TreeAlive
‹ Rijksmonumentenregister, Netherlands

Rijksmonumentenregister · Netherlands

Historische aanleg, Benedenrijweg bij 461

Ridderkerk, Zuid-Holland, Netherlands

The record

Designation
National monument (rijksmonument)
Class
Tuin, park en plantsoen
Function
Historische aanleg
Category
onroerend gebouwd
Address
Benedenrijweg bij 461, 2983 LA Ridderkerk
Place
Ridderkerk
Province
Zuid-Holland
Country
Netherlands
Coordinates
51.88639, 4.59374
Part of complex
46815
Monument number
46817

Slide toward Today to fade the historical sheet and see the modern map underneath.

David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries

5 historical maps cover this location, the earliest the 1636 map "Hollandiae meridionalis descriptio nova" (David Rumsey Map Collection, Stanford Libraries).

Get directions ↗

This monument in the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed's register ↗

The register's description

PARKAANLEG. Langgerekt park van forse afmetingen, waarvan de rechthoekige gedaante is bepaald door de kavelvorm van de omringende weilanden en de compositie het resultaat is van de volgende fasen van aanleg: bij het in 1746 ter plaatse van een vroeg-17e-eeuwse voorganger aan de rivier gebouwde huis werd een ongeveer vierkant park in formele trant aangelegd, dat tussen plm. 1760 en 1775, grotendeels reeds in vroege landschapsstijl, werd gemoderniseerd en vervolgens naar het zuiden werd uitgebreid met de aanliggende landerijen, die langzamerhand eveneens in vroege landschapsstijl werden omgevormd. Deze tegen het einde van de 18e eeuw gereedgekomen aanleg werd tussen 1800 en 1820 wederom naar het zuiden uitgebreid en door een omwerking in rijpere landschapsstijl tot een samenhangend geheel gemaakt. Waarschijnlijk eerst in de 20e eeuw is in het oorspronkelijke deel van het park (het "binnenpark"), een tuin in formele trant aangelegd, waarna het park tussen 1929 en 1939 onder leiding van Leonard Springer is hersteld en van enkele voor diens opvattingen kenmerkende toevoegingen is voorzien.

De aldus tot stand gekomen compositie bevat twee sterk met elkaar contrasterende hoofdonderdelen, het grotendeels beboste en daardoor een sterk gesloten karakter dragende binnen- of wandelpark, dat het van voor 1775 daterende, ten noorden van de Heerensloot gelegen deel van het park inneemt, en het ten zuiden van genoemde sloot gesitueerde, grotendeels uit weiland bestaande open buitenpark, welke twee delen tot een eenheid worden samengebonden door een beide doorkruisde gezichtsas.

Het park bevat de volgende elementen van historische aanleg, waarvan de opsomming begint aan de zijde van de Benedenrijweg:I. ---- Een het gehele park omgevende ringsloot, die in het noorden en zuiden deel uitmaakt van de respectievelijk langs de Benedenrijweg en de Kievitsweg lopende bermsloten.

II. --- Een in het noorden van de ringsloot aftakkende, in het oosten op korte afstand van - en parallel met de ringsloot langs het binnenpark lopende en in de onder III. te noemen Heerensloot uitmondende sloot.

III. -- De Heerensloot, een brede sloot die de verbinding vormt tussen de onder II. genoemde sloot en de ringsloot langs de Donckselaan. Voor plm. 1775 vormde zij de zuidelijke grens van het park en nadien fungeert zij als afscheiding tussen het binnen- en het buitenpark.

IV. --- Het voorplein (huidige vorm omstreeks 1746). Ondiep voorplein, dat zich te weerszijden van het hoofdgebouw voortzet als voorplein voor de meer naar achteren gelegen bijgebouwen.

