TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Historische aanleg, Weldammerlaan bij 5

Markelo, Overijssel, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Tuin, park en plantsoen
Function
Historische aanleg
Category
onroerend gebouwd
Address
Weldammerlaan bij 5, 7475 MJ Markelo (Hof van Twente 23)
Place
Markelo
Municipality
Hof van Twente
Province
Overijssel
Country
Netherlands
Coordinates
52.21635, 6.58226
Part of complex
480167
Monument number
480652

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries

5 historical maps cover this location, the earliest the 1636 map "Ditio Trans Isulana." (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

HISTORISCHE TUIN- EN PARKAANLEG. Over de oudste geschiedenis van de aanleg van Kasteel Weldam is niets bekend. Vermoedelijk is het huis, waarvan de eerste vermelding uit 1389 dateert, vanouds van een omgrachting voorzien. Een deel van de huidige tuin- en parkaanleg gaat waarschijnlijk terug tot de periode omstreeks 1645 tot 1700, toen het huis ingrijpend in classicistische trant werd verbouwd en toen de twee bouwhuizen werden opgetrokken. In de laatste kwart van de 17de eeuw tijd werd het rechthoekige aan de zuidzijde door een monumentale hekpartij afgesloten voorplein aangelegd, met de korte op de as van het huis gelegen oprijlaan (aan weerszijden thans met enkele kastanjes, laatste kwart 20ste eeuw, voorzien) en de toegangsbrug over de buitengracht. Verondersteld kan worden, dat toen of in de tweede of derde kwart van de 17de eeuw ook de binnengracht werd rechtgetrokken en de rechthoekige buitengracht werd gegraven en dat de dwarsas (aan weerszijden met zomereiken beplant, thans 18de-, 19de- en 20ste-eeuws), de huidige Weldammerlaan, (deels) werd aangelegd. Wellicht dateren de op de hoofdas gelegen spiegelboogvormige uitstulpingen van de buitengracht aan de noordzijde en van de Weldammerlaan aan de zuidzijde ook uit de 17de eeuw. De situatie van de nog bestaande rechthoekige binnen- en buitengracht met het centraal op de hoofdas van de aanleg gelegen huis en het classicistisch ensemble van huis, voorplein, bouwhuizen en oprijlaan, en de haaks op de hoofdas gelegen dwarsas en de spiegelboogvormige uitstulpingen vertegenwoordigen namelijk de stilistische motieven van Hollands- classicistische tuinarchitectuur, die in de genoemde periode in de mode was.

Deze bepalende nog bestaande Hollands-classicistische structuur van Weldam staat voor het eerst weergegeven op de Topografische Kaart van de Atlas Hottinger uit ca. 1787, de oudste topografische bron, waarop een aanleg van Weldam is te zien. De kaart geeft verder de structuur van de huidige binnentuin weer, waarvan kan worden aangenomen, dat deze is aangelegd bij het rechttrekken van de binnengracht en het graven van de buitengracht.

Op deze kaart staat ook het rechte tracé van de Diepenheimseweg aangegeven, alsmede een rechthoekig omgrachte plaats ten westen van de Diepenheimseweg, ongeveer ter hoogte van de westgevel van het huis. Deze nog bestaande plaats, waarop een timmerwerkplaats met vier houtloodsen zijn gesitueerd (houtloodsen zijn voor de bescherming van ondergeschikte betekenis), wordt aan de oostzijde door een driedubbele gracht aan de voorzijde en rechte oprijlaan voorafgegaan. Deze grachten- aanleg, die deels al te zien is op het ontwerp van Hugo Poortman voor het Weldammer Achtervelt, kwam gereed bij zijn ontwerp voor het aangrenzende parkgedeelte rondom de Kapel. Waarvoor de oorspronkelijke aanleg van de omgrachte plaats dienst heeft gedaan is niet bekend. Alhoewel deze aanleg even ten oosten van een aan weerszijden door een wal geflankeerde Molenbeek is gesitueerd, lijkt zij niet met enige vorm van molenindustrie in verband te hebben gestaan gezien de afwezigheid van verval ter plekke. Wellicht diende de aanleg voor de exploitatie van een blekerij of katoenververij (de Molenbeek werd in ieder geval reeds in de 17de eeuw voor vrachtverkeer gebruikt, zie G.J. Schutte, Varen waar geen water is, 1981, p. 35).

