil arch, with closed executed arch spandrels. These fanlights have stained glass.

The stairwell in the connecting section has ashlar steps, terrazzo treads and a fine, richly executed wrought-iron balustrade. The first flight of the stairwell, lit by two pointed-arch windows with coloured non-figurative stained glass, has a barrel vault with rib vaults resting on substantial corbels, decorated with curling oak leaves. These corbels show in their design strong similarities with models used in the Lower Rhine region during the late Middle Ages.

The 'Herrenhaus' is by Franssen clearly executed as an important corner accent and is therefore - excepting the chapel - one storey higher than the other building sections described above. The front facade has a symmetrical design and is monumental in conception with a central risalit with gable. A substantial front stair leads to a landing before the main entrance in the central risalit on the first floor. The floor of the landing is executed in terrazzo. The landing is topped by a barrel-vaulted brick porch, with wall piers and free-standing corner piers with list capitals, interconnected by segmental arches. The vault is a brick four-part cross-rib vault with naturally-stone profiled ribs. The door section is set in a segmental-arch niche. The balcony above has a brick balustrade, with corner piers which again support a vault of a second porch, executed as the porch below.

The gable, which in detail can be compared with the disappeared gables of the corner risalits of the schoolhouse, was also rebuilt after the war in a slightly simplified form during the rebuilding of the roof. The two corner sections on either side of the risalit have in all storeys two segmental-arch windows of the type described above. The pilasters on the corners are above connected by a false arch frieze.

The left side facade of the 'Herrenhaus' has an asymmetrical design. The detailing of the front facade is continued here. A remarkable element is formed by the two pointed-arch windows on the first and second storey at the far left. These windows contain stained glass windows, which come from the left side facade of Jaspers' schoolhouse demolished for Franssen's new construction: on the ground floor with a representation of the Holy Spirit, represented as a dove, surrounded by floral motifs, and on the upper floor a representation of a winged Angel surrounded by flower motifs with on a bandrol below in the window the text: 'LAUDATE DOMINUM OMNES GENTES LAUDATE EUM OMNES POPULI'.

The CHAPEL has a single-aisle nave of five bays and a narrower and lower choir with 5/8 closure. The choir is flanked by adjacent spaces with upper floor and flat roof. The chapel has buttresses with ashlar offsets at the junctions and pointed-arch windows with three-part tracery with in the tops - alternating - traceries in flamboyant forms: climbing and descending fish-bladders. The first bay of the nave served as an organ bay with gallery, readable on the outside in the architecture by the presence of two windows above each other. Below is a segmental-arch window with tracery and above a pointed-arch window with the same tracery as the tall nave windows of the subsequent bays. The chapel is further executed in brick in alternating bond, with red face brick used for the window jambs of the pointed-arch windows and further ashlar drip mouldings and brick decorative bands beneath the eaves (dentils and false arch friezes). Beneath the chapel space are still two storeys (a basement with arched windows with 4-pane sash windows and a classroom floor with large, broad segmental-arch windows (now with modern windows), as a result of which the chapel makes a very towering impression. On the east side of the chapel is the passage section with basement (again with the same arched windows). This section has a brick facade articulated by pilasters and decorative bands beneath the roof line with in the storey above the basement lancet windows with trifoil arch in the pointed window tops and in the passage above naturally-stone round-arch windows with ashlar lintels and relieving arches; the lancet windows have stained glass.

The extension against the west side of the choir (with the original sacristy) projects forward relative to the buttresses of the nave. The extension has corner pilasters, which at the top are connected by round-arch friezes. The side facades are blind. The front facade has both in the basement storey and in the two storeys above it two segmental-arch windows (in basement 4-pane sash windows, in first storey 6-pane sash windows with 2-pane fanlights with masonry arch soffits and on the second storey arched 6-pane sash windows). The windows above have again jambs in red face brick.

The single-aisle nave is barrel-vaulted with a net vault executed in concrete of a late Gothic Lower Rhine type (the ribs run uninterrupted through, as a result of which the bay division remains visible): in fact a hybrid form of a stellar vault and a net vault. Per bay the ribs of the vault form in plan thus a six-pointed star. The vault ribs are taken up at the walls by beautifully designed leaf capitals. (Originally beneath these capitals there were still a corbel ending in a Gothic baldachin, beneath which was a figure on a leaf console.) The capitals are placed against flat wall pilasters with billeted shafts. The floor consists of mosaic tiles; the plinth is executed in polished ashlar black tiles. Of the organ gallery only the heavy main beam on substantial keystone-like consoles with ogee profiles has been preserved (the beam layer with floor elements of the balcony and the balustrade have recently been entirely removed and disappeared).

The choir is considerably narrower than the nave and is connected by means of a pointed-arch shaped triumphal arch across the full height of the choir to the nave (on either side of the triumphal arch stood side altars against the wall in the nave). The choir is barrel-vaulted with a radial vault (masoned in ashlar), to which two extra diagonal ribs have been added, which run from the corners of the closure to the top of the triumphal arch. The ribs cross the diagonal ribs coming from the corners with the triumphal arch (hybrid form of a normal radial vault and net vault). The ribs rest on corbels placed against pilasters with ashlar polygonal bases and richly executed leaf capitals. On the vault surfaces traces of polychrome are visible. In one of the closure sections is a pointed-arch shaped liturgical niche. The now plastered walls in the choir show faint remnants of paintings (tapestry paintings and further Angel figures with foliage in the closure section, also visible on an old postcard). As in the nave a mosaic tile floor with tiles in different colours, laid in diamond patterns with different motifs within. In both straight side walls of the choir is a segmental-arch passage incorporated to the adjacent spaces (sacristy on west side and treasury on east side). The openings have richly profiled blank wooden frames with bead and ogee profiles and a profile in the form of a Gothic drip moulding with water guard. The blank wooden doors are decorated with Neogothic fielded panels. The confession box doors and the double doors in the south facade of the nave also have fielded panels and the same frames.