Het voorplein bevat de volgende elementen van historische beplanting:a. Twee symmetrisch ten opzichte van het hoofdgebouw aan de ringsloot geplaatste zomereiken (Quercus robur), waarvan de oostelijke wordt vergezeld van een groep bruine beuken (Fagus sylvatica "Atropunicea").

b. Tegen de oostelijke flank van het hoofdgebouw een groep platanen (Platanus oriëntalis) en tegen de westelijke flank een groep linden (Tilia platiphyllos).

c. Aan de zijde van de Donckselaan een smalle bosstrook met onderbegroeiing als uitloper van de overige bebossing van het binnenpark.

V. ---- In de ten oosten van het hoofdgebouw gelegen, oorspronkelijk tot moestuin en boomgaard dienende terreinen zijn van de historische aanleg slechts enkele kavelsloten en de slingermuur van de moestuin overgebleven.

VI. --- Buiten de onder IV. en V. genoemde terreinen bestaat de aanleg van het binnenpark sinds omstreeks 1820 uit een wandelbos met onderbegroeiing, doorsneden door de volgende voor de compositie essentiele open plekken:a. Een doorkijk in de as van het hoofdgebouw, aangelegd als grasveld en ingelijst door in los verband geplante bomen zonder onderbegroeiing, die de overgang vormen naar de gesloten bosranden te weerszijden. De historische boomsoorten in deze beplanting zijn in hoofdzaak beuken (Fagus sylvatica) en zomereiken (Quercus robur), waarnaast ook een enkele es (Fraxinus excelsior). Bij het hoofdgebouw loopt het grasveld, zich vernauwend, op tot het vloerniveau van de ingangsverdieping; in aanleg werd deze vernauwing door begeleidende beplanting geaccentueerd (N.B. Medio april 1982 was deze beplanting grotendeels verdwenen). Later is dit deel van het grasveld tot een vaasvorm afgestoken en door een pad omgeven.

b. Een oorspronkelijk op de hiervoor vermelde doorkijk aansluitende doorkijk in oostelijke richting, die sinds de aanleg van de onder VIII. vermelde tuin door deze laatste wordt geblokkeerd. De doorkijk is als grasveld aangelegd en gestoffeerd met een groep zomereiken (Quercus robur) en langs de randen met losse bomen waaronder een tulpeboom (Liriodendron tulipifera), een plataan (Platanus oriëntalis), een bruine beuk (Fagus sylvatica "Atropunicea", thans verdwenen) en een beuk (Fagus sylvatica).

VII. -- In het binnenpark liggen de volgende waterpartijen:a. Een aan de westzijde van de ringsloot aftakkende kunstmatige beek (kronkelende waterloop), die zich in de onder VI.a. genoemde doorkijk verwijdt tot een oogvormige vijver, in 1775 gegraven als voorgrond voor het gezicht op de oorspronkelijk door sparrenbosjes ingelijste, maar nu door de onder VI.a. genoemde omlijstende bomen van de doorkijk van de doorkijk omgeven kunstmatige ruine. De vijver vormt met de ruine een belangrijk compositie-element uit de oudste aanleg in landschapsstijl. De bovengenoemde beek zet zich in het bos voort; in het begin van de 19e eeuw is zij verlengd naar de toen aangelegde kleine vijver ter hoogte van het in 1808 gebouwde kinderspeelhuis (de Boerenwoning), die thans de achtergrond vormt voor de door Leonard Springer aangelegde open plek, genoemd onder X.

b. Een kleine vijver in het oostelijke deel van het bos, gelegen bij de rand van de onder VI.b. genoemde doorkijk (waarschijnlijk begin 19e eeuw gegraven).

VIII. - Een waarschijnlijk tussen 1900 en 1926 in het westelijke uiteinde van de onder VI.b. genoemde doorkijk aangelegde rechthoekige tuin in formele trant, voorzien van elkaar rechthoekig kruisende paden. In het centrum is een van elders uit het park afkomstige, in 1710 door J.P. van Baurscheidt Sr. vervaardigde beeldengroep opgesteld, voorstellende Hercules en Antaeus.