Voorts geeft de Hottinger-kaart ten zuiden van de Weldammerlaan een door via enkele flauwe hoeken verlopende rechte laan (de huidige deels met klinkers bestrate Poortweg, thans aan weerszijden van een deels enkele en dubbele rij beuken, linden, eiken, Amerikaanse eiken, 19de- en 20ste-eeuws, en Prins Mauritslaan, thans aan weerszijden met een enkele rij eiken en beuken, 19de- en 20ste-eeuws) omsloten terrein met afwisselend onregelmatig gevormde percelen bouw- en weilanden en bos. Mogelijk is deze onregelmatige percelering aan geografische en andere hoedanigheden toe te schrijven, die voorafgaan aan de tijd van enige architectonische vormgeving van het landschap; wellicht is er in deze tijd reeds (deels) sprake van een aanleg in landschapsstijl.

Op de Topografische en Militaire kaart uit 1849 is een vergelijkbare afwisseling van agrarische- en bos-percelen ook aan de noodzijde van de Weldammerlaan waarneembaar. Wellicht ook is bij de aanleg van dit gebied een tuinarchitect betrokken geweest.

In 1878 stelde de tuinarchitect C.E.A. Petzold (1815-1891) een ontwerp samen, dat betrekking had op de reeds genoemde terreinen ten noorden en ten zuiden van de Weldammerlaan, die het buitenpark van de buitenplaats vormen. In tegenstelling tot Petzold's ontwerp voor het omgrachte tuingedeelte (Huisarchief Weldam), dat waarschijnlijk nooit is uitgevoerd of dat slechts een kort bestaan was beschoren, is het ontwerp voor het omliggende gebied deels wel gerealiseerd, zo leert een onderlinge vergelijking van Petzold's ontwerp (coll. H. van der Wijck, Doorn) en de Topografische en Militaire kaarten uit 1849 en uit de jaren 1878-1881, 1885-1886.

Bij de aanleg van het terrein ten noorden en ten zuiden van de Weldammerlaan is Petzold uitgegaan van de reeds bestaande percelering, het verloop van lanen en waterlopen en van bos-zones, hetgeen een werkwijze is, die typerend voor hem genoemd kan worden. Ten zuiden van de Weldammerlaan legde hij een wijdmazig patroon van slingerpaden aan, die aan de NO-zijde een bospartij (thans gemengd loof- en naaldhout) doorsnijden, die in ruime curven door en rondom een grote agrarisch benutte weide in landschapsstijl en door boszones voert en die ter hoogte van de moestuin overgaat in de Prins Mauritslaan. Waarschijnlijk moeten deze slingerpaden alsmede de Poortweg en de Prins Mauritslaan als een 'Umfahrungsweg' of rondweg geinterpreteerd worden. Dit is een regelmatig terugkerend motief in de architectuur van Petzold's ontwerpen, dat de wandelaar een kabinet van afwisselende en liefelijke gezichten beoogt voor te schotelen. Eveneens typerend voor de ontwerpen van Petzold is de aanwezigheid van boomgroepen (thans eiken en beuken), solitairen (eiken, linden en beuken) en boszones (gemengd loofhout en naaldhout), die de dieptewerking van de gezichten vergroten en die de gezichten varieren. Dit thans uit weiden en bossen bestaande deel van de aanleg ten zuiden van de Weldammerlaan staat bekend onder de toponiemen Koeweide (noorden), Ripperdaweide (centraal), Ripperdabos (centraal) en Weldammerbos (centraal en NO-zijde).

Petzold ontwierp eveneens de aan de NW-zijde gelegen moestuin met rechthoekige grondslag en een afgeschuinde zijde, zoals het ontwerp laat zien. Wellicht is hij tevens de architect van de oranjerie en van de moestuinmuur geweest. Het is ook mogelijk, dat deze door de Engelse architect Samuel Weatherly zijn ontworpen. Aan de noordzijde van de Weldammerlaan heeft Petzold meer structuur aangebracht in het vrij omvangrijke gebied met bouw- en weilanden en bossen. Eenvergelijking van zijn ontwerp met de genoemde Topografische en Militaire kaarten laat zien, dat hij reeds bestaande boszones (gemengd loofhout en naaldhout, hulst, taxus en rhododendrons) ten noorden en noordoosten (toponiemen: Bruil's verdriet (noordoosten) en Weldammerbos (oosten) van het kasteel uitbreidde, zodat ze als coulissen voor een gezicht vanuit het kasteel op het erachter gelegen grote complex van wei- en bouwlanden dienst konden doen (thans dichtgegroeid). Petzold projecteerde voorts een rondweg door dit complex, ter afbakening en geleding van de hier gelegen nogal 'oeverloze' ruimte. Deze rondweg is nooit gerealiseerd. Ook de door een onregelmatige zoom omgeven weide in landschapsstijl ten westen van het kasteel, die vanaf de oprijlaan een ruim gezicht in noordelijke richting biedt (de oorspronkelijk in het weiland gelegen boerderij is al geruime tijd afgebroken), is waarschijnlijk nooit uitgevoerd op de grillige wijze die het ontwerp van Petzold voorstelt.