In nave and choir is a cycle of stained glass windows, originating from the studio of W. Derix of Kevelaer; signed on the Stephen window in the west facade of the nave: 'Papstliche Hofglasmalerei W. Derix Goch u. Kevelaer'. The style of the windows is partly Neogothic (particularly in the nave) and partly Neo-Renaissance. The nave windows each contain a large depiction of a male or female saint, with text bands below. The tracery divides the windows into three lancet strips. In these windows, dating from 1909-1910 (restored in 1949-1952 by the firm Flos from Steyl), the depiction of the saint is in the middle lancet, the outer lancets are filled with mostly blank glass with ornamental coloured borders, sometimes with a panel with an angel. The choir section has in both straight choir facades a window with depictions spread over six panels (saint's life). The six depictions of both windows are older than the other windows. The window in the north facade is signed on the panel lower left: 'W. Derix, 1895'. Probably these panels come from the first chapel and have been reused here in a new setting. The other panels of these two windows are purely ornamental. The three most elaborately executed windows in the choir closure have figurative depictions over the entire window surface, which express the special veneration of Mary in this convent (scene with the Adoration of the Child by the Shepherds, in the central bay the Crowning of Mary, Queen of Heaven, and to the right thereof a depiction of the Holy Family).

The cloister passage next to the classroom floor beneath the chapel has barrel-vaulted herringbone-vaulted bays divided from each other. The vaults are separated from each other by pointed-arch shaped broad plastered ribs, which rest on plastered wall piers with bevelled-edge profiles and stuccoed list capitals. The frieze of these list capitals is decorated on the exterior side with foliage executed in stucco in fairly flat relief.

The SISTERS' HOUSE with former kitchens adjoins at right angles to the choir closure of the chapel. This oblong rectangular building block has a structure consisting of a basement storey and two tall storeys with a surrounding clipped hipped roof. The main forms of the front building return here, but the Sisters' House is given a more austere design.

The western side facade has a symmetrical design with a narrow central risalit, raised with a roof dormer with a spout-shaped gable. The two sections on either side of the central risalit have at the corners brick pilasters, beneath the roof line interconnected by a double dentil course and a false arch frieze (without stiles extending far downward). All windows (with the exception of the window in the roof dormer) are finished with a segmental arch. The low basement windows have arched, set-back 4-pane sash windows. The tall windows of the two storeys above have 6-pane sash windows with 2-pane fanlights. In contrast to the windows in the windows of the front buildings, the fanlights are not arched executed, but above the upper sill of the window is still an arch soffit with decorative masonry. The window in the roof dormer has a finish in the form of a round arch with decorative masonry in the arch soffit. The window consists of a 4-pane sash window with 2-pane fanlight. Below the windows of the central risalit is each time a flat balcony on iron brackets with austere railings. These windows were used for hauling materials inward via a hoist suspended from a beam in the roof dormer. Ashlar drip mouldings (not extended over the pilasters) indicate the divisions between the storeys.

The broad north facade at first glance also appears symmetrical in design but is not. Approximately in the middle is again a narrow slightly projecting section with roof dormer with gable. The facade section to the left of it has four bays while the facade section to the right of the risalit is only three bays wide. The bays are separated from each other by pilasters. The execution of the facade is otherwise the same as that of the side facades with the same bands, windows and windows. Behind the central risalit is the stairwell, readable on the exterior by the fact that the windows here are located midway through the storeys. In the basement of this risalit a stair leads down to a panel door with 4-pane fanlight. In the gable is a small pointed-arch window with masonry arch soffit and 4-pane sash window.

The eastern side facade has the same design as the right side facade with central risalit with hoist beam. The two sections on either side of the risalit are however, with the exception of the basement, executed as blind. The door opening with stair to the left on the first storey is a later addition.

Of the south facade four bays are visible; against the remaining bays adjoin the passage and the choir closure of the chapel. The four bays are again articulated by pilasters and have the same windows as in the other facades.

The slate-covered roof of the Sisters' House is above each facade furnished with a series of roof dormers with hipped roofs and 4-pane sash windows. The number of roof dormers corresponds to the number of bays of the facades.

The Sisters' House has in the extension of the cloister passage a central stairwell with a stair executed in the same manner as in the connecting section. However, the wrought-iron stair balustrade is in design less Gothic and already more stylized Art Nouveau. Transverse passages connect on either side to this stairwell, which has at the very bottom still a tile floor.

VALUATION

The convent occupies a special place within the oeuvre of C. Franssen because of the chosen examples (mainly elements from Lower Rhine late Gothic) and the adaptation to the section created under strong influence of German architecture by Th. Jaspers, which is now unfortunately very incomplete. Franssen became primarily known as architect of some forty well-designed and mostly qualitatively high-quality Neogothic village churches in Brabant, Limburg and south-east Gelderland.

The complex is of cultural-historical value because of the great significance of the convent for the socio-economic and spiritual history of the region. As a so-called 'Kulturkampf convent', the convent complex Maria Roepaan is an exponent of an international political-historical development in the last quarter of the nineteenth century.

The still well-preserved sections of in particular the exterior built by architect Franssen and among others the interior of the chapel, the cloister passage and the staircases are of architectural-historical importance. The art-historical value of the cycle of stained glass windows in the chapel is great. For the history of building technology the concrete vault of the chapel is of significance.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map