IX. --- Een tussen 1929 en 1939 door Leonard Springer als verbinding tussen twee bestaande paden aangelegde rechte laan, de zgn. Beeldenlaan, tegenover welker buitenste uiteinde een doorkijk in de randbeplanting van het park is uitgehakt.

X. ---- Een tussen 1929 en 1939 door Leonard Springer in het bos bij de onder VII.a. genoemde kleine vijver aangelegde open plek, waarvan de rand wordt geaccentueerd door een beplanting met varieteiten van es (Fraxinus excelsior "Jaspidea") en kers (Prunus serrulata), een Turkse eik (Quercus cerris), een bruine beuk (Fagus sylvatica "Atropunicea"), een Lawsoncypres (Chamaecyparis lawsonia) en een taxus (Taxus baccata).

XI. --- Het buitenpark is aangelegd als "aangekleed weiland met rondwandeling", d.w.z. als centraal, met bomen gestoffeerd weidegebied, omgeven door een bosrand met onderbegroeiing, waterpartijen en wandelpaden.

De samenstellende onderdelen worden hieronder gespecificeerd:

a. In het oudste, tussen de Heerensloot en de Blaakwetering gelegen gedeelte en op enige afstand van de rand rondgaande, aan beide uiteinden in de Heerensloot uitmondende kunstmatige "beek" van slingerend verloop (gegraven 1775 - vermoedelijk 1792). Deze passeert aan de westzijde achtereenvolgens een kleine, door enkele rotsblokjes gevormde waterval en een kleine vijver (beide uit 1788), een dergelijke vijver, omgeven door zich van de beek afsplitsende en weer ermee verenigende zijarmen (1784) en aan de oostzijde een grote, van drie eilanden voorziene vijver (vermoedelijk gegraven in 1792, met het omringende bos het Nieuwe Werk genaamd). Het centrale weidegebied wordt door een met de beek en de ringsloot in verbinding staand net van kavelsloten doorkruist.

b. Sinds de vergroting van het park tot de Kievitsweg vormt het binnen het park gelegen gedeelte van de Blaakwetering een onderdeel van de compositie.

c. In het nieuwere, tussen de Blaakwetering en de Kievitsweg gelegen gedeelte van het buitenpark ligt een soortgelijke rondgaande beek, die aan beide uiteinden in de Blaakwetering uitmondt en ook door een door het midden van het weiland lopende kavelsloot met deze wetering is verbonden.

d. Van de bosrand aan de westzijde behoort de strook tussen de beek en de ringsloot (ter hoogte van de tweede vijver ook de beplanting tot aan de binnenste zijarm van de beek) tot de aanleg uit de 18e eeuw; de in het weiland liggende bosstrook is een toevoeging van Leonard Springer uit 1929/1939, evenals de daarvoor in het verlengde van de westelijke onder e. te noemen bomenrij geplaatste rij solitairen, voor welker compositie hij o.a. een vleugelnoot (Pterocarya fraxinifolia), een roodbloeiende kastanje (Aesculus carnea), zilverlinde (Tilia tomentosa) en een plataan (Platanus acerifolia) koos. De bosrand aan de oostzijde is tussen het Nieuwe Werk en Heerensloot in aanleg onderbroken voor een doorkijk naar de kerktoren van Ridderkerk.