Petzold verzorgde vermoedelijk wel de aanleg met lanen en boszones met rhododendronpartijen, taxus en vijverpartij (thans droogstaand) in landschapsstijl bij de ten noorden van het kasteel gelegen boerderij 'Bruil' (kadastraal perceel Markelo C7 nr. 3393), zo deze aanleg niet deels van oudere datum is. Ook plantte hij wellicht de verschillende solitairen en boomgroepen, ter verfraaiing en geleding van de gezichten in open gebieden (iep, zomereik, moeraseik, esdoorn, linde, fijnspar, rode en bruine beuk). Weide en bospartijen in het deel van het buitenpark ten noorden van de Weldammerlaan staan bekend onder de toponiemen de Braak (westen), Bruil's verdriet (noordoosten), Weldammerbos (oosten) en Sporksweide (oosten).

(vervolg parkomschrijving) Aan het eind van de jaren '70 van de 19de eeuw, toen ook het huis na een lange tijd van verwaarlozing werd gerestaureerd en vergroot, werd een begin gemaakt met de heraanleg en vergroting van de binnentuin.

De nieuwe eigenaresse Maria Cornelia barones van Heeckeren van Wassenaeren haar echtgenoot Willem Carel Philip Otto graaf van Aldenburg Bentinck en Waldeck-Limpurg laten vanaf 31 december 1877 tot in 1878 een aantal werkzaamheden verrichten met betrekking tot de "nieuwe tuin tegenover het huis". Waarschijnlijk hebben deze werkzaamheden betrekking op de op de as van het huis aan de noordzijde van de binnentuin grenzende omgrachte langwerpig rechthoekige in een spiegelboog eindigende aanleg. Hoe in deze periode deze aanleg werd ingevuld en welke veranderingen de binnentuin wellicht hebben ondergaan is niet bekend.

De huidige aanleg van de door de buitengracht omsloten binnentuin dateert uit de periode 1885-1910 en is naar plannen van de Franse tuinarchitect Edouard Andre (1840-1911) en diens 'chef de bureau', de Hollandse tuinarchitect Hugo Poortman (1858-1953), tot stand gekomen (Huisarchief Weldam). Bij de realisering van deze plannen bleven nog steeds bestaande solitairen, die tot de hieraan voorafgaande aanleg behoren, zoals Hollandse linden, kruislinden, bruine beuk, treures, zomereik en moerascypres, bewaard. Als uitgangspunt voor zijn ontwerpen nam Andre de 17de-eeuwse Franse classicistische tuinkunst. Aangezien in deze tijd werd aangenomen, dat de Hollandse classicistische tuinkunst Frans in origine was, kan verondersteld worden dat aan de ontwerpen van Andre en Poortman een restauratie-gedachte ten grondslag lag. Of er enige vorm van overleg is geweest tussen de 'restauratie'-architect van het huis en Poortman of Andre is niet bekend.

De bijna geheel bewaarde aanleg van de binnentuin, die de belangrijkste in zijn soort in Nederland is, vormt een der eerste in neo-formele stijl aangelegde tuinen in Nederland en is als inspiratiebron voor de neo-formele tuinkunst in Nederland van grote waarde geweest. De aanleg is opgebouwd uit een berceau (westgrens), twee aan weerszijden van de oprijlaan gesitueerde verdiepte rechthoekige parterres met in hun centrum een ronde kom met uitgeschulpte rand (zuidoost- en zuidwestzijde; de oorspronkelijke invulling met broderien is niet meer aanwezig), een 'Grand parterre' met broderien in buxus (westzijde), een doolhof van thuja-heggen (NW-zijde; in 1885 werden 1100 thuja-heggen aangekocht), een neo-formele rozentuin (NO-zijde) en verscheidene ornamentele bloemborders. De compartimenten, waarbinnen deze parterres en borders van een grote verfijning en sierlijkheid in afwerking getuigen, zijn elk een aanleg op zichzelf en vormen door hun onderlinge plaatsing een uitgewogen geheel.

Poortman, die op Weldam vanaf 1887 als particulier secretaris van Graaf van Aldenburg Bentinck werd aangesteld, ontwierp in ca. 1900 de halvemaanvormige parterre in buxus ten noorden en de in buxus uitgezette naam MARY (naar de eigenaresse van het huis) ten oosten van het huis.

Oorspronkelijk had Andre door middel van diverse gezichten vanuit de formele binnentuin in het buiten de gracht gelegen park in landschapsstijl een visuele relatie tussen binnentuin en buitenpark geschapen. Deze werkwijze noemde hij 'style mixte'. Poortman zette naderhand verscheidene zichtassen weer dicht, waardoor deze visuele relatie nu is verminderd. Vanuit de binnentuin zijn gezichten in oostelijke, noordoostelijke en noordwestelijke richting in het buitenpark bewaard gebleven. In het laatste decennium van de 19de eeuw maakte Poortman een ontwerp voor een aanleg op het zogenaamde Weldammer Achtervelt, die aan de westzijde van de Diepenheimse weg is gelegen (Huisarchief Weldam). Deze nog steeds bestaande aanleg bestaat uit een grote, temidden van een parkbos (gemengd loof- en naaldhout) gelegen, vijverpartij in landschapsstijl met eilandje, dat door een slingerpad wordt omgeven en in tweeën wordt gedeeld. Rond 1900 ontwierp Poortman voorts een kleine parkaanleg in landschapsstijl rond de aan de ZO- zijde van het Weldammer Achtervelt grenzende huiskapel (Huisarchief Weldam). De inrichting omvat een in curven slingerend toegangspad naar de door de architect Samuel Weatherly ontworpen kapel en verschillende beplantingspartijen met onder andere loof- en naaldbomen, coniferen, rhododendrons en gazon. Aan de ZW-zijde van de kapel is eveneens ruimte gegeven aan een drietal graven.

Voorts maakte H. Poortman rond 1900 een ontwerp voor een visvijver in landschapsstijl op 'Modder'(Huisarchief Weldam), een terrein aan de oostzijde van het noordeinde van de Poortweg. Deze nog deels in structuur bewaarde aanleg is thans sterk verzand en maakt geen deel meer uit van de historische aanleg.

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

HISTORIC GARDEN AND PARK LAYOUT. Nothing is known of the oldest history of the layout of Kasteel Weldam. Presumably the house, of which the first mention dates from 1389, has been surrounded by a moat from ancient times. Part of the current garden and park layout probably dates back to the period around 1645 to 1700, when the house was extensively remodeled in classicist style and when the two service buildings were erected. In the last quarter of the 17th century a rectangular forecourt was laid out on the south side, closed off by a monumental gate structure, with the short approach drive located on the axis of the house (nowadays provided with a few chestnut trees on either side, last quarter of the 20th century) and the access bridge over the outer moat. It can be assumed that then or in the second or third quarter of the 17th century the inner moat was also straightened and the rectangular outer moat was dug and that the cross-axis (planted with summer oaks on either side, nowadays 18th-, 19th- and 20th-century), the present Weldammerlaan, was (partially) laid out. Possibly the mirror arch-shaped bulges of the outer moat on the north side and of the Weldammerlaan on the south side also date from the 17th century. The situation of the still existing rectangular inner and outer moat with the house centrally located on the main axis of the layout and the classicist ensemble of house, forecourt, service buildings and approach drive, and the cross-axis at right angles to the main axis and the mirror arch-shaped bulges represent namely the stylistic motifs of Dutch-classicist garden architecture, which was in fashion in the aforementioned period.

This determining still existing Dutch-classicist structure of Weldam is represented for the first time on the Topographic Map of the Hottinger Atlas from c. 1787, the oldest topographic source on which a layout of Weldam is to be seen. The map also shows the structure of the current inner garden, which can be assumed to have been laid out when the inner moat was straightened and the outer moat was dug.