e. Aan de zuid- en oostzijde van het park beperkt de oorspronkelijke bosrand zich in het voorste- en achterste gedeelte eveneens tot een smalle strook tussen de beek en de ringsloot; in het middengedeelte strekt deze bosrand zich ook ten westen van de beek tot aan de daar gelegen kavelsloot uit, zodat de grote vijver geheel in het bos is gelegen. De zuidelijke bosrand is in aanleg in het verlengde van de onder f. te noemen doorkijk onderbroken teneinde de doorkijk tot in het vrije veld te leiden. Tussen 1929 en 1939 zijn in de noordelijke en zuidelijke hoeken tussen het brede en de smalle gedeelten van de bosrand door Leonard Springer bospartijen toegevoegd evenals een bomenrij langs de flank van het brede deel van de bosrand en langs de Blaakwetering, waarvan eerstgenoemde aanleg o.a. een vleugelnoot (Pterocarya fraxinifolia), een bruine beuk (Fagus sylvatica "Atropunicea") en een walnoot (Juglans regia) bevat. Verder is in die tijd door Springer het weidegebied met een aantal solitaire bomen en een boomgroep gestoffeerd. In het terrein ten zuiden van de wetering zijn hiervoor een plataan (Platanus acerifolia) en twee roodbloeiende kastanjes (Aesculus carnea) gekozen, voor het middenterrein eveneens een plataan en een essenvarieteit (Fraxinus excelsior "Jaspidea") en bij het in die tijd aangelegde tennisveld een beuk (Fagus sylvatica) en een Amerikaanse linde (Tilia americana). De genoemde boomgroep is in ontwerp samengesteld uit vederesdoorns (Acer negundo "Argenteo Variegata") en haagbeuken (Carpinus betulus) (N.B. Medio april 1982 was de plaats van de Fraxinus excelsior "Jaspidea" onbezet).

f. Tot de oorspronkelijke aankleding van het weidegebied (begin 19e eeuw) behoren daarentegen twee ongeveer ter lengte van het onder e. vermelde middengedeelte in los verband geplante bomenrijen die ter plaatse het verlengde van de onder VI.a. genoemde doorkijk omlijsten. Voor deze bomenrijen zijn in aanleg voornamelijk zomereiken (Quercus robur) gebruikt en verder plataan (Platanus acerifolia), beuk (Fagus sylvatica) en es (Fraxinus excelsior).

English translation

The text above is the record as published by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in Dutch. The English below is a machine translation made by TreeAlive, not by the Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed; it has not been checked by a person. Where the two differ, the original is the record. Report a translation error: privacy@treealive.com

PARK LAYOUT. An elongated park of substantial dimensions, whose rectangular form is determined by the plot shape of the surrounding meadows and whose composition is the result of the following phases of development: at the house built in 1746 on the site of an early 17th-century predecessor by the river, an approximately square park in formal style was laid out, which between approximately 1760 and 1775, largely already in early landscape style, was modernized and subsequently extended southwards with the adjoining lands, which were gradually likewise transformed into early landscape style. This layout, completed towards the end of the 18th century, was extended again southwards between 1800 and 1820 and made into a coherent whole through a reworking in mature landscape style. Probably only in the 20th century was a garden in formal style laid out in the original part of the park (the "inner park"), after which the park was restored between 1929 and 1939 under the direction of Leonard Springer and provided with several additions characteristic of his views.

The composition thus created contains two strongly contrasting main components, the largely wooded inner or walking park, which by virtue of its dense character occupies the part of the park dating from before 1775, situated north of the Heerensloot, and the open outer park situated south of said sloot, consisting largely of meadow, which two parts are bound into a unity by a sight-line axis running through both.

The park contains the following elements of historic layout, the enumeration of which begins at the side of the Benedenrijweg:

I. ---- A perimeter sloot surrounding the entire park, which in the north and south portions forms part of the drainage ditches running respectively along the Benedenrijweg and the Kievitsweg.

II. --- A sloot branching off from the north of the perimeter sloot, running in the east at a short distance from - and parallel with the perimeter sloot alongside the inner park and discharging into the Heerensloot mentioned under III. A sloot in the east at a short distance from - and parallel with the perimeter sloot alongside the inner park and discharging into the Heerensloot mentioned under III.

III. -- The Heerensloot, a broad sloot forming the connection between the sloot mentioned under II. and the perimeter sloot along the Donckselaan. Before approximately 1775 it formed the southern boundary of the park and subsequently serves as separation between the inner and outer park.