On this map is also indicated the straight line of the Diepenheimseweg, as well as a rectangular moated place to the west of the Diepenheimseweg, approximately at the level of the west gable of the house. This still existing place, on which a carpentry workshop with four timber sheds is situated (timber sheds are of subordinate significance for protection purposes), is preceded on the east side by a triple moat in front and a straight approach drive. This moat layout, which is partly already visible on Hugo Poortman's design for the Weldammer Achtervelt, was completed with his design for the adjacent park area around the Chapel. For what purpose the original layout of the moated place was used is not known. Although this layout is situated just to the east of a Molenbeek flanked on either side by an embankment, it does not appear to have been associated with any form of mill industry given the absence of a water fall at that location. Perhaps the layout served the exploitation of a bleachery or cotton dye works (the Molenbeek was in any case already used in the 17th century for freight transport, see G.J. Schutte, Varen waar geen water is, 1981, p. 35).

Furthermore, the Hottinger map shows to the south of the Weldammerlaan a terrain enclosed by a straight avenue running through several gentle angles (the present partly paved with clinkers Poortweg, now bordered on either side by a partly single and double row of beeches, limes, oaks, American oaks, 19th- and 20th-century, and Prins Mauritslaan, now bordered on either side with a single row of oaks and beeches, 19th- and 20th-century) with alternating irregularly shaped parcels of building land and pasture and woodland. This irregular parcellation may be attributable to geographical and other characteristics that predate the time of any architectural shaping of the landscape; perhaps there was already (partially) a layout in landscape style during this period.

On the Topographic and Military map of 1849 a comparable alternation of agricultural and woodland parcels is also observable on the north side of the Weldammerlaan. Possibly also a garden architect was involved in the layout of this area.

In 1878 the garden architect C.E.A. Petzold (1815-1891) drew up a design that concerned the aforementioned areas to the north and south of the Weldammerlaan, which form the outer park of the estate. In contrast to Petzold's design for the moated garden area (Weldam House Archive), which was probably never executed or which was only short-lived, the design for the surrounding area was partly realized, as a comparison between Petzold's design (coll. H. van der Wijck, Doorn) and the Topographic and Military maps of 1849 and from the years 1878-1881, 1885-1886 shows.

In laying out the terrain to the north and south of the Weldammerlaan, Petzold started from the already existing parcellation, the course of avenues and watercourses and woodland zones, which is a method that can be called typical of him. To the south of the Weldammerlaan he laid out a loose-meshed pattern of winding paths, which on the NE side traverse a woodland area (nowadays mixed deciduous and coniferous), which runs in spacious curves through and around a large agriculturally used meadow in landscape style and through woodland zones and which at the height of the kitchen garden transitions into the Prins Mauritslaan. Presumably these winding paths as well as the Poortweg and the Prins Mauritslaan should be interpreted as a circular route or loop road. This is a regularly recurring motif in the architecture of Petzold's designs, which aims to offer the walker a cabinet of alternating and charming views. Likewise typical of Petzold's designs is the presence of tree groups (nowadays oaks and beeches), solitary trees (oaks, limes and beeches) and woodland zones (mixed deciduous wood and coniferous), which increase the depth effect of the views and which vary the views. This part of the layout to the south of the Weldammerlaan, now consisting of meadows and forests, is known under the place names Koeweide (north), Ripperdaweide (central), Ripperdabos (central) and Weldammerbos (central and NE side).

Petzold also designed the kitchen garden on the NW side with rectangular base and a beveled side, as the design shows. Possibly he was also the architect of the orangery and of the kitchen garden wall. It is also possible that these were designed by the English architect Samuel Weatherly. On the north side of the Weldammerlaan, Petzold introduced more structure into the fairly extensive area with building land and meadows and forests. A comparison of his design with the aforementioned Topographic and Military maps shows that he extended already existing woodland zones (mixed deciduous and coniferous, holly, yew and rhododendrons) to the north and northeast (place names: Bruil's verdriet (northeast) and Weldammerbos (east) of the castle, so that they could serve as coulisses for a view from the castle onto the large complex of meadow and building land behind it (now overgrown). Petzold further projected a loop road through this complex, for the demarcation and articulation of the rather 'boundless' space located here. This loop road was never realized. Also the meadow in landscape style surrounded by an irregular edge to the west of the castle, which offers a spacious view in a northerly direction from the approach drive (the farmhouse originally located in the meadow has been demolished for some time), was probably never executed in the whimsical manner that Petzold's design presents.