IV. --- The forecourt (present form circa 1746). Shallow forecourt, which extends on either side of the main building as a forecourt for the outbuildings situated further back.

The forecourt contains the following elements of historic planting:

a. Two summer oaks (Quercus robur) placed symmetrically with respect to the main building at the perimeter sloot, of which the eastern is accompanied by a group of copper beeches (Fagus sylvatica "Atropunicea").

b. Against the eastern flank of the main building a group of planes (Platanus orientalis) and against the western flank a group of lindens (Tilia platiphyllos).

c. On the side of the Donckselaan a narrow belt of woodland with undergrowth as an extension of the remaining wooded areas of the inner park.

V. ---- In the terrain located to the east of the main building, originally serving as a kitchen garden and orchard, only a few field ditches and the curved wall of the kitchen garden remain from the historic layout.

VI. --- Outside the terrain mentioned under IV. and V., the layout of the inner park has consisted since approximately 1820 of a walking wood with undergrowth, crossed by the following open spaces essential to the composition:

a. A vista along the axis of the main building, laid out as a lawn and framed by trees planted in loose arrangement without undergrowth, which form the transition to the closed woodland edges on either side. The historic tree species in this planting consist principally of beeches (Fagus sylvatica) and summer oaks (Quercus robur), alongside which also an occasional ash (Fraxinus excelsior). At the main building the lawn narrows as it runs up to the floor level of the entrance storey; in the original layout this narrowing was accentuated by accompanying planting (N.B. In mid-April 1982 this planting had largely disappeared). Later this part of the lawn was marked out in an urn shape and surrounded by a path.

b. A vista originally adjoining the aforementioned vista, running in an easterly direction, which since the laying out of the garden mentioned under VIII. is blocked by the latter. The vista is laid out as a lawn and furnished with a group of summer oaks (Quercus robur) and along the edges with scattered trees including a tulip tree (Liriodendron tulipifera), a plane (Platanus orientalis), a copper beech (Fagus sylvatica "Atropunicea", now disappeared) and a beech (Fagus sylvatica).

VII. -- The following water features are situated in the inner park:

a. An artificial stream (meandering watercourse) branching off from the west side of the perimeter sloot, which expands in the vista mentioned under VI.a. into an eye-shaped pond, dug in 1775 as a foreground for the view of the artificial ruin originally framed by small spruce woods but now surrounded by the framing trees of the vista mentioned under VI.a. The pond forms with the ruin an important composition element from the earliest layout in landscape style. The aforementioned stream continues in the wood; in the early 19th century it was extended to the small pond then laid out at the level of the children's playhouse built in 1808 (the Farmhouse), which now forms the background for the open space laid out by Leonard Springer, mentioned under X.

b. A small pond in the eastern part of the wood, situated at the edge of the vista mentioned under VI.b. (probably dug in the early 19th century).

VIII. - A rectangular garden in formal style, probably laid out between 1900 and 1926 at the western end of the vista mentioned under VI.b., provided with mutually perpendicular paths. In the centre is positioned a sculpture group, originating from elsewhere in the park, made in 1710 by J.P. van Baurscheidt Sr., depicting Hercules and Antaeus.

IX. --- A straight avenue, the so-called Beeldenlaan, laid out between 1929 and 1939 by Leonard Springer as a connection between two existing paths, opposite whose outer end a vista has been cut through the perimeter planting of the park.

X. ---- An open space laid out between 1929 and 1939 by Leonard Springer in the wood at the small pond mentioned under VII.a., whose edge is accentuated by planting with varieties of ash (Fraxinus excelsior "Jaspidea") and cherry (Prunus serrulata), a Turkish oak (Quercus cerris), a copper beech (Fagus sylvatica "Atropunicea"), a Lawson cypress (Chamaecyparis lawsoniana) and a yew (Taxus baccata).