Petzold presumably did provide for the layout with avenues and woodland zones with rhododendron plantings, yew and pond area (now dry) in landscape style at the farmhouse 'Bruil' located to the north of the castle (cadastral parcel Markelo C7 no. 3393), unless this layout is partly of older date. He also possibly planted the various solitary trees and tree groups, for the embellishment and articulation of the views in open areas (elm, summer oak, marsh oak, maple, lime, spruce, red and brown beech). Meadow and woodland areas in the part of the outer park to the north of the Weldammerlaan are known under the place names de Braak (west), Bruil's verdriet (northeast), Weldammerbos (east) and Sporksweide (east).

(continuation of park description) At the end of the 1870s of the 19th century, when the house was also restored and enlarged after a long period of neglect, work was begun on the replanting and enlargement of the inner garden.

The new owner Maria Cornelia baroness van Heeckeren van Wassenaeren and her husband Willem Carel Philip Otto count van Aldenburg Bentinck and Waldeck-Limpurg had from 31 December 1877 to 1878 a number of works carried out with regard to the "new garden opposite the house". Probably these works relate to the moated elongated rectangular layout on the axis of the house on the north side of the inner garden ending in a mirror arch. How this layout was filled in during this period and what changes the inner garden may have undergone is not known.

The current layout of the inner garden enclosed by the outer moat dates from the period 1885-1910 and was realized according to plans by the French garden architect Edouard Andre (1840-1911) and his 'chef de bureau', the Dutch garden architect Hugo Poortman (1858-1953), (Weldam House Archive). In the realization of these plans, still existing solitary trees from the previous layout, such as Dutch limes, crossed limes, brown beech, weeping beech, summer oak and marsh cypress, were preserved. Andre took 17th-century French classicist garden art as the starting point for his designs. Since at that time it was assumed that Dutch classicist garden art was French in origin, it can be assumed that a restoration concept was the basis of Andre's and Poortman's designs. Whether there was any consultation between the 'restoration' architect of the house and Poortman or Andre is not known.

The almost completely preserved layout of the inner garden, which is the most important of its kind in the Netherlands, forms one of the first gardens laid out in neo-formal style in the Netherlands and has been of great value as a source of inspiration for neo-formal garden art in the Netherlands. The layout is built up from a pergola (west border), two depressed rectangular parterres situated on either side of the approach drive with a round basin with scalloped edge in their center (southeast and southwest side; the original filling with embroidered parterres is no longer present), a 'Grand parterre' with embroidered parterres in boxwood (west side), a maze of thuja hedges (NW side; in 1885 1100 thuja hedges were purchased), a neo-formal rose garden (NE side) and various ornamental flower borders. The compartments, within which these parterres and borders display great refinement and elegance in finish, are each a layout in itself and through their mutual placement form a well-balanced whole.

Poortman, who was appointed as private secretary to Count van Aldenburg Bentinck at Weldam from 1887, designed around 1900 the crescent-shaped parterre in boxwood to the north and the name MARY laid out in boxwood (after the owner of the house) to the east of the house.

Originally Andre created a visual relationship between the formal inner garden and the landscape-style park lying outside the moat by means of various views from the formal inner garden. He called this method 'style mixte'. Poortman subsequently closed several sight axes, whereby this visual relationship has now diminished. From the inner garden views in easterly, northeasterly and northwesterly directions into the outer park have been preserved. In the last decade of the 19th century Poortman made a design for a layout on the so-called Weldammer Achtervelt, which is located on the west side of the Diepenheimse weg (Weldam House Archive). This still existing layout consists of a large pond area in landscape style with a small island surrounded by a winding path in the middle of a park forest (mixed deciduous and coniferous) and divided in two. Around 1900 Poortman further designed a small park layout in landscape style around the house chapel bordering the SE side of the Weldammer Achtervelt (Weldam House Archive). The arrangement includes an access path winding in curves to the chapel designed by architect Samuel Weatherly and various planting areas with among others deciduous and coniferous trees, conifers, rhododendrons and lawn. At the SW side of the chapel space is also provided for three graves.

Furthermore, H. Poortman around 1900 made a design for a fish pond in landscape style on 'Modder' (Weldam House Archive), a terrain on the east side of the northern end of the Poortweg. This layout, partly preserved in structure, is now heavily silted and is no longer part of the historic layout.

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map