XI. --- The outer park is laid out as "dressed meadow with perimeter walk", that is to say as a central meadow area furnished with trees, surrounded by a wooded edge with undergrowth, water features and walking paths.

The constituent components are specified below:

a. In the oldest section, situated between the Heerensloot and the Blaakwetering, and at some distance from the edge running around, an artificial "stream" with meandering course at both ends discharging into the Heerensloot (dug 1775 - presumably 1792). This successively passes on the west side a small waterfall formed by a few rock blocks and a small pond (both from 1788), a similar pond surrounded by side branches splitting off from and rejoining the stream (1784) and on the east side a large pond furnished with three islands (presumably dug in 1792, named the New Work with the surrounding wood). The central meadow area is crossed by a network of field ditches connecting with the stream and the perimeter sloot.

b. Since the enlargement of the park to the Kievitsweg, the section of the Blaakwetering situated within the park forms part of the composition.

c. In the newer section of the outer park, situated between the Blaakwetering and the Kievitsweg, lies a similar encircling stream, which at both ends discharges into the Blaakwetering and is also connected to this watercourse by a field ditch running through the middle of the meadow.

d. Of the wooded edge on the west side, the strip between the stream and the perimeter sloot (at the level of the second pond also the planting to the innermost side branch of the stream) belongs to the 18th century layout; the wooded strip lying in the meadow is an addition by Leonard Springer from 1929/1939, as is the row of solitary trees placed in the extension of the western tree row mentioned under e., for whose composition he chose, among others, a wingnut (Pterocarya fraxinifolia), a red-flowering horse-chestnut (Aesculus carnea), silver linden (Tilia tomentosa) and a plane (Platanus acerifolia). The wooded edge on the east side is interrupted between the New Work and Heerensloot in layout for a vista towards the church tower of Ridderkerk.

e. On the south and east sides of the park the original wooded edge in the front and rear sections likewise limits itself to a narrow strip between the stream and the perimeter sloot; in the middle section this wooded edge also extends west of the stream to the field ditch situated there, so that the large pond is entirely situated in the wood. The southern wooded edge is interrupted in layout in the extension of the vista mentioned under f. in order to lead the vista into the open field. Between 1929 and 1939, wooded sections were added in the northern and southern corners between the broad and narrow sections of the wooded edge by Leonard Springer, as well as a tree row along the flank of the broad section of the wooded edge and along the Blaakwetering, of which the first-mentioned layout contains, among others, a wingnut (Pterocarya fraxinifolia), a copper beech (Fagus sylvatica "Atropunicea") and a walnut (Juglans regia). Furthermore, during that period Springer furnished the meadow area with a number of solitary trees and a group of trees. For the terrain south of the watercourse a plane (Platanus acerifolia) and two red-flowering horse-chestnuts (Aesculus carnea) were chosen, for the middle terrain likewise a plane and an ash variety (Fraxinus excelsior "Jaspidea") and at the tennis court laid out at that time a beech (Fagus sylvatica) and an American linden (Tilia americana). The mentioned group of trees was composed in design from box elders (Acer negundo "Argenteo Variegata") and hornbeams (Carpinus betulus) (N.B. In mid-April 1982 the position of the Fraxinus excelsior "Jaspidea" was unoccupied).

f. To the original dressing of the meadow area (early 19th century) belong, by contrast, two tree rows planted in loose arrangement approximately along the length of the middle section mentioned under e., which at that location frame the extension of the vista mentioned under VI.a. For these tree rows summer oaks (Quercus robur) were used principally in the layout, and furthermore plane (Platanus acerifolia), beech (Fagus sylvatica) and ash (Fraxinus excelsior).

Nearby in the register

Other entries of the same register within about three miles of this one, by straight line.

Rijksmonumentenregister data: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, released under CC0 1.0. Record text is reproduced unchanged. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed · CC0 1.0
See your own family's places on a